Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL1524

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
01-02-2010
Zaaknummer
HD 200.007.372
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schade door doorbreken contractuele relatie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. CH

zaaknr. HD 200.007.372

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zesde kamer, van 26 januari 2010,

gewezen in de zaak van:

1. [APPELLANT SUB 1],

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

2. [APPELLANTE SUB 2],

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

appellanten in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 5 juni 2008,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. M.B.Ph. Geeraedts,

tegen:

STICHTING AMPHIA,

gevestigd te Breda,

geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 16 april 2008 tussen principaal appellanten - gezamenlijk [appellant 1 c.s.] en afzonderlijk respectievelijk: [appellant sub 1] en [appellante sub 2] - als eisers en principaal geïntimeerde - Stichting Amphia - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 179069/HA ZA 07- 1411)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, alsmede naar het tussenvonnis van 5 december 2007.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant 1 c.s.] onder overlegging van producties zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en na vermindering van eis, kort gezegd, gevorderd Stichting Amphia te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding van primair € 196.006,--, subsidiair € 119.715,-- en meer subsidiair tot een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2004, althans de dag der dagvaarding.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft Stichting Amphia onder overlegging van producties de grieven bestreden. Voorts heeft Stichting Amphia incidenteel appel ingesteld, daarin vier grieven aangevoerd en geconcludeerd, kort gezegd, tot bekrachtiging van (het dictum van) het beroepen vonnis.

2.3. [appellant 1 c.s.] heeft in incidenteel appel onder overlegging van producties geantwoord.

2.4. Partijen hebben daarna hun zaak aan de hand van pleitnotities doen bepleiten, waarna partijen de gedingstukken inclusief de pleitnotities hebben overgelegd. Partijen hebben uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de beide memories van grieven.

4. De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1 Geen duidelijke grieven zijn gericht tegen de feiten, zoals door de rechtbank weergegeven in rechtsoverweging 3.1 van het vonnis van 16 april 2008. Het hof zal derhalve van diezelfde feiten uitgaan. Een uitzondering geldt voor de vraag of de ontbinding van de 50 % arbeidsovereenkomst in 1996 door de rechter is geschied of dat [appellant sub 1] en zijn toenmalige werkgever in die procedure tot een minnelijke regeling zijn gekomen. Het hof zal dat in het midden laten. Voorts staan enkele andere feiten in deze procedure tussen partijen als enerzijds gesteld en anderzijds niet voldoende gemotiveerd betwist vast.

Hierna volgt een kort overzicht van de relevante feiten.

a. [appellant sub 1] is in 1973 als medisch fotograaf in dienst getreden van het Laurens Ziekenhuis te Breda. [appellant sub 1] is gespecialiseerd in het maken van Fluorescentie Angiografiëen (hierna: FAG's) ten behoeve van oogartsen.

b. In 1991 heeft [appellant sub 1] samen met zijn echtgenote de vennootschap onder firma [appellante sub 2] opgericht.

c. In 1993 is op verzoek van [appellant sub 1] de arbeidsovereenkomst met het Laurens Ziekenhuis gewijzigd in die zin dat [appellant sub 1] voor 50 % in dienst bleef als werknemer. [appellant sub 1] zou hiernaast onder de vlag van [appellante sub 2] als zelfstandige werkzaamheden verrichten voor onder meer het Laurens Ziekenhuis. Deze afspraak is nooit schriftelijk vastgelegd.

d. In 1996 is de arbeidsovereenkomst tussen [appellant sub 1] en het Baronieziekenhuis (de rechtsopvolger door fusie van het Laurens Ziekenhuis en het Diaconessenziekenhuis) in het kader van een ontbindingsprocedure voor de kantonrechter ontbonden onder toekenning van een vergoeding aan [appellant sub 1] van een bedrag van fl. 96.000,-- (inclusief fl. 7.500,-- als vergoeding voor juridische bijstand).

e. [appellante sub 2] heeft zelf de benodigde apparatuur aangeschaft om FAG's te maken. [appellant sub 1] maakte via [appellante sub 2] met deze apparatuur sedert 1996 op factuurbasis FAG's voor de oogartsen van het Ignatius Ziekenhuis te Breda en het Pasteurziekenhuis te Oosterhout.

f. In 2001 heeft een fusie plaatsgevonden tussen het Baronieziekenhuis, het Ignatiusziekenhuis en het Pasteurziekenhuis, waaruit Stichting Amphia is ontstaan.

g. Op 6 maart 2001 heeft Stichting Amphia besloten om het maken van (digitale) FAG's in eigen beheer te nemen en de daarvoor benodigde apparatuur zelf aan te schaffen. Zij heeft daartoe onder andere [appellante sub 2] benaderd om een offerte uit te brengen voor de levering van deze apparatuur aan Stichting Amphia.

h. Bij brief van 27 augustus 2002 heeft [appellante sub 2] een "OFFERTE Fag's" uitgebracht (bijl. 10 bij prod. 1b inl. dagv.).

i. Bij brief van 7 maart 2003 (prod. 3 cva) en/of bij gelijkluidende brief van 11 maart 2003 (bijl. 17 bij prod. 1b inl. dagv.) heeft [persoon 1] namens Stichting Amphia aan [appellante sub 2] bericht:

"Bij deze laten wij u weten dat afgelopen donderdag 6 maart t.a.v. de apparatuur voor DFAG door de hiertoe aangestelde commissie een definitief besluit is genomen.

Aan deze beslissing lagen de volgende afspraken ten grondslag:

in 2001 nam de BOF het principebesluit de DFAG in eigen beheer te nemen met eigen apparatuur.

(...) De definitieve keuze is echter niet op uw firma gevallen (...) Uiterlijk in april 2003 zal er een beslissing genomen dienen te worden m.b.t. de personele invulling(...)".

j. Bij brief van 23 augustus 2004 (bijl. 22 bij prod. 1b inl. dagv.) heeft Stichting Amphia aan [appellante sub 2] meegedeeld dat de nieuwe apparatuur in september/oktober 2004 geplaatst zal worden en dat daardoor per 1 november 2004 geen gebruik meer zal worden gemaakt van de diensten van [appellante sub 2].

k. [appellante sub 2] is vervolgens tot 1 november 2004 met eigen apparatuur FAG's blijven maken voor Stichting Amphia.

4.2.1 In de inleidende dagvaarding heeft [appellant 1 c.s.] schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van € 213.403,98 omdat de opzegging van de contractuele relatie onrechtmatig zou zijn. Het door [appellant 1 c.s.] gevorderde schadebedrag is samengesteld uit de onderdelen waardevermindering apparatuur, omzetderving, immateriële schade, herstel pensioengat en kosten juridische bijstand.

4.2.2 Stichting Amphia heeft op diverse punten verweer gevoerd.

4.2.3 De rechtbank heeft in het beroepen vonnis geoordeeld dat de onderhavige overeenkomst tussen [appellante sub 2] en Stichting Amphia kon worden opgezegd en dat in deze procedure nog slechts aan de orde is de vraag of de in acht genomen opzegtermijn voldoende lang en derhalve redelijk is. De rechtbank is vervolgens tot de conclusie gekomen dat de gehanteerde opzegtermijn te kort is en dat Stichting Amphia op die grond schadevergoeding verschuldigd is aan [appellant 1 c.s.]

Deze schade bestaat volgens de rechtbank uit een bedrag overeenkomstig de laatste jaarlijkse omzet van [appellant 1 c.s.] uit de FAG´s, verminderd met de daarop bespaarde kosten. De andere schadeposten worden afgewezen. Omdat [appellant 1 c.s.] het bedrag van die schade onvoldoende had onderbouwd, heeft de rechtbank de vordering van [appellant 1 c.s.] afgewezen.

4.3.1 [appellant 1 c.s.] heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank, dat Stichting Amphia de onderhavige overeenkomst met [appellante sub 2] kon opzeggen (zie ook laatste alinea pag. 2 pleitnota [appellant 1 c.s.]). Het hof zal daar derhalve van uitgaan.

4.3.2 [appellant 1 c.s.] heeft wel grieven gericht tegen diverse onderdelen van de overwegingen van de rechtbank die de vraag betreffen of er een redelijke opzegtermijn in acht is genomen en voorts tegen overwegingen betreffende de afwijzing van de schadevergoeding.

4.3.3 Stichting Amphia heeft in het incidenteel appel grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de onderhavige termijn van opzegging niet redelijk is en voorts tegen een aantal overwegingen met betrekking tot de bijbehorende schadevergoeding.

4.3.4 Het hof zal, gelet op deze grieven, allereerst beoordelen of er sprake is van een onredelijke opzegtermijn van de contractuele relatie en daarna - voor zover nodig - ingaan op de diverse schadevorderingen. Daarbij zal het hof rechtdoen op de in hoger beroep verminderde eis.

4.4 [appellant 1 c.s.] onderbouwt zijn stelling, dat de onderhavige opzegtermijn van de contractuele relatie door Stichting Amphia bij brief van 23 augustus 2004 veel te kort is, onder meer op de volgende gronden:

a. Er is sprake van een zeer langdurige relatie tussen [appellant sub 1] en [appellante sub 2] enerzijds en Stichting Amphia (dan wel de rechtsvoorgangers van Stichting Amphia) anderzijds.

b. Hoewel Stichting Amphia al op 14 juni 2004 haar beslissing heeft genomen, heeft [appellante sub 2] daar voor het eerst over vernomen bij brief van 23 augustus 2004 van Stichting Amphia.

c. Stichting Amphia heeft een zeer lange tijd genomen om over deze kwestie te beslissen; aan [appellante sub 2] geeft zij slechts twee maanden de tijd.

d. In 1993 heeft [appellant sub 1] bij de wijziging van zijn fulltime dienstverband in een parttime dienstverband geen ontslagvergoeding gekregen. Bij zijn ontslag in 1996 heeft hij wel een vergoeding verkregen, maar deze was slechts gebaseerd op een dienstverband van 50 % van de volledige werktijd. Op deze wijze heeft [appellant sub 1] geen vergoeding gekregen voor het ontslag in 1993.

e. Stichting Amphia heeft niet rekening gehouden met de belangen van [appellant 1 c.s.] [appellant sub 1] heeft al in 1996 aangegeven dat werkzekerheid voor hem van groot belang was. Het is voor [appellant sub 1] onmogelijk om in de buurt van zijn woonplaats Dorst vervangende werkgelegenheid te vinden. Voorts kan [appellante sub 2] door de korte opzegtermijn de door haar speciaal ten behoeve van Stichting Amphia aangeschafte apparatuur niet meer terugverdienen.

f. Stichting Amphia heeft geen redelijk belang om de tot 2003/2004 bestaande relatie te wijzigen en heeft ook geen juiste reden opgegeven voor het beëindigen van de contractuele relatie.

4.6 De omstandigheid, dat [appellant sub 1] eerst in een dienstverband heeft gewerkt bij het Laurens Ziekenhuis en later bij het Baronieziekenhuis, laat het hof bij de vraag of de overeenkomst van opdracht op 1 november 2004 beëindigd kon worden buiten beschouwing. Niet alleen is dit dienstverband al lange tijd geleden beëindigd, maar voorts staat vast dat het dienstverband van [appellant sub 1] in 1993 op diens eigen verzoek is verminderd tot een parttime dienstbetrekking (zie uitgebreid: par. 3 pleitnota KG eerste aanleg van [appellant 1 c.s.], prod. 1b inl. dagv.). Dat [appellant sub 1] in juridisch relevante mate hiertoe min of meer gedwongen zou zijn geweest door zijn toenmalige werkgever, heeft Stichting Amphia betwist en is overigens niet voldoende concreet onderbouwd door [appellant sub 1].

Voor zover door de rechtsvoorgangers van Stichting Amphia daarbij met [appellant sub 1] een afspraak zou zijn gemaakt dat hij onder de vlag van [appellante sub 2] als zelfstandige werkzaamheden voor (de rechtsvoorgangers van) Stichting Amphia zou mogen verrichten, lijkt daaraan op redelijke wijze gevolg te zijn gegeven. [appellante sub 2] is immers tot 1 november 2004 deze werkzaamheden blijven verrichten. [appellant 1 c.s.] heeft tegenover de uitdrukkelijke betwisting door Stichting Amphia niet voldoende duidelijk en concreet onderbouwd aangevoerd dat afgesproken was dat bijvoorbeeld de samenwerking tot in het oneindige of tot de 65 jarige leeftijd van [appellant sub 1] zou voortduren en tussentijds nooit opzegbaar zou zijn.

De enkele omstandigheid, dat een afspraak is gemaakt om als zelfstandig opdrachtnemer werkzaamheden te gaan verrichten waar eerst sprake is geweest van het verrichten van ongeveer dezelfde werkzaamheden in dienstverband, brengt een dergelijke zeer vergaande uitleg van deze overeenkomst niet mee. Zelfs een dienstverband is overigens opzegbaar.

Wat betreft het resterende parttime dienstverband geldt dat dit dienstverband in 1996 is ontbonden onder toekenning van een ontslagvergoeding voor dat 50 % dienstverband. Daarmee zijn in beginsel ook de gevolgen van dit dienstverband definitief geregeld. [appellant 1 c.s.] heeft niets aangevoerd dat een andere conclusie rechtvaardigt.

4.7 Het hof acht evenmin van belang dat Stichting Amphia volgens [appellant 1 c.s.] geen redelijk belang zou hebben bij haar beslissing om de apparatuur voor het maken van FAG's zelf aan te schaffen en de FAG's in eigen beheer te laten maken. Niet valt in te zien waarom Stichting Amphia niet om haar moverende redenen een dergelijke beleidsbeslissing mag nemen. Dat deze beslissing (volgens [appellant 1 c.s.]) mogelijk niet de meest economisch en kwalitatief verantwoorde beslissing is, is in beginsel niet relevant voor derden, zoals [appellante sub 2] en [appellant sub 1]. Nu Stichting Amphia zich bij de opzegging van de relatie met [appellante sub 2] voorts beroept op die eerder genomen beleidsbeslissing, valt op dit punt geen verwijt aan Stichting Amphia te maken.

4.8 Ten slotte passeert het hof de door [appellant 1 c.s.] her en der in zijn gedingstukken gemaakte vergelijking van de onderhavige overeenkomst van opdracht van [appellante sub 2] met een "dienstverband" van [appellant sub 1] met Stichting Amphia (zie bijv. par. 15 mem.v.antw. in inc. appel). Het voorheen bestaande dienstverband tussen [appellant sub 1] en de (rechtsvoorgangers van) Stichting Amphia was beëindigd en afgewikkeld. De tussen [appellante sub 2] en (de rechtsvoorgangers van) Stichting Amphia bestaande relatie was er een van een overeenkomst van opdracht. [appellante sub 2] was derhalve een zelfstandige opdrachtnemer met alle voor- en nadelen van die positie.

4.9 In de hierna volgende rechtsoverwegingen 4.10 tot en met 4.14 zal het hof de omstandigheden bespreken, die naast de vaststaande feiten van deze zaak, wel relevant zijn bij het oordeel over de vraag of Stichting Amphia een redelijke termijn voor beëindiging van de overeenkomst van opdracht in acht heeft genomen.

4.10 Zoals [appellant 1 c.s.] bij gelegenheid van pleidooi desgevraagd verklaard heeft is hij in de loop van het jaar 2002 er van op de hoogte gekomen dat Stichting Amphia van plan was zelf de apparatuur voor het maken van FAG's aan te schaffen. Een verzoek tot het uitbrengen van een offerte voor het leveren van apparatuur heeft [appellant 1 c.s.] gehad in de periode "tussen 3 april 2002 en augustus 2002". [appellant sub 1] is namens [appellante sub 2] aanwezig geweest bij een bespreking daarover met een vertegenwoordiger van Stichting Amphia, [persoon 2] (zie bijl. 11 bij prod. 1b bij inl. dagv.), waarin aangeven werd dat de door [appellant 1 c.s.] genoemde apparatuur niet voldeed aan de wensen van Stichting Amphia.

4.11 Bij eerdergenoemde brief van 7 en/of 11 maart 2003 van [persoon 1] van Stichting Amphia wordt - onder de vermelding van het principebesluit van Stichting Amphia dat DFAG in eigen beheer zou worden genomen - [appellante sub 2] er van op de hoogte gesteld dat de definitieve keuze voor het leveren van apparatuur voor FAG's niet aan [appellante sub 2] verstrekt wordt. Voorts wordt vermeld dat er met betrekking tot de personele invulling op korte termijn nog een beslissing genomen zal worden.

Naar het oordeel van het hof had [appellante sub 2] hieruit kunnen opmaken dat de oorspronkelijk werkwijze van [appellante sub 2] - het maken van DFAG's met eigen apparatuur - in de toekomst niet langer gecontinueerd zou worden.

Dat [appellante sub 2] dit ook zo begrepen heeft, wordt bevestigd door de inhoud van de brief d.d. 9 april 2003 van haar raadsman aan Stichting Amphia (prod. 1 cva), waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de beëindiging van de langdurige relatie en waarin de raadsman zich op het standpunt stelt dat "de opzegging van de relatie met cliënte geen effect sorteert".

4.12 Naar aanleiding van een briefwisseling tussen [appellant 1 c.s.] en Stichting Amphia in mei 2004 vindt er eind mei 2004 een telefonische bespreking plaats tussen [appellant sub 1] en eerdergenoemde [persoon 1] van Stichting Amphia (zie voor door [appellant 1 c.s.] uitgewerkt verslag bijl. 20 bij prod. 1b inl. dagv.).

In dit telefoongesprek moet het voor [appellant sub 1] in ieder geval duidelijk zijn geworden dat noch hij noch [appellante sub 2] een rol zouden blijven spelen bij het maken van FAG's voor Stichting Amphia. [persoon 1] zegt dit niet alleen in het begin van het gesprek met zoveel woorden, maar [appellant sub 1] concludeert in dat gesprek dan ook "Dus dit betekent einde [appellante sub 2]" en "Dus ik hoor nu net van jou einde [appellante sub 2], want je gaat het zelf aanschaffen en laat het ook door mensen van het Amphia zelf doen".

De omstandigheid, dat [appellant sub 1] in dit telefoongesprek de rechtmatigheid van dit besluit aanvecht en kennelijk de hoop op een betere afloop niet heeft verloren, doet niet af aan de duidelijkheid en het definitieve karakter van de mededelingen van [persoon 1] in dit telefoongesprek.

4.13 Onder voornoemde omstandigheden acht het hof het niet onredelijk dat Stichting Amphia bij brief van 23 augustus 2004 de contractuele relatie per 1 november 2004 beëindigt. [appellante sub 2] heeft immers geruime tijd gehad om naar andere opdrachtgevers om te zien. Het hof heeft hierbij voorts acht geslagen op de omstandigheid, dat de totale omzet van [appellante sub 2] in 2002 en 2003 van respectievelijk

€ 95.327,-- en € 85.227,-- voor minder dan de helft (respectievelijk € 43.712,-- en € 42.141,--) van werkzaamheden voor Stichting Amphia afkomstig is. Het hof heeft deze cijfers ontleend aan de bijlage bij de brief van 2 oktober 2008 van accountant P.A.J.M. Leemans aan de raadsman van [appellant 1 c.s.] (prod. 3 mvgr).

De omstandigheid, dat Stichting Amphia geruime tijd heeft genomen voor de uitwerking van de door haar kennelijk reeds in 2001 genomen beleidsbeslissing, doet aan het voorgaande niet af.

4.14 Voor zover [appellant 1 c.s.] aanvoert dat Stichting Amphia bij de beëindiging van de overeenkomst niet voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [appellant 1 c.s.] geldt het volgende.

[appellant 1 c.s.] heeft in dat kader onder meer gesteld dat hij sedert november 2004 de speciaal voor het werk voor Stichting Amphia aangeschafte apparatuur voor het maken van FAG's niet meer heeft kunnen gebruiken, terwijl deze apparatuur nog lang niet afgeschreven was. Het gaat daarbij kennelijk om apparatuur die tot een bedrag van

€ 50.442,-- in 1999 is aangeschaft, voor € 2.071,-- in 2000, voor € 5.117,-- in 2001, voor € 22.906,-- in 2002 en voor € 2.805,-- in 2003 (zie bijlage 2 bij eerdergenoemde brief d.d. 2 oktober 2008 van accountant Leemans aan de raadsman van [appellant 1 c.s.]).

[appellant 1 c.s.] heeft - tegenover de stelling van Stichting Amphia dat de apparatuur voor eigen rekening en risico van [appellante sub 2] is aangeschaft en dat Stichting Amphia nooit enige toezegging heeft gedaan met betrekking tot de duur van het gebruik van die apparatuur - niet voldoende concreet onderbouwd gesteld dat dit anders zou zijn. De omstandigheid, dat Stichting Amphia voor de ten behoeve van haar gemaakte FAG's apparatuur van een bepaalde kwaliteit wenste, doet daar niet aan af. Het stond [appellante sub 2] immers vrij daar wel of niet op in te gaan.

In beginsel behoren dergelijke aanschaffingen derhalve tot het risico van de opdrachtnemer, in casu [appellante sub 2]. [appellant 1 c.s.] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat dit in het onderhavige geval anders zou liggen.

Het hof heeft daarbij voorts acht geslagen op de omstandigheid, dat de aanschaf van voornoemde apparatuur voor het grootste deel reeds in 1999 heeft plaatsgevonden en dat deze apparatuur gedurende ongeveer vijf jaar is ingezet ten behoeve van de werkzaamheden voor Stichting Amphia en de daarbij behorende omzet. Ook de overige apparatuur is gedurende enkele jaren ingezet geweest ten behoeve van het genereren van omzet in de relatie met Stichting Amphia. De omstandigheid, dat de apparatuur na november 2004 nog wel bruikbaar maar niet meer goed te verkopen was, doet aan voorgaand oordeel niet af.

De overige belangen, waar [appellant 1 c.s.] door de beëindiging van de contractuele relatie per 1 november 2004 in is geschaad (moeilijk vinden van hetzelfde werk in de buurt van het woonhuis van [appellant sub 1], het ontstaan van een pensioengat etc.), behoren tot het gewone ondernemersrisico van [appellante sub 2]. Niet valt in te zien waarom Stichting Amphia hiervoor in bijzondere mate mede verantwoordelijk is.

4.15 Het voorgaande brengt mee dat Stichting Amphia niet tekort is geschoten in de redelijkheid en billijkheid die zij ook bij het opzeggen van een contractuele relatie in acht moet nemen ten opzichte van haar contractspartner. Dit betekent voorts dat Stichting Amphia op deze grond geen schadevergoeding verschuldigd is aan [appellant 1 c.s.]

Van bijzondere omstandigheden, die desondanks toch tot een schadevergoeding nopen, is niet gebleken. Met name is niet gebleken van omstandigheden die meebrengen dat Stichting Amphia bij de beëindiging van de contractuele relatie per 1 november 2004 een vergoeding voor de aanschaf van die apparatuur aan [appellante sub 2] zou moeten geven.

De vordering van [appellant 1 c.s.] tot het betalen van schadevergoeding is derhalve op de hierboven genoemde gronden terecht afgewezen. In zoverre kan het dictum van het beroepen vonnis bekrachtigd worden.

4.16 [appellant sub 1] heeft bij pleidooi gesteld dat de vordering tot het vergoeden van immateriële schade slechts hemzelf in persoon betreft.

Voor zover deze vordering volgens [appellant sub 1] enig verband heeft met het beëindigen van de contractuele relatie tussen [appellante sub 2] en Stichting Amphia, wijst het hof deze vordering af op de hiervoor genoemde gronden.

Voor zover [appellant sub 1] deze vordering grondt op een toegangsverbod, dat bij brief van 8 december 2004 aan hem zou zijn opgelegd, en de uitvoering van dit verbod bij een bezoek aan het ziekenhuis van Stichting Amphia als begeleider van zijn zoon, is deze vordering onvoldoende concreet onderbouwd. Stichting Amphia stelt namelijk hier tegenover dat het toegangsverbod uitsluitend aan het eigen gedrag van [appellant sub 1] is te wijten en dat zij dit nooit op enige wijze in de openbaarheid heeft gebracht. [appellant sub 1] heeft de door hem gestelde gebeurtenissen verder onvoldoende toegelicht om een dergelijke vordering op te kunnen baseren.

Ten slotte voert [appellant sub 1] - naar het hof begrijpt in dit kader - nog aan dat Stichting Amphia op verschillende tijdstippen hem zodanig heeft tegengewerkt dat hij daardoor verscheidene lucratieve contracten met derden is misgelopen. Stichting Amphia betwist niet alleen de gestelde tegenwerking, maar ook het causale verband tussen de beweerde tegenwerking en het gevolg, te weten het niet doorgaan van een contract met derden. Nu [appellant sub 1] deze stelling verder niet nader heeft uitgewerkt of heeft onderbouwd, is de vordering tot het vergoeden van immateriële schade ook op deze grond niet toewijsbaar.

De conclusie is derhalve dat deze vordering van [appellant sub 1] terecht is afgewezen.

4.17 Gelet op het voorgaande heeft het hof geen behoefte aan het alsnog overleggen door [appellant 1 c.s.] van producties betreffende het door [appellant 1 c.s.] gestelde pensioengat.

Het hof passeert bewijsaanbiedingen van [appellant 1 c.s.], omdat de relevante stellingen, waarop deze bewijsaanbiedingen betrekking hebben, zelf niet voldoende onderbouwd zijn. Voor het overige betreffen de bewijsaanbiedingen stellingen, die niet relevant zijn voor de beslissing in deze zaak.

4.18 De grieven in het principaal appel falen. De grieven in het incidenteel appel treffen in zoverre doel dat de voor de gronden, waarop de beslissing van de rechtbank bekrachtigd wordt, verwezen wordt naar de overwegingen in dit arrest.

Het hof zal [appellant 1 c.s.] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van de procedure in het principaal appel.

5. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Breda van 16 april 2008 op de in dit arrest aangegeven gronden;

veroordeelt [appellant 1 c.s.] in de kosten van de procedure in het principaal appel, welke kosten aan de zijde van Stichting Amphia tot op heden worden begroot op € 5.981,-- voor verschotten en op € 9.789,-- voor salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Rothuizen-van Dijk, Van Harinxma thoe Slooten en Van der Flier en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 januari 2010.