Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL1325

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
29-01-2010
Zaaknummer
20-002208-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2009:BI7481, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 6 WVW; roekeloos rijgedrag. Strafmotivering en LOVS-oriëntatiepunten.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2010/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-002208-09

Uitspraak : 20 januari 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 juni 2009 in de strafzaak met parketnummer 01-845450-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [Geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij verdachte ter zake van overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 waardoor een ander werd gedood en waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 Wegenverkeerswet 1994, en waarbij de vordering van de benadeelde partij, zijnde de nabestaanden van [Slachtoffer 1], is geheel toegewezen en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Wrakingbeslissing van de rechtbank

Het hoger beroep is blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet gericht tegen de wrakingsbeslissing (nr. 194142/EX RK 09-114) van de wrakingskamer van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 9 juni 2009.

Partiële vrijspraak door eerste rechter

Het hoger beroep is blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, niet gericht tegen de vrijspraak door de eerste rechter ter zake van overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 waarbij aan [Slachtoffer 2], zijnde een inzittende van verdachte’s motorrijtuig zwaar lichamelijk letsel althans zodanig letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Vordering van de benadeelde partij

Bij vonnis waarvan beroep is de vordering van de benadeelde partij, de nabestaanden van [Slachtoffer 1], geheel toegewezen. Deze vordering duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, mr. J.M.G. Brughuis, en van hetgeen door verdachte en namens deze door mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal bevestigen met uitzondering van de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid en de verdachte zal veroordelen tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van tien jaren met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdediging heeft met betrekking tot de op te leggen straf en de bijkomende straf van de ontzegging van de rijbevoegdheid naar voren gebracht dat de straf zoals in eerste aanleg opgelegd bovenmatig hoog is en geen recht doet aan de zaak in vergelijking met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De verdediging heeft daartoe onder meer verwezen naar de toepasselijke LOVS-oriëntatiepunten en naar rechterlijke uitspraken in soortgelijke zaken. De verdediging heeft voorts afwijzing van de vordering van de benadeelde partij bepleit, nu deze is voldaan.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg op 15 juli 2008 en 29 mei 2009 en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 augustus 2007 te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel, in elk geval in het arrondissement 's-Hertogenbosch, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Beusingsedijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen als volgt:

verdachte heeft - rijdende over de Beusingsedijk - met een snelheid van tenminste tussen de 150 en 170 kilometer per uur, althans met een snelheid van ten minste 150 kilometer per uur, in elk geval met een aanmerkelijk hogere dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur en/of met een, gelet op de verkeerssituatie, te hoge snelheid,

en/of gekomen ter hoogte van een verkeersbord J37 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens en/of gekomen nabij een oversteekplaats voor fietsers en bromfietsers,

geen, althans onvoldoende, vaart geminderd en/of niet, althans niet tijdig afgeremd en/of zijn voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht binnen een afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was, en/of is (vervolgens) met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing gekomen met een - gezien zijn, verdachtes rijrichting -van rechts naar links overstekende bromfietser en/of (vervolgens) met een in de rechterberm staande boom,

waardoor of mede waardoor een ander (te weten [Slachtoffer 1], zijnde de genoemde bromfietser) werd gedood en/of een ander (te weten [Slachtoffer 3], zijnde inzittende in zijn, verdachtes, motorrijtuig) zwaar lichamelijk letsel althans zodanig letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij de krachtens de wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 augustus 2007 te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel, in elk geval in het arrondissement 's-Hertogenbosch, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Beusingsedijk, heeft gehandeld als volgt:

verdachte heeft - rijdende over de Beusingsedijk - met een snelheid van tenminste tussen de 150 en 170 kilometer per uur, althans met een snelheid van ten minste 150 kilometer per uur, in elk geval met een aanmerkelijk hogere dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur en/of met een, gelet op de verkeerssituatie te hoge snelheid,

en/of gekomen ter hoogte van een verkeersbord J37 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens en/of gekomen nabij een oversteekplaats voor fietsers en bromfietsers,

geen, althans onvoldoende, vaart geminderd en/of niet, althans niet tijdig afgeremd en/of zijn voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht binnen een afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was,

en/of is (vervolgens) met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing gekomen met een - gezien zijn, verdachtes rijrichting - van rechts naar links overstekende bromfietser en/of (vervolgens) met een in de rechterberm staande boom,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 16 augustus 2007 te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Beusingsedijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos te handelen als volgt:

verdachte heeft - rijdende over de Beusingsedijk - met een snelheid tussen de 150 en 170 kilometer per uur en gekomen ter hoogte van een verkeersbord J37 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens en gekomen nabij een oversteekplaats voor fietsers en bromfietsers,

onvoldoende vaart geminderd en niet tijdig afgeremd en zijn voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht binnen een afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en is vervolgens met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing gekomen met een - gezien zijn, verdachtes rijrichting -van rechts naar links overstekende bromfietser, waardoor [Slachtoffer 1], zijnde de genoemde bromfietser, werd gedood,

en is vervolgens met een in de rechterberm staande boom, waardoor [Slachtoffer 3], zijnde inzittende in zijn, verdachtes, motorrijtuig, zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht,

terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij de krachtens de wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Met betrekking tot het bewezen verklaarde :

I Het ongeval en de slachtoffers:

[verbalisant 1] heeft – zakelijk weergegeven - het volgende bevonden :

Op 16 augustus 2007 kregen wij, verbalisant [verbalisant 1] en [verbalisant 2] het verzoek te gaan naar de Beusingsedijk te Den Dungen, gemeente Sint Michielsgestel. Aldaar zou een verkeersongeval hebben plaats gevonden tussen een bromfiets en een personenauto.

Aldaar aangekomen zag ik, verbalisant [verbalisant 1], een levenloos lichaam.

Hierop ben ik naar het ogenschijnlijk levenloze lichaam gelopen. Ik verbalisant [verbalisant 1] heb via de pols geen hartslag waargenomen. Deze persoon bleek te zijn: [slachtoffer].

Verderop zag ik een personenauto, merk BMW, type M6, met de voorzijde tegen de boom staan. Ik zag dat deze met de voorzijde tegen de boom was gebotst.

Bij de BMW zag ik drie personen in de berm zitten. Dit bleken te zijn:

- [verdachte] (hof: de verdachte);

- [Slachtoffer 2];

- [Slachtoffer 3].

Bovenstaande personen betreffen vader, [verdachte] en zijn twee zonen.

De lijkschouwer van de gemeente ’s-Hertogenbosch heeft het navolgende bevonden :

De ondergetekende, lijkschouwer van de gemeente ´s-Hertogenbosch verklaart het lijk van [Slachtoffer 1] persoonlijk te hebben geschouwd.

Bevindingen:

Niet-natuurlijk overlijden van [Slachtoffer 1] ten gevolge van hoog-energetisch ongeval; gecompliceerde schedelbasisfractuur met forse destructie hersenweefsel.

De verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben het volgende bevonden :

Op 17 augustus 2007 werd het stoffelijk overschot van het slachtoffer [Slachtoffer 1] in het mortuarium getoond aan [naam], de moeder van het slachtoffer.

Zij verklaarde als volgt:

“Het stoffelijk overschot wat u mij getoond heeft betreft mijn zoon [slachtoffer].”

Getuige [Slachtoffer 3] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard :

Ik heb een gebroken neus, arm, ribben en oogkas opgelopen bij het ongeval. Ik heb zes dagen in het ziekenhuis gelegen. Ik ben twee keer geopereerd aan mijn neus.

Verdachte heeft - zakelijk weergegeven – verklaard :

Door de botsing tegen de boom raakte mijn zoon [naam] (hof: [Slachtoffer 3]) gewond. Hij heeft in het ziekenhuis gelegen en is geopereerd aan zijn neus.

II. Toedracht ongeval en verkeerssituatie Beusingsedijk

Verbalisanten [Verbalisant 5] en [Verbalisant 6] hebben –zakelijk weergegeven- het volgende bevonden :

Het verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de T-aansluiting Beusingsedijk en de weg Beusing, gelegen buiten de bebouwde kom van Den Dungen, gemeente Sint Michielsgestel. De Beusingsedijk heeft zijn verloop van Den Dungen naar Berlicum en vice versa.

Het ongeval vond gezien de rijrichting van het voertuig, merk BMW, plaats op een recht weggedeelte van de Beusingsedijk ter hoogte van de T-aansluiting met de weg Beusing. Aan beide zijden van de rijbaan van de Beusingsedijk waren grasbermen gelegen waarin bomen waren geplaatst.

Gezien vanuit de rijrichting van de BMW was er naast de rechter grasberm een fietspad gelegen. Dit fietspad was bestemd voor verkeer in beide richtingen.

Ter hoogte van de T-aansluiting Beusingsedijk en de weg Beusing was er een doorsteek gelegen in de grasberm, bestemd om het verkeer rijdende op het fietspad de gelegenheid te geven om de Beusingsedijk over te steken en zijn weg te vervolgen via de weg Beusing. De rijbaan had een breedte van circa 6.0 meter en was door middel van een onderbroken witte streep verdeeld in twee rijstroken.

Verkeersmaatregelen ter plaatse:

- voor motorvoertuigen bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid 80 km/uur;

- in de rechterberm, gezien de rijrichting van de BMW, was bord J37 van het RVV geplaatst. Onder dit bord was een onderbord aangebracht met de tekst “pas op in/uitrit”;

- het fietspad waar over de bromfiets had gereden betrof een verplicht fietspad.

Weersgesteldheid: droog en helder.

Wegdek: droog.

In de rijrichting die de BMW vlak na het ongeval gehad moet hebben, trof ik op het wegdek een recent bandenspoor, namelijk een walk- c.q. remspoor aan, met een gemeten lengte van 80.1 meter. Tevens trof ik op de rijbaan, ter hoogte van de botsplaats, een tweetal veegsporen aan, welke kennelijk waren afgetekend door de banden van de bromfiets.

Wij zagen aan de voorzijde, het dak en de voorruit van de BMW recente schade. Tevens bleek dat de rechter voorvelg en de daaromheen gemonteerde luchtband beschadigd waren geraakt.

Gezien het feit dat de rechter voorvelg en de daaromheen gemonteerde luchtband van de BMW beschadigd waren geraakt, is het aannemelijk dat de rechter voorzijde van de BMW in botsing was gekomen met de bromfiets.

Wij zagen dat de BMW een antiblokkeringssysteem op de bedrijfsrem had.

Het voertuig was voorzien van dataopslag apparatuur. Deze dataopslag apparatuur dient tevens als storingsgeheugen.

De uitgelezen gegevens van het storingsgeheugen van de BMW en de aangetroffen sporen op de plaats van het ongeval, met de daarbij behorende afmetingen en maten, zijn overgedragen aan een medewerker van het NFI, die met de gegevens een snelheidsbepaling heeft gemaakt.

Gezien de aangetroffen sporen, ontstane schade en de eindposities van de voertuigen was het navolgende gebleken.

De bestuurder van de BMW (hof: verdachte) had gereden over de Beusingsedijk, komende vanuit de richting Den Dungen en rijdende in de richting Berlicum.

De bestuurder van de bromfiets (hof: [Slachtoffer 1]) had gereden over het fietspad, komende vanuit de richting Den Dungen en rijdende in de richting Berlicum.

Ter hoogte van de T-aansluiting van wegen Beusingsedijk/Beusing was de bestuurder met de bromfiets links afgedraaid en via een daar gelegen doorsteek in de berm, de hoofdrijbaan van de Beusingsedijk opgereden, kennelijk met de bedoeling om zijn weg te vervolgen via de weg Beusing.

Op het moment dat de bestuurder met zijn bromfiets de hoofdrijbaan opreed, naderde hem, gezien zijn rijrichting van links de BMW.

De bestuurder van de BMW heeft door naar links uit te wijken getracht een botsing met de, gezien zijn rijrichting, van rechts naar links overstekende bromfiets, te voorkomen. Echter de rechtervoorzijde van de BMW kwam in botsing met de linkerflank van de bromfiets.

Door de botsing met de bromfiets raakten het rechter voorwiel en de om het rechter voorwiel gemonteerde luchtband van de BMW beschadigd.

Ten tijde van de botsing met de bromfiets had het data opslagsysteem van de BMW een storing geconstateerd en deze opgeslagen in het storingsgeheugen.

Door het feit dat de voornoemde luchtband spanningsloos was geraakt ten tijde van de botsing met de bromfiets, tekende deze op het wegdek, deels door remmen, een spoor af.

Gezien het verloop van dit spoor reed de bestuurder met zijn BMW, kort voordat de botsing met de bromfiets plaatsvond, gedeeltelijk op de rijstrook bestemd voor het hem tegemoetkomend verkeer.

De BMW reed vervolgens in boogvorm over de rijbaan van de Beusingsedijk in de richting van de rechts naast de rijbaan gelegen berm. In de rechts naast de rijbaan gelegen berm kwam de voorzijde van de BMW in botsing met een in de berm staande boom.

Ten tijde van de botsing met de boom had het data opslagsysteem van de BMW een nieuwe storing geconstateerd en deze eveneens opgeslagen in het storingsgeheugen.

Metingen:

Afstand gelegen tussen botsplaats (hof: met de bromfiets) en inrijden rechter berm: 80.1 meter.

Afstand gelegen tussen botsplaats (hof: met de bromfiets) en botsing BMW tegen boom: 100.8 meter.

[verbalisant 2] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende bevonden :

Ik, verbalisant, reed over de Beusingsedijk richting Berlicum. Tot op de plaats van de aanrijding passeerde ik één keer het waarschuwingsbord J37. Dit bord stond in de berm aan de, voor mij, rechterzijde van de weg. Ik zag dat dit bord ongeveer 10 meter voor de plaats stond alwaar er een betegelde (brom)fiets oversteekplaats is aangelegd in de rechterberm. Deze oversteekplaats ligt precies tegenover een zijweg van de Beusingsedijk, Beusing genaamd.

III. Rijgedrag en rijsnelheid van verdachte:

De verdachte heeft – zakelijk weergegeven – verklaard :

Op 16 augustus 2007 reed ik in mijn personenauto van het merk BMW, type M6, van Den Bosch naar Berlicum. In mijn auto zaten mijn twee kinderen. [naam] (het hof begrijpt: [Slachtoffer 2]) zat achterin en [naam] (het hof begrijpt: [Slachtoffer 3]) zat voorin naast mij. Ik bestuurde de auto. Ter hoogte van de Dungense brug heb ik links voorgesorteerd en gewacht voor het rode verkeerslicht. Toen het verkeerslicht groen werd, accelereerde ik zo snel als ik kon. Ik nam als eerste de bocht naar links en reed de Beusingsedijk op. Vervolgens nam ik de bocht naar rechts. Ik nam beide bochten met zeer hoge snelheid. Ik liet het gas niet los en begon de tweede bocht in te rijden met een snelheid van ongeveer 145 km/u. In deze tweede bocht gaf ik nog gas bij.

Ik rijd heel vaak over de Beusingsedijk. Ik weet dat er op diverse plaatsen uitritten en zijwegen op die weg uitkomen en dat er naast de weg een fietspad is gelegen. Ik vind het een gevaarlijke weg.

Plots zag ik [naam] (hof: [Slachtoffer 1]) voor mijn auto. Ik heb direkt geremd. Ik stuurde de auto naar rechts waardoor ik in botsing kwam met een in de rechterberm staande boom.

Getuige [Getuige 1] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard :

Op 16 augustus 2007 reed ik in mijn auto vanuit de richting Den Bosch in de richting van de Dungensebrug.

Ik zag dat een BMW achter mij reed. Omdat ik verderop links wilde voorsorteren ben ik alvast links gaan rijden. Toen ik de voorsorteervakken naderde werd ik ineens rechts met geweld ingehaald door die BMW. Dit ging wel zo geweldig hard dat die BMW alles bij moest zetten om voor het verkeerslicht te kunnen stoppen. In eerste instantie reed ik voorop, later dus die BMW. Toen het rode verkeerslicht overging op groen zag ik dat die BMW-bestuurder vol gas gaf en er als een speer vandoor ging richting Berlicum.

Getuige [Getuige 2] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard :

Op 16 augustus 2007 stond ik als bestuurster van mijn personenauto te wachten voor de rode verkeerslichten bij de kruising Zuid-Willemsvaart-Beusingsedijk. Ik stond met de neus in de richting van Den Bosch. Ik zag dat tegenover mij een BMW, sportief model, ook voor het verkeerslicht stond te wachten. Deze kwam dus uit de richting van Den Bosch. Ik zag dat de BMW stond voorgesorteerd om linksaf te slaan, dit is de Beusingsedijk op. Ik zag dat toen de BMW begon te rijden, deze enorm snel snelheid maakte. Ik hoorde het gepiep van de banden op het moment dat de BMW in de bocht, op het kruisingsvlak, was.

Verbalisant [Verbalisant 5] heeft –zakelijk weergegeven- het navolgende bevonden :

Uit onderzoek bleek dat de BMW op het remsysteem was voorzien van een antiblokkeringssysteem (ABS).

Het (naar het hof begrijpt) storingsgeheugen van de BMW is uitgelezen. Uit de diagnose uitslag bleek dat er een storing in het ABS-systeem was gedetecteerd. Het bleek een storing te zijn van een ABS-sensor, welke gemonteerd was op het rechter-voorwiel. Voorts is een storing gedetecteerd in het airbagsysteem. Het inwerkingtreden van de airbags was kennelijk ontstaan op het moment dat de voorzijde van de BMW in botsing kwam met de boom.

De deskundige [Deskundige] heeft over de rijsnelheid van verdachte het navolgende gerapporteerd :

Uitlezing van het storingsgeheugen van de BMW resulteerde in de navolgende meldingen:

a) storing 5DA1 ‘Wielsensor: aannemelijkheid rechtsvoor’in regeleenheid ‘DSC Dynamische stabiliteitscontrole’.

b) storing 5DF4 ‘Accuspanning te laag; draadbreuk’ in regeleenheid ‘DSC Dynamische stabiliteitscontrole’.

De storingen zijn terug te voeren op het betreffende ongeval.

Storing 5DA1 wijst op een plotselinge (wezenlijke) afwijking van de (gemeten) draaisnelheid van het rechter voorwiel ten opzichte van de overige wielen. Het is zeer wel mogelijk dat dit wiel tijdens de botsing met de bromfiets sterk werd afgeremd door een tijdelijke deformatie van de wielkast en/of de aanwezigheid van delen van de bromfiets in de wielkast.

Het is aannemelijk dat storing 5DF4 samenhing met de botsing tegen de boom.

De deskundige [Deskundige] heeft voorts het volgende bericht :

Uit nader onderzoek is gebleken dat bij beide fouten (5DA1 en 5DF4) het remlicht brandde, druk in het remsysteem aanwezig was, de ABS-regeling actief was en er sprake was van daadwerkelijk ABS-ingrijpen.

Bij proeven werd waargenomen dat een kritieke fout tijdens een ABS-remming pas tot volledige afschakeling van het ABS leidt nadat de lopende ABS-remming is onderbroken. Een implicatie van deze vaststelling is, dat er tussen het achtereenvolgens optreden van de storingen 5DA1 en 5DF4 een ononderbroken ABS-remming moet hebben plaatsgevonden.

De deskundige [Deskundige] heeft over de rijsnelheid van verdachte voorts - zakelijk weergegeven - gerapporteerd :

Nu uit het onderzoek duidelijk is geworden dat de auto vanaf de botsing met de bromfiets tot aan de botsing met de boom continu was beremd, is een “conventionele” snelheidsberekening mogelijk. Uitgangspunten hierbij zijn de restsnelheid (bij de boom), de remafstand (tussen de eerste aanrijding en de boom) en de bij de remming optredende vertraging.

Snelheid bij de botsing met de boom.

Op grond van de bij fout 5DF4 geregistreerde snelheid zou de snelheid tenminste 62 km/u zijn geweest en is een snelheid van 77 km/u als maximum voorstelbaar.

Remvertraging.

Door de politie is op het wegdek ter plaatse bij een remproef een remvertraging van 9,4 m/s² gemeten. Denkbaar is dat door het blokkeren van het lekke rechter voorwiel de remvertraging van de BMW maximaal 2 m/s² afnam. Ik acht dus voor de beweging over het wegdek een remvertraging mogelijk tussen 7,4 m/s² en 9,4 m/s². Dit betrof een beweging over een afstand van circa 80 meter, totdat het rechter voorwiel in de grasberm terecht kwam.

Over de laatste 20 meter voor de botsing met de boom bewoog het (lekke) rechter voorwiel en later ook het rechter achterwiel door de grasberm. Op het eind zal ook het linker voorwiel over enkele meters door de grasberm hebben bewogen. Voor de beweging van die laatste 20 meter wordt daarom een lagere minimumwaarde voor de remvertraging aangenomen, te weten 6 m/s².

Resultaat van de snelheidsberekening.

Wordt uitgegaan van de bij de fout 5DF4 geregistreerde snelheid van 62 km/u dan resulteert dat in een minimale snelheid bij de eerste botsing van 149 km/u, waarbij het verschil met de bij fout 5DA1 uitgelezen snelheid van 133 km/u alleszins verklaarbaar is. Het verschil is verklaarbaar op grond van proefnemingen en een lage waarde voor de bij de ABS-remmingen optredende wielslip. Wordt de maximaal mogelijke snelheid berekend, uitgaande van de maximaal mogelijke restsnelheid en de maximaal mogelijke remvertragingswaarden, dan is het resultaat niet zonder meer te relateren aan de bij fout 5DA1 geregistreerde snelheid. Het verschil tussen de berekende snelheid en de geregistreerde snelheid van 133 km/u is dan groter dan op grond van de proeven of op grond van de bij een ABS-remming mogelijke wielslipwaarden verklaard kan worden. Als bovengrens voor de snelheid bij de botsing acht ik daarom de waarde van 166 km/u reëel.

Invloed van de botsing op de snelheid

Bij de eerste botsing (met de bromfietser) zou de auto enkele procenten van zijn snelheid kwijtraken. Het percentage ligt bij een botsing tussen een auto en een bromfiets met volledige stootkracht zeker boven 2%.Volledige stootoverdracht is aannemelijk. Daarmee komt de laagst mogelijke uitkomst op 151 km/u.

Conclusie:

Het geheel van de bij het ongeval ontstane sporen, digitaal en fysiek, acht ik slechts dan verklaarbaar, als de snelheid van de BMW, direct voorafgaande aan de botsing met de bromfiets, tussen 150 km/u en 170 km/u lag.

De getuige-deskundige [Deskundige] heeft verklaard dat de het percentage van 2% een volledige stootkracht tussen een auto en een bromfiets is gebaseerd op vergelijkbare botsingen tussen een auto en een bromfiets .

Overweging met betrekking tot de rijsnelheid van verdachte

Gehoord als getuige-deskundige ter terechtzitting in hoger beroep heeft [Deskundige] de conclusies en de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten en berekeningen gehandhaafd .

Voorts heeft hij verklaard dat bij de berekening is uitgegaan van veilige en telkens in het voordeel van verdachte genomen marges, welke zijn ontleend aan voor de onderhavige berekeningen en conclusies relevante onderzoeksgegevens.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij na de botsing met de bromfietser mogelijk zijn remdruk heeft verminderd. De getuige-deskundige [Deskundige] heeft hierover verklaard dat dit, gelet op de resultaten van het onderzoek, niet leidt tot een andere conclusie.

Het hof volgt de deskundige [Deskundige] is zijn hiervoor vermelde conclusies.

IV Vermijdbaarheid

Verbalisanten [Verbalisant 5] en [Verbalisant 6] hebben het volgende – zakelijk weergegeven - bevonden :

Ervan uitgaande dat de bestuurder van de bromfiets stilstond voordat hij besloot de Beusingsedijk over te steken, moet de tijdspanne tussen het moment dat de bromfietser vanuit stilstand wegaccelereert en het moment dat hij werd aangereden door de BMW hebben gelegen tussen 1,7 en 2,0 seconden. Deze waarden zijn gebleken uit rijproeven. Voorts is gebleken dat de bromfietser er tussen de 2,3 en 2,5 seconden over doet om de rijbaan geheel over te steken.

Uit de berekeningen volgt dat als de BMW zich had gehouden aan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 80 km/u, de BMW er langer over had gedaan voordat hij bij de plaats van de botsing was en de bestuurder van de bromfiets voldoende tijd had gehad om de Beusingsedijk over te steken.

Door de deskundige [Deskundige] is deze zogenaamde dynamische vermijdbaarheidsberekening correct bevonden.

Het hof overweegt dienaangaande dat, gelet op deze bevindingen alsmede gelet op de omstandigheid dat verdachte ter plaatse heeft gereden met een snelheid als bewezen verklaard, zulks terwijl de maximumsnelheid ter plaatse 80 km/u bedroeg, ook in het geval de bromfietser niet vanuit stilstand de weg is opgereden, de gevolgen aan de verdachte zijn toe te rekenen. Verkeersdeelnemers ter plaatse kunnen noch behoeven rekening te houden met een dergelijke excessieve overschrijding van de maximumsnelheid als ten aanzien van verdachte bewezen is verklaard.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is telkens voorzien bij artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 en strafbaar gesteld bij artikel 175, tweede lid en onder a respectievelijk artikel 175, tweede lid en onder b van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De eerste rechter heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat verdachte tot een minder zware straf veroordeeld dient te worden dan in eerste aanleg is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, met name gelet op de straffen die doorgaans in vergelijkbare gevallen worden opgelegd.

Het hof overweegt het volgende.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof zal komen tot een minder zware straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd en door de rechtbank is opgelegd.

In de onderhavige zaak heeft het openbaar ministerie er uitdrukkelijk voor gekozen aan verdachte geen doodslag maar overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, zijnde een culpoos delict ten laste te leggen.

Het hof komt tot een veroordeling terzake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de gedraging van verdachte als roekeloos rijgedrag wordt aangemerkt, hetgeen de zwaarste categorie schuld impliceert, en het een ongeval betreft waardoor een slachtoffer werd gedood en een ander zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Het hof zal voor de strafmaat in de eerste plaats aansluiting zoeken bij de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, waarin sprake is van roekeloos rijgedrag en waarbij een slachtoffer de dood heeft gevonden en een ander slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. Het hof overweegt dat dit uitgangspunt dient te zijn en dat er gelet op het bewezenverklaarde en het verhandelde ter zitting in hoger beroep geen aanleiding is om voor de zwaarte van de straf aansluiting te zoeken bij zaken waarin opzettelijke levensberoving aan de orde is geweest.

Volgens de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, zou in geval van roekeloos rijden met als gevolg de dood van een slachtoffer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren, als passend kunnen worden beschouwd. Volgens diezelfde oriëntatiepunten zou in geval van roekeloos rijden met als gevolg zwaar lichamelijk letsel bij een ander een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren, als passend kunnen worden beschouwd. Daarbij is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard in verhouding met andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum.

Het hof acht een aantal omstandigheden van belang die ertoe leiden dat niet kan worden volstaan met oplegging van een straf als geformuleerd in de hiervoor genoemde oriëntatiepunten, maar nopen tot oplegging van een gevangenisstraf van langere duur.

Vastgesteld is dat verdachte op het moment van het ongeval reed met een snelheid van tussen 150 en 170 km/u, terwijl ter plaatse een maximumsnelheid gold van 80 km/u. De Beusingsedijk is een door bomen geflankeerde weg met een naastgelegen fietspad, met zijwegen en in- en uitritten. Verdachte zelf heeft verklaard het een gevaarlijke weg te vinden. Deze wetenschap heeft verdachte er niet van weerhouden om met extreem hoge snelheid over de weg te rijden.

Mede gelet op de verklaringen van medeweggebruikers heeft verdachte er blijk van gegeven zich geen of nauwelijks rekenschap te hebben gegeven van de veiligheid van andere weggebruikers. Met zijn rijgedrag heeft verdachte de dood van [Slachtoffer 1] veroorzaakt en onbeschrijfbaar en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden. Verdachte heeft bovendien het leven van zijn twee zonen ernstig in gevaar gebracht.

Het hof rekent dit verdachte zwaar aan. Dergelijk roekeloos rijgedrag, zoals dit uit de bewijsmiddelen naar voren is gekomen, is naar het oordeel van het hof niet anders te kwalificeren dan als wegpiraterij.

Blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie is verdachte in het verleden eerder veroordeeld voor verkeersdelicten. In 2004 is aan verdachte, wegens rijden onder invloed van alcohol, een geldboete van 600 euro opgelegd, met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. In 2005 is aan verdachte, wegens een forse snelheidsoverschrijding, een geldboete van 1000 euro opgelegd, met een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Verdachte heeft het onderhavige feit enkele maanden na afloop van deze laatste proeftijd gepleegd. Blijkbaar heeft verdachte van deze eerdere veroordelingen niet geleerd en zijn de voorwaardelijke ontzeggingen niet afdoende gebleken.

Gezien het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij heeft het hof ook acht geslagen op het rapport dat de arts-gedragskundige [Deskundige 2] op 24 mei 2009 omtrent de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden heeft uitgebracht.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen. De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.

Het verweer dat de verdachte, kort gezegd, het rijbewijs niet kan missen wordt door het hof verworpen. Het belang van de bescherming van de verkeersveiligheid in de onderhavige zaak weegt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zwaarder dan het belang van verdachte bij behoud van het rijbewijs. Verder werd verdachte reeds eerder terzake verkeersdelicten veroordeeld en kreeg hij, zoals hiervoor overwogen (voorwaardelijke) ontzeggingen van de rijbevoegdheid opgelegd. Dit is ontoereikend gebleken. Ook is onvoldoende aannemelijk geworden dat verdachte voor het behoud van zijn bedrijf redelijkerwijs geen andere vervoersmogelijkheid ter beschikking staat.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij, de nabestaanden van [slachtoffer], heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 11.208,55 te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig de beslissing van de rechtbank, geheel moet worden toegewezen en aan verdachte een schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd. Verdachte dient - aldus de advocaat-generaal – te worden bevrijd van die vordering en voldoening van de schadevergoedingsmaatregel nu hij voormelde schadevergoeding (vermeerderd met wettelijke rente) aan de benadeelde partij heeft voldaan.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij door de betaling van het gehele bedrag door verdachte dient te worden afgewezen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De vordering van de benadeelde partij is in eerste aanleg geheel toegewezen waarbij tevens een schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd. Door de toewijzing liep de vordering van rechtswege door.

Bij antwoordformulier d.d. 12 oktober 2009 heeft de benadeelde partij te kennen gegeven de vordering in eerste aanleg volledig te handhaven.

Bij brief van 7 december 2009 heeft de benadeelde partij aan verdachte bericht dat het gevorderde bedrag van EUR 11.208,55 door verdachte is voldaan en dat hetgeen door verdachte aan hen teveel is betaald, is teruggestort op de rekening van verdachte

Het hof begrijpt laatstgenoemde brief aldus dat de benadeelde partij het bij wege van schadevergoeding gevorderde bedrag van verdachte heeft ontvangen en dat daarmee de verdachte is gekweten, ook wat betreft de wettelijke rente.

Gelet daarop heeft de benadeelde partij – naar het oordeel van het hof - geen belang meer bij een beslissing op haar vordering danwel oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Het hof beschouwt voormelde vordering van de benadeelde partij als ingetrokken op grond waarvan het hof daarop geen beslissing zal nemen en evenmin een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het primair bewezen verklaarde oplevert:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

en

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. A.R.O. Mooy en mr. J. Buhrs-Platschorre,

in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,

en op 20 januari 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.