Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL0533

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
20-001550-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2009:BI2089, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van: 1. Poging tot moord. 2. Zware mishandeling, gepleegd met voorbedachten rade. 3. en 6. telkens: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

4. Dwang. 5. Handelen in strijd met artikel 26 Wet wapens en munitie.

Verwerping verweren met betrekking tot ‘voorbedachte rade’, eendaadse samenloop en voortgezette handeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer : 20-001550-09

Uitspraak : 25 januari 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 april 2009 in de strafzaak met parketnummer 01-849749-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1971],

thans verblijvende in PI Midden Holland - HvB De Geniepoort te

Alphen aan den Rijn,

waarbij verdachte ter zake van het plegen van 1. poging tot moord, 2. zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, 3. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, 5. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, begaan met een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en 6. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 jaren, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank heeft verdachte in voormeld vonnis vrijgesproken van de hem onder 4 tenlastegelegde dwang.

Bij voormeld vonnis zijn voorts de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] en

[slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] gedeeltelijk toegewezen en is aan verdachte ter zake van het toegewezen deel van elk van deze vorderingen de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Ook heeft de eerste rechter een beslissing genomen over in beslaggenomen goederen.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bewezen zal verklaren het onder 1, 2 primair, 3, 4 subsidiair, 5 en 6 tenlastegelegde en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar.

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] gevorderd dat het hof die vordering zal toewijzen tot een bedrag van EUR 15.604,95 met wettelijke rente, met oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering.

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] gevorderd dat het hof die vordering zal toewijzen tot een bedrag van EUR 3.081,20 met wettelijke rente, met oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering.

Ten aanzien van de in beslaggenomen mobiele telefoons heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze worden teruggegeven aan de verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 oktober 2008 te [pleegplaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen op/in het hoofd en/of de hals en/of de nek en/of een hand, in ieder geval op/in het (boven)lichaam, van deze [familienaam slachtoffers 1 en 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 26 oktober 2008 te [pleegplaats 1] aan een persoon (te weten [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2]), opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel (een schietwond in het linker (boven)been), heeft toegebracht, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen op/in het linker (boven)been te schieten;

subsidiair:

hij op of omstreeks 26 oktober 2008 te [pleegplaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet deze [familienaam slachtoffers 1 en 2] met een vuurwapen op/in het linker been heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 26 oktober 2008 te [pleegplaats 1][slachtoffer 1][slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend een vuurwapen getoond en/of een vuurwapen op dan wel in de richting van het hoofd en/of het hart, althans het bovenlichaam, van deze [familienaam slachtoffers 1 en 2] gericht;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 26 oktober 2008 te [pleegplaats 1] en/of [pleegplaats 2] (gemeente [pleegplaats 3]) en/of [pleegplaats 4], althans in Nederland, [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen deze [familienaam slachtoffers 1 en 2] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, immers heeft verdachte deze [familienaam slachtoffers 1 en 2] direct dan wel indirect laten weten dat hij, verdachte, een of meer foto's en/of filmpjes publiekelijk zou gaan vertonen - foto('s) en/of filmpje(s) waarop te zien zou zijn dat zij, [familienaam slachtoffers 1 en 2], een of meer handelingen met een seksuele strekking verricht en/of ondergaat - indien [familienaam slachtoffers 1 en 2] hem, verdachte, zou verlaten en/of een (affectieve) relatie met hem, verdachte, niet zou voortzetten en/of niet (opnieuw) zou aanknopen en/of met hem, verdachte, geen contact zou opnemen en/of onderhouden;

subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 26 oktober 2008 te [pleegplaats 1] en/of [pleegplaats 2] (gemeente [pleegplaats 3]) en/of [pleegplaats 4], althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen deze [familienaam slachtoffers 1 en 2] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, immers heeft verdachte deze [familienaam slachtoffers 1 en 2] direct dan wel indirect laten weten dat hij, verdachte, een of meer foto's en/of filmpjes publiekelijk zou gaan vertonen - foto('s) en/of filmpje(s) waarop te zien zou zijn dat zij, [familienaam slachtoffers 1 en 2], een of meer handelingen met een seksuele strekking verricht en/of ondergaat - indien [familienaam slachtoffers 1 en 2] hem, verdachte, zou verlaten en/of een (affectieve) relatie met hem, verdachte, niet zou voortzetten en/of niet (opnieuw) zou aanknopen en/of met hem, verdachte, geen contact zou opnemen en/of onderhouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij in of omstreeks de periode van 26 oktober 2008 tot en met 3 november 2008 te [pleegplaats 1], althans in Nederland, een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (pistool, kaliber 7,65 mm), en/of munitie van categorie III, te weten elf, althans een of meer, kogelpatronen (merk Sellier & Bellot, kaliber 7,65 mm), voorhanden heeft gehad;

6.

hij op of omstreeks 29 februari 2008 te 's-Hertogenbosch [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik laat jou opruimen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmotivering

Met betrekking tot het onder 1, 2 primair, 3 en 5 bewezenverklaarde:

a. [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] heeft op 22 oktober 2008 bij de politie verklaard dat zij de relatie met [verdachte] ongeveer een maand geleden had beëindigd en dat [verdachte] dat niet goed vond. [slachtoffer 1] meldde dat [verdachte] haar toen heeft gechanteerd met naaktfoto’s van haar die hij in [pleegplaats 1] bekend zou gaan maken en dat hij heeft gezegd dat hij haar kapot zou schieten en haar zoontje ook als zij het uit zou maken. Verder verklaarde [slachtoffer 1] dat zij had gehoord, toen haar broer [broer slachtoffers 1 en 2] telefonisch in gesprek was met [verdachte], dat [verdachte] toen haar broers [broer slachtoffers 1 en 2] en [slachtoffer 2] met de dood heeft bedreigd en dat zij heeft gezien dat [verdachte] een klein zwart pistool heeft.

Deze verklaring heeft [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] afgelegd als getuige naar aanleiding van de hierna onder b genoemde aangifte.

b. Op diezelfde 22 oktober 2008 heeft de broer van [slachtoffer 1], [broer slachtoffers 1 en 2][slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2], bij de politie aangifte gedaan van bedreiging met de dood door [verdachte]. [broer slachtoffers 1 en 2] verklaarde dat [verdachte] tegen hem heeft gezegd dat hij hem kapot ging schieten, omdat hij [verdachte] heeft gezegd zijn zus met rust te laten.

c. Op 26 oktober 2008, omstreeks 13.51 uur, kregen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de melding dat er bij flat [naam flat] op [straat] te [pleegplaats 1] iemand neergeschoten was, waarna zij onmiddellijk ter plaatse gingen. Onderweg hoorden zij dat de dader was weggerend en dat het een jongen was met een grijze capuchon. Ter plaatse gekomen zag verbalisant [verbalisant 1] de hem ambtshalve bekende [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] voor de ingang van genoemde flat op de grond liggen. Haar broer [broer slachtoffers 1 en 2] en haar moeder stonden bij haar. Van omstanders hoorde verbalisant [verbalisant 1] dat er in de hal nog een slachtoffer lag. [verbalisant 2] is vervolgens naar de hal van de flat gelopen en zag daar net voorbij de ingang een manspersoon op de grond zitten die een wond aan zijn linkerbeen had. [verbalisant 1] hoorde van [broer slachtoffers 1 en 2][slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] dat die man diens broer [slachtoffer 2] was. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen op de rijbaan, ter hoogte van de ingang van de flat, vier hulzen liggen, vrij dicht bij elkaar. Onder een ambulance zagen zij een vijfde huls op de rijbaan liggen.

d. Op 26 oktober 2008, omstreeks 13.55 uur hoorden verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], een melding dat er een schietpartij was geweest op de [straat] te [pleegplaats 1] en dat de verdachte te voet was gevlucht. Verbalisanten hoorden dat de vermoedelijke verdachte van de schietpartij [verdachte] genaamd was. [verdachte] zou zich verplaatsen in een grijze Mercedes ML, kenteken [kenteken]. Hierop zijn de verbalisanten in de directe omgeving gaan uitkijken naar de verdachte en zijn voertuig. Op 26 oktober 2008 te 14.16 uur troffen de verbalisanten het voertuig van verdachte aan achter op een parkeerplaats van winkelcentrum [naam], gelegen aan de achterzijde van de [straat]. De verbalisanten hebben ervoor gezorgd dat het voertuig voor onderzoek werd overgebracht. Zij hebben het voertuig de gehele tijd bewaakt en het geen moment uit het oog verloren.

e. Maandag 27 oktober 2008 wordt de moeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2], [moeder slachtoffer 1 en 2][familienaam slachtoffers 1 en 2], door de politie gehoord. Zij verklaart dat verdachte een aantal maanden met [slachtoffer 1] bij haar in de flatwoning op [straat] heeft verbleven en dat zij op een gegeven moment [verdachte] de woning uit heeft gezet. Zij verklaart dat [verdachte] boos was en riep dat hij hen dood wilde maken. [verdachte] heeft sindsdien heel veel beneden bij de flatdeur aangebeld en dan riep dat hij [slachtoffer 1] en [zoon slachtoffer 1] (het hof begrijpt: de zoon van [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2]) dood ging maken.

f. Op 27 oktober 2008 wordt aangeefster [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] in het ziekenhuis gehoord. Zij verklaarde dat zij op 26 oktober 2008 met haar zoon [zoon slachtoffer 1] en haar broer [slachtoffer 2] met diens auto naar de flat aan het [straat] was gegaan. Bij de flat zijn ze uit de auto gestapt. Op het moment dat zij buiten bij de ingang van de flat waren, hoorde zij haar zoontje de naam [voornaam verdachte] noemen. Zij zag vervolgens [verdachte] aankomen. Hij had een capuchon op het hoofd. Zij zag dat [verdachte] een vuurwapen in zijn hand had. Zij droeg op dat moment een witte jas. Zij deed die open en zei tegen [verdachte]: “Wat, wat?” Meteen daarop hoorde en zag zij dat [verdachte] begon te schieten. Het waren minstens vijf schoten, aldus aangeefster. Zij wist dat [verdachte] in het bezit was van een klein damespistool.

g. [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] heeft verklaard dat hij op 26 oktober 2008 samen met zijn zus [slachtoffer 1] en haar kind naar de flat van zijn ouders op het [straat] was gegaan. Hij stond teksten te filmen die, blijkbaar door [verdachte], bij de flat op de muur waren geschreven. Hij hoorde een geluid achter zich. Hij hoorde het kind de naam [voornaam verdachte] noemen. [slachtoffer 2] zich omdraaide zag hij [verdachte] staan. [verdachte] kwam vanaf de openbare weg. Hij hoorde [verdachte] zeggen: “[slachtoffer 2] dit moet je niet doen, nu ben je de mijne”. [slachtoffer 2] zag dat [verdachte] een zwart pistool in zijn handen had, dat hij met beide handen voor zich op hem gericht hield. [slachtoffer 2] zag dat [verdachte] duidelijk met dat pistool op zijn hoofd richtte. [slachtoffer 2] schrok daar hevig van. Hij zei tegen [verdachte]: “Doe normaal [verdachte], doe weg dat wapen”. Daarop liet [verdachte] het wapen voor een gedeelte zakken. Hij stopte met de beweging naar beneden en richtte met het pistool op borsthoogte en daarna op de benen van [slachtoffer 2]. Op dat moment hoorde en zag [slachtoffer 2] dat er een schot viel. [verdachte] schoot in de richting van [slachtoffer 2], die een verdoofd gevoel in zijn been kreeg en op de grond viel. Op het moment dat [slachtoffer 2] op de grond lag bleef hij naar [verdachte] kijken en hij zag dat die zijn pistool nu richtte op zijn zus [slachtoffer 1]. Hij hoorde [verdachte] roepen: “Ik moet jou hebben, kutwijf, jij moet dood, jij moet dood.” [slachtoffer 2] hoorde daarna nog schoten. Hij zag dat [verdachte] een aantal malen gericht schoot op zijn zus c.q. in de richting van zijn zus. [slachtoffer 2] zag dat [slachtoffer 1] bij het eerste schot al in haar nek werd geraakt en op de grond viel. De schoten vielen in een vlot tempo achter elkaar.

h. Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij de dag van de schietpartij op 100 à 125 meter van de flat op de [straat] was toen hij een klap hoorde. Toen hij in de richting van de klap keek, zag hij op de stoep voor die flat een persoon staan met een witte jas aan. Hij zag ook een persoon op de rijbaan staan, die een arm voor zijn lichaam hield. Hij schat de afstand tussen deze twee personen op ongeveer 2 meter. Die persoon op de rijbaan had een zwarte jas aan en een grijze capuchon op zijn hoofd. De getuige hoorde vlak achter elkaar een aantal klappen. Tussen de eerste klap en de vier of meer volgende klappen zat een aantal seconden, hij dacht een seconde of 6. De klappen die hij daarna hoorde kwamen vrij snel achter elkaar. Hij zag dat de persoon die op de stoep stond op de grond viel en bleef liggen. Hajji zag dat de persoon op de rijbaan wegliep in de richting van [naam winkelcentrum].

i. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 26 oktober 2008 omstreeks 13.45 uur op de [straat] in [pleegplaats 1] was toen hij knallen hoorde. De knallen kwamen uit de richting van de flat [naam]. Toen [getuige 1] op het moment dat hij de knallen hoorde, keek, zag hij een vrouw voor die flat op de grond vallen. De vrouw was gekleed in een witte bontjas en spijkerbroek. Van de plaats waar zij was gevallen zag hij een man met een grijze capuchon over zijn hoofd wegrennen in de richting van [naam winkelcentrum]. De getuige zag dat de man een vuurwapen in zijn hand vast hield.

j. Op 26 oktober 2008 heeft getuige [getuige 3] verklaard dat hij die dag omstreeks 13.50 uur bij de flat [naam flat] te [pleegplaats 1] fietste. Bij de hoofdingang van die flat zag hij op ongeveer 15 meter bij hem vandaan een man staan die in zijn rechterhand een zwart pistool vasthield en dat met zijn linkerhand ondersteunde. De man droeg een grijs vest met capuchon. De capuchon droeg hij over zijn hoofd heen. Toen hij dichterbij kwam, zag de getuige dat de man het pistool richtte op een vrouw. Toen hij verder fietste, hoorde [getuige 3] dat de man iets riep op een agressieve toon. Plots hoorde en zag de getuige dat de man vijf keer op de vrouw schoot en dat de vrouw naar achteren viel. Hij zag dat de schutter hard wegrende in de richting van winkelcentrum [naam winkelcentrum] .

k. [getuige 4] heeft op 29 oktober 2008 tegenover de politie verklaard dat hij die 26e oktober 2008 aan het wachten was bij de flat [naam]. Hij zag dat zijn oom [slachtoffer 2] en zijn tante [slachtoffer 1] vanaf de auto van zijn oom naar de flat liepen. Zijn oom filmde de teksten die op de muur bij de ingang stonden. Toen zag hij een man met een grijze capuchon op zijn hoofd rennend de weg voor de flat oversteken richting zijn oom. Hij dacht dat het [verdachte] was, een vriend van zijn tante. De man zei: “Dat had je niet moeten doen.” Hij hoorde zijn oom zeggen: “Doe dat wapen weg”. Toen hoorde hij een schot. En hij zag dat zijn oom op de grond lag bij de ingang. Vervolgens zag hij dat de man met de capuchon op een afstand van ongeveer 2,5 meter voor zijn tante stond, die hij op haar rug zag. Toen herkende hij de man voor 100% als [verdachte]. Hij zag dat [verdachte] een niet zo groot zwart wapen in zijn hand had dat hij recht voor zich uit richtte op zijn tante. [getuige 4] hoorde [verdachte] zeggen: “En nu? En nu? Wat wil je nu doen?”[verdachte] schold haar ook uit voor hoer e.d. Hij zag [verdachte] de trekker overhalen en hij hoorde een knal. [getuige 4] is er toen meteen vandoor gegaan en hoorde toen nog meer schoten, heel vlak achter elkaar. Hij hoorde zijn tante heel erg gillen.

l. Getuige [voornaam getuige 8][getuige 8] heeft verklaard dat zij op 29 of 30 oktober 2008 door [verdachte] werd gebeld. Hij zei haar toen: “[voornaam getuige 8], ik ga pas zitten als dit goed is afgewerkt.” In de weken voor de schietpartij had [verdachte] vaker tegen [voornaam getuige 8][getuige 8] gezegd dat als het gedoe rondom zijn vriendin niet zou ophouden, hij zijn vriendin dood zou schieten. [naam] ([achternaam], hof) en zij hadden tegen verdachte gezegd dat hij op zoek moest naar een andere vriendin, net zoals destijds na [slachtoffer 3]. [verdachte] zei dat hij dat niet kon. Als hij een boze bui had dan zei hij dat hij zijn vriendin kapot zou schieten of af zou maken, aldus de getuige.

m. [verdachte] heeft verklaard dat hij de zondag dat “het allemaal gebeurd is”, is gaan rondrijden in [pleegplaats 1] en uiteindelijk bij het winkelcentrum [naam winkelcentrum] terecht is gekomen waar hij zijn auto, een Mercedes ML, heeft geparkeerd. Hij is uit de auto gestapt en is naar de flat waar [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2]) woonde, gelopen en had toen zijn vuurwapen bij zich. Via de intercom heeft hij met de moeder van [slachtoffer 1] gesproken, die hem zei dat [slachtoffer 1] weg was. Verdachte is naar de overkant van de weg gelopen en is daar gaan staan, recht tegenover de ingang van de flat. Hij heeft daar een minuut of 20-30 gestaan. Terwijl hij daar stond zag hij de auto van [slachtoffer 2] aan komen rijden en geparkeerd worden. Hij zag [slachtoffer 2] de weg oversteken in de richting van de flat en [slachtoffer 1] uit de auto stappen en in de richting van [slachtoffer 2] lopen. Verdachte is ook in de richting van de flat gelopen en zei tegen [slachtoffer 2] dat hij [slachtoffer 1] wilde spreken. Toen verdachte dat zei, stond hij stil op de rijbaan. Vanaf kort na het moment dat [slachtoffer 2] zich omdraaide, zegt verdachte niets meer te weten, behalve dat hij wakker werd in de struiken naast de apotheek bij [naam winkelcentrum] om ongeveer 20.00 uur. Hij had op dat moment zijn wapen nog bij zich. Toen hij daarna zijn pistool bekeek, zag hij dat er verschillende kogels misten uit het magazijn. Hij dacht dat hij vijf kogels miste.

n. Op 31 oktober 2008 hoorde verbalisant [verbalisant 5] de behandelend chirurg van [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2]. Deze arts, Dr. [naam chirurg], deelde verbalisant mede dat [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] op het moment dat zij op 26 oktober 2008 het ziekenhuis werd binnengebracht, levensgevaarlijk gewond was. Zij had vier schotwonden opgelopen: in de kin, in haar linkerhand, in haar nek en in de borst. Zij had een kleine wond aan de kin en aan de linkerhoek van haar kaak was de wond groter. Zij had een schotwond aan haar linkerhand wat een breuk veroorzaakte aan het derde middenhandsbeentje en een breuk aan het basiskootje van de derde vinger. Zij had een schotwond in de nek die zijdelings veroorzaakt was. Daarbij was een nekfractuur ontstaan tussen de vijfde en zesde nekwervel. Zij had een schotwond linksvoor onder de borst, daarbij is de borstholte geraakt en de linkerlong geperforeerd, daarna haar middenrif, maag voor- en achterzijde, milt en de kogel is uitgetreden aan de linkerachterzijde. Voornoemd letsel was levensbedreigend waardoor onmiddellijke operatie noodzakelijk was. Haar milt is verwijderd en de maag is gehecht..

o. [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] is op 3 november 2008 in het Carolus Ziekenhuis te ’s-Hertogenbosch door een arts onderzocht, die constateerde dat [slachtoffer 2] in zijn linkerbovenbeen een schotwond had, waardoor mogelijk gering zenuwletsel aan de linkervoet was ontstaan.

Op 25 september 2009 deelt [naam arts], anesthesioloog in het Jeroen Boschziekenhuis te ’s-Hertogenbosch, schriftelijk mede dat [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2], in verband met pijn in het linkerbeen als gevolg van zenuwbeschadiging na een schietincident bij hem onder behandeling is. Dergelijk zenuwletsel is volgens de arts een moeilijk te behandelen probleem, dat langere tijd in beslag kan nemen.

p. Op 3 november 2008 is de verdachte [verdachte] te Tilburg aangehouden. Bij verdachte werd een vuurwapen en een patroonhouder aangetroffen en inbeslaggenomen.

q. Op de plaats delict (op de rijbaan) te [pleegplaats 1] werden door de politie zes hulzen aangetroffen van het kaliber 7,65 millimeter. De hulzen werden afzonderlijk verpakt en voorzien van de spoor/sin nummers:

PD-01/AAAD4914NL, PD-02/AAAD4915NL, PD-03/AAAD4916NL,

PD-04/AAAD4917NL, PD-05/AAAD4918NL en PD-23/AAAD4929NL (p. 386 en 388). Daarnaast werden onder de overkapping van de ingang van de flat [straat] meerdere restanten van kogels en een volledige kogel aangetroffen en voorzien van de spoor/sinnummers: PD-14/AAAD4921NL; PD-15/AAAD4922NL; PD-16/AAAD4923NL; PD-17/AAAD4924NL; PD-18/AAAD4925NL; PD-19/AAAD4926NL en PD-20/AAAD4927NL (p. 387).

Uit het onderzoek naar het vuurwapen van verdachte – zoals het op 3 november 2008 onder de verdachte inbeslaggenomen is - is gebleken dat de veiligheidspal van het wapen niet op safe stond, waardoor het wapen direct kon worden gebruikt om een kogel af te vuren. Verbalisant [verbalisant 6] zag dat de houder was voorzien van acht scherpe patronen van het kaliber 7,65 millimeter. Nadat de verbalisant de slede van het wapen naar achteren had bewogen zag hij dat er een scherpe patroon uit de kamer werd geworpen. Het kaliber van de patroon was 7,65 millimeter. In de houder die los bij het wapen was aangeleverd, werden door verbalisant twee scherpe patronen van het kaliber 7,65 millimeter aangetroffen.

Het vuurwapen en de daarin aangetroffen houder en negen patronen werden voorzien van sin nummer AAAI3000NL. De losse houder met daarin de twee patronen werden verpakt en voorzien van sin nummer AAAI3001NL. Het wapen, de houders en de patronen werden door de verbalisant op 7 november 2008 overgedragen aan Blokland, materiedeskundige bij het Regionaal Bureau Wapens en Munitie van Regiopolitie Brabant-Noord.

Door het Nederlands Forensisch Instituut zijn het wapen, de munitie en de op de plaats delict aangetroffen hulzen en (restanten van) kogels onderzocht. Uit dat onderzoek is gebleken dat de hulzen met de nummers PD-01/AAAD4914NL, PD-02/AAAD4915NL, PD-03/AAAD4916NL, PD-04/AAAD4917NL, PD-05/AAAD4918NL en PD-23/AAAD4929NL, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verschoten zijn met het pistool met nummer AAAI3000NL en dat de twee kogels AAAD4921NL en -24NL en de drie kogels waartoe de drie kogelmanteldelen AAAD4922NL, -23NL en -27NL hebben behoord, eveneens met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uit de loop van dit pistool zijn afgevuurd.

r. Blijkens het proces-verbaal van een wapendeskundige van de politie is het op 3 november 2008 bij de verdachte inbeslaggenomen voorwerp een pistool van het merk CZ, type Zastava 70, kaliber 7.65 mm, bestemd en geschikt om projectielen door een loop te schieten. De werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Derhalve is dit pistool een vuurwapen van categorie III als bedoeld in de Wet wapens en munitie. De inbeslaggenomen elf kogelpatronen van het kaliber 7.65 mm en het merk Sellier & Bellot zijn geschikt om met het genoemde pistool verschoten te worden en zijn munitie van categorie III als bedoeld in de Wet wapens en munitie.

Met betrekking tot het onder 4 primair bewezenverklaarde:

Verdachte heeft verklaard dat hij een telefoon van het merk Nokia in gebruik heeft gehad met nummer 06-36341355, waarop seksfoto’s van hem en [slachtoffer 1] stonden, die gemaakt waren in de slaapkamer van verdachte en [slachtoffer 1] in de woning van de ouders van [slachtoffer 1]. In zijn auto had hij een GSM van het merk Samsung, waarop seksfilmjes stonden, die in de woning van verdachte in [pleegplaats 2] waren gemaakt.

Tijdens haar verhoor op 29 oktober 2008 verklaarde [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] dat [verdachte] haar chanteerde. Hij was in het bezit van foto’s en video’s van haar. Gedurende de laatste twee jaren van hun relatie had [verdachte] meerdere malen aangegeven dat hij die aan anderen zou laten zien. Dat had haar al die tijd ook weerhouden om tegen hem in te gaan. Zij wilde zeker niet dat anderen iets van die foto’s wisten. Zij schaamde zich nog heel erg dat die foto’s er waren.

Op 2 december 2008 heeft [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] verklaard dat [verdachte] meermalen seksfoto’s en seksfilmpjes met zijn oude Samsung van haar had gemaakt. Als zij hieraan niet zou meewerken, zou hij haar slaan. [verdachte] dreigde tussen augustus 2006 en augustus 2008 meermalen de foto’s op You Tube te zetten als zij hem zou verlaten. [slachtoffer 1] verklaarde verder dat zij op 30 september 2008 de relatie met [verdachte] had verbroken, nadat haar broer [broer slachtoffers 1 en 2] tegen haar had gezegd dat [verdachte] hem had verteld dat hij seksfoto’s van haar had gemaakt. Ze had zich sinds zij wist dat [verdachte] foto’s van haar op Youtube dreigde te zetten, altijd in zijn macht gevoeld. Ze was bang voor de schaamte en dat de familie-eer zou worden aangetast. [verdachte] dit aan [broer slachtoffers 1 en 2] had verteld had hij het dus toch bekend gemaakt en was het voor haar helemaal over met [verdachte].

[broer slachtoffers 1 en 2][slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] verklaarde op 26 oktober 2008 tegenover de politie dat hij ongeveer 5 weken eerder erachter was gekomen dat [verdachte] zijn zuster [slachtoffer 1] in zijn macht had omdat hij foto’s en video’s van [slachtoffer 1] had waarop hij haar aan het neuken was en zij hem moest pijpen. [verdachte] had [slachtoffer 1] gedreigd dat hij deze foto’s en video’s aan haar familie zou laten zien en in [pleegplaats 1] zou verspreiden. Onder meer vanwege het uitkomen dat [verdachte] zijn zus chanteerde met seksfoto’s en opnames, hebben zij [verdachte] 5 weken geleden het huis uit gezet.

Uit het vorenstaande volgt dat het primair tenlastegelegde (het voltooide delict) bewezen moet worden verklaard.

Wat betreft de plaats waar het delict is gepleegd, volgt uit de verklaring van [verdachte] van 4 november 2008 dat hij ongeveer drie jaar lang een relatie heeft gehad met [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2], dat hij moest kiezen tussen [slachtoffer 1] of – naar het hof begrijpt – vertrekken van het kamp te [pleegplaats 1], dat hij met [familienaam slachtoffers 1 en 2] gewoond heeft op een woonwagenkamp te [pleegplaats 4] en dat ze vandaar zijn verhuisd naar een woonwagenkamp in Limburg (blz. 312), te weten [pleegplaats 3] (blz. 313) en vervolgens verhuisd naar [pleegplaats 1] waar ze inwoonden bij de ouders van [slachtoffer 1] (blz. 313-314).

Met betrekking tot het onder 6 bewezenverklaarde:

[slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan van bedreiging door verdachte [verdachte]. Op 29 februari 2008 was aangeefster samen met haar zuster, in het gerechtsgebouw te ’s-Hertogenbosch. Zij zag haar zoon [zoon verdachte] op haar aflopen die haar meteen begon te slaan. Op dat moment kwam haar ex [verdachte] aangelopen die tegen haar begon te schelden. Zij hoorde dat hij riep: “Jij ben van mij ook nog niet af, ik laat jou opruimen”. Door deze woorden voelde aangeefster zich bedreigd.

[zus slachtoffer 3] was op 29 februari 2008 samen met haar zus [slachtoffer 3] in het gerechtsgebouw te ’s-Hertogenbosch. Zij zag plotseling [zoon verdachte] verschijnen. Uit haar ooghoek zag zij [verdachte], de ex van [slachtoffer 3] aan komen lopen. Zij zag dat [verdachte][slachtoffer 3] aankeek en zij hoorde hem zeggen: “Vuile kankerhoer, je bent nog niet van me af, ik laat je opruimen.”

De verdachte heeft verklaard dat hij op 29 februari 2008 in het gerechtsgebouw in

’s-Hertogenbosch was toen daar ook zijn ex aanwezig was en tegen haar heeft geroepen dat hij haar op zou ruimen en kapot zou maken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 26 oktober 2008 te [pleegplaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen in het hoofd en de nek en een hand van deze [familienaam slachtoffers 1 en 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 26 oktober 2008 te [pleegplaats 1] aan een persoon (te weten [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2]), opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel (een schietwond in het linker bovenbeen), heeft toegebracht, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen in het linker bovenbeen te schieten;

3.

hij op 26 oktober 2008 te [pleegplaats 1][slachtoffer 1][slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend een vuurwapen getoond en een vuurwapen in de richting van het hoofd en het bovenlichaam van deze [familienaam slachtoffers 1 en 2] gericht;

4.

hij in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 30 september 2008 te [pleegplaats 1] en/of [pleegplaats 2] (gemeente [pleegplaats 3]) en/of [pleegplaats 4], [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2], door bedreiging met enige feitelijkheid gericht tegen deze [familienaam slachtoffers 1 en 2], wederrechtelijk heeft gedwongen iets niet te doen , immers heeft verdachte deze [familienaam slachtoffers 1 en 2] laten weten dat hij, verdachte, een of meer foto's en/of filmpjes publiekelijk zou gaan vertonen - foto's en/of filmpjes waarop te zien zou zijn dat zij, [familienaam slachtoffers 1 en 2], een of meer handelingen met een seksuele strekking verricht en/of ondergaat - indien [familienaam slachtoffers 1 en 2] hem, verdachte, zou verlaten en/of een (affectieve) relatie met hem, verdachte, niet zou voortzetten;

5.

hij in de periode van 26 oktober 2008 tot en met 3 november 2008 in Nederland een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (pistool, merk CZ, kaliber 7,65 mm), en munitie van categorie III, te weten elf kogelpatronen (merk Sellier & Bellot, kaliber 7,65 mm), voorhanden heeft gehad;

6.

hij op 29 februari 2008 te 's-Hertogenbosch [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik laat jou opruimen".

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De verdediging heeft bestreden dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd met voorbedachte raad. Voorbedachte raad zou volgens de raadsvrouwe alleen kunnen worden afgeleid uit de verklaringen van [slachtoffer 2] zelf en diens neefje [getuige 4] die mogelijk door de familie [familienaam slachtoffers 1 en 2] is beïnvloed. De raadsvrouwe wijst in dit kader ook op het feit dat de verklaring van [getuige 4] over wat hij onmiddellijk na het incident heeft gedaan, afwijkt van hetgeen [getuige 6] en [getuige 7]i daarover verklaren. Volgens de raadsvrouwe kan niet worden uitgesloten dat [slachtoffer 2] door een rondvliegende kogel is geraakt.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent als volgt.

Dat verdachte [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] met voorbedachten rade van het leven heeft willen beroven en daarvóór [slachtoffer 2] met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen, volgt uit de bewijsmiddelen a, b, e, f, g, h, j, k, l en m in onderling verband. Zo heeft verdachte ongeveer 20 minuten met een geladen vuurwapen staan wachten en toen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] aan kwamen heeft hij, alvorens op hen te schieten, nog een kort gesprekje gevoerd met [slachtoffer 2]. [moeder slachtoffer 1 en 2][familienaam slachtoffers 1 en 2], de moeder van beide slachtoffers, heeft verklaard dat verdachte vaak gezegd had dat hij [slachtoffer 1] zou doodmaken. Ook [voornaam getuige 8][getuige 8] heeft verklaard dat verdachte in de weken voor de schietpartij al vaker had gezegd, dat als het gedoe rondom zijn vriendin niet zou ophouden, hij haar dood zou schieten.

[slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] heeft gehoord dat de verdachte haar en haar broer [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] met de dood bedreigde.

Uit de verklaringen van [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] en [getuige 5] - in onderling verband bezien - blijkt dat tussen het schieten op [slachtoffer 2] en op [slachtoffer 1] enkele seconden zaten.

Uit deze verklaringen is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Het hof is van oordeel dat de verklaring van [getuige 4] betrouwbaar is. Deze wordt niet alleen bevestigd door de verklaring van [slachtoffer 2], maar ook door Hajji die immers heeft verklaard dat eerst één schot valt en dan na een seconde of 6 een salvo van vier of meer schoten. Dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 3] alleen het schieten op de vrouw hebben waargenomen, is niet vreemd omdat [slachtoffer 2] daarvóór reeds op de grond was gevallen. Bovendien zien zij de man meteen wegrennen nadat hij de vrouw had beschoten en zij op de grond was gevallen. Dit alles impliceert dat [slachtoffer 2], van wie vaststaat dat hij toen eveneens is beschoten, eerder moet zijn geraakt. De enkele omstandigheid dat [getuige 4], anders dan [getuige 6] en [getuige 7], heeft verklaard dat hij direct na het incident niet de berging is ingelopen, doet aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring over het incident zelf niets af.

Voorts is door de raadsvrouwe betoogd dat het richten met een wapen op het hoofd/hart van [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] en vervolgens het schieten waarbij [slachtoffer 2] in zijn been werd geraakt, valt te rubriceren onder meer dan één delictsomschrijving, maar dat slechts één strafbepaling moet worden toegepast. De raadsvrouwe is van mening dat sprake is van eendaadse samenloop dan wel van een voortgezette handeling, aangezien het schieten rechtstreeks voortvloeide uit het richten op het lichaam.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het voorhanden zijnde bewijs is komen vast te staan dat verdachte eerst het vuurwapen op het hoofd van [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] heeft gericht, vervolgens dat wapen langzaam naar beneden heeft gebracht waarbij verdachte het wapen ter hoogte van de borst van [slachtoffer 2] heeft gericht en toen die [familienaam slachtoffers 1 en 2] in het been heeft geschoten. Er is derhalve sprake geweest van een zeker tijdsverloop tussen het dreigen met het wapen in de richting van het hoofd en de borststreek van het slachtoffer en het daadwerkelijk schieten in het been van het slachtoffer. Kennelijk heeft verdachte de afweging gemaakt om niet te schieten op hoofd of borststreek en vervolgens wel te schieten op het been. In dit verband acht het hof mede van belang dat de verdachte vervolgens bij het andere slachtoffer [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] wel op het hoofd heeft geschoten. Zowel in tijd als in intentie van de verdachte verschilt de eerste gedraging jegens [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] van de laatste gedraging tegen [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2]. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof in dit geval geen sprake van eendaadse samenloop.

Het hof is van oordeel dat evenmin sprake is van een voortgezette handeling. Voor de toepassing van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht moet sprake zijn van gelijksoortige handelingen die de uiting zijn van hetzelfde ongeoorloofde wilsbesluit.

Het hof is van oordeel dat het wilsbesluit van de verdachte om [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] te bedreigen zoals bewezen verklaard een ander is dan hem (met voorbedachte raad) zwaar te mishandelen door het schieten in zijn bovenbeen.

Het hof verwerpt ook dit verweer.

Met betrekking tot feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat geen sprake was van zwaar lichamelijk letsel.

Het hof is van oordeel dat wel gesproken kan en moet worden van zwaar lichamelijk letsel, in aanmerking genomen dat het slachtoffer met een vuurwapen in het been is geschoten, waardoor – volgens de onder o genoemde bewijsmiddelen – kennelijk zenuwletsel is ontstaan waarvoor het slachtoffer een jaar later nog steeds onder behandeling is en dat zich moeilijk laat behandelen.

In haar pleitnota heeft de raadsvrouwe gesteld dat verdachte voor de onder 3 ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] moet worden vrijgesproken, aangezien slechts het slachtoffer heeft verklaard te zijn bedreigd, hetgeen onvoldoende is voor een bewezenverklaring.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De bewezenverklaring van het onder 3 aan verdachte ten laste gelegde steunt niet enkel op de verklaring van het slachtoffer van dit feit, [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] maar tevens op de verklaring van verdachte zelf, onder meer inhoudende dat hij, verdachte, op 26 oktober 2008 in het bezit van een pistool naar [slachtoffer 2] is toegelopen en met hem heeft gesproken. Verder wordt de verklaring van [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] bevestigd door die van getuige [getuige 4] (bewijsmiddel k).

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289, juncto artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 2 primair bewezenverklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 303, eerste lid, juncto artikel 302, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 3 bewezenverklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel.285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 4 primair bewezenverklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 284, eerste lid, onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 5 bewezenverklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 26, eerste lid Wet wapens en munitie juncto artikel 55 lid 3 aanhef en onder a Wet wapens en munitie (wat betreft het voorhanden hebben van het vuurwapen) en bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie juncto artikel 55, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (wat betreft het voorhanden hebben van de munitie).

Het onder 6 bewezenverklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel.285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Sanctiemotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 14 jaar.

Het hof acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

- poging tot moord op zijn voormalige vriendin,

- zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade,

- een tweetal bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht,

- een ander door bedreiging met enige feitelijkheid wederrechtelijk dwingen iets niet te doen of te dulden,

- het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie, met welk wapen de verdachte enkele van de hierboven genoemde misdrijven heeft gepleegd.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Gelet op de ernst van het feit wordt voor moord door het hof in de regel niet minder dan 10 jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. In de onderhavige strafzaak is sprake van een poging die het voltooid delict dicht genaderd is, zoals is gebleken uit de levensgevaarlijke verwondingen die het slachtoffer heeft opgelopen. Daar komt bij, dat dit delict door verdachte op de openbare weg en op klaarlichte dag is gepleegd, in het bijzijn van het kind van het slachtoffer en andere omstanders.

De broer van dit slachtoffer is door verdachte met voorbedachten rade ernstig verwond. Het betreft ook hier een zeer ernstig strafbaar feit, hetgeen onder meer tot uitdrukking komt in de door de wetgever bepaalde maximale straf, te weten een gevangenisstraf van 12 jaar.

Gelet op het vorenstaande kan, naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof houdt bij de straftoemeting voorts rekening met:

- het ernstige leed dat aan de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] is aangedaan, te weten een ernstige aantasting van hun lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer;

- het zeer gewelddadige karakter van de door verdachte gepleegde strafbare feiten. Hij heeft zich om het lot van zijn ex-vriendin en haar broer in het geheel niet bekommerd;

- de omstandigheid dat de ex-vriendin van verdachte door het onder 1 bewezen verklaarde feit lichamelijk en geestelijk blijvend is getekend;

- de omstandigheid dat verdachte berekenend te werk is gegaan door eerst [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] uit te schakelen alvorens enkele malen gericht te schieten op [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2];

- de omstandigheid dat verdachte die [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] heeft gedwongen de relatie met hem niet te verbreken en dat hij na het door [slachtoffer 1] verbreken van de relatie [slachtoffer 1] en haar familie lange tijd heeft gedreigd met de bewezenverklaarde feiten onder 1, 2 primair en 3 en deze feiten uiteindelijk ook heeft gepleegd;

-.het feit dat verdachte is aangehouden in het bezit van een schietklaar vuurwapen;

- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder ter zake van geweldsdelicten en bedreigingen is veroordeeld (rechtbank Alkmaar 2 mei 2006; gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 juni 2004; politierechter ’s-Hertogenbosch 10 februari 2003; politierechter

’s-Hertogenbosch 30 oktober 1990) en ook eerder is veroordeeld ter zake van het voorhanden hebben van een vuurwapen (rechtbank ’s-Hertogenbosch 22 juni 1995).

Beslag

De na te melden in beslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het tenlastegelegde en bewezenverklaarde onder 4 primair is begaan, immers het zijn de mobiele telefoons waarop seksfoto’s en –films staan waarmee verdachte zijn vriendin chanteerde. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Van hetgeen verder in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Schadevergoeding

De benadeelde partij, [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2], heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 22.066,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 15.504,95.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij

[slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] als gevolg van verdachtes onder 1 en 4 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden

Het hof acht toewijsbaar als smartengeld een bedrag van EUR 15.000,00. Het meergevorderde smartengeld acht het hof niet eenvoudig te beoordelen, in zoverre moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

De gevorderde materiële schade is toewijsbaar, met uitzondering van de post huishoudelijke hulp (EUR 1836,00) die niet eenvoudig is te beoordelen en daarom niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

In totaal wordt toegewezen EUR 15.979,95.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend over EUR 15.480,00 (smartengeld en kledingschade) vanaf 26 oktober 2008, zijnde de datum waarop de schade is ontstaan, en over EUR 499,95 (ziekenhuisopname en astronautenvoedsel) berekend vanaf 26 januari 2009, zijnde de datum waarop het voegingsformulier is ingediend.

Het hof ziet tevens aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f van Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht.

Schadevergoeding

De benadeelde partij, [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2], heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 10.042,30. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 1.581,20.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] als gevolg van verdachtes onder 2 en 3 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden.

Het hof acht toewijsbaar als smartengeld EUR 4000,00. Het meergevorderde smartengeld acht het hof niet eenvoudig te beoordelen. In zoverre moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

De gevorderde materiële schade (posten 2-7 op het voegingsformulier) zijn toewijsbaar.

In totaal wordt toegewezen EUR 4.336,00

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 26 oktober 2008, de datum waarop de schade is ontstaan wat betreft smartengeld en kledingschade, en wat de overige schade betreft vanaf 31 maart 2009, zijnde de datum waarop het voegingsformulier is ingediend.

In eerste aanleg heeft de benadeelde partij aanspraak gemaakt op kosten voor rechtsbijstand. Het hof beschouwt dit in zijn geheel als (proces)kosten als bedoeld in art. 592a Sv, nu niet blijkt van buitengerechtelijke werkzaamheden die buiten de proceskosten om moeten worden vergoed. In totaal zal het hof toekennen een bedrag van EUR 576,00. (liquidatietarief rechtbank, 1 ½ punt, per punt EUR 384,00).

Het hof ziet tevens aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f van Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24, 24c, 33, 33a, 36f, 45, 57, 60a, 284, 285, 289, 302 en 303 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1. Poging tot moord.

2. Zware mishandeling, gepleegd met voorbedachte rade.

3. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

4. Een ander door bedreiging met enige feitelijkheid gericht tegen die ander wederrechtelijk dwingen iets niet te doen of te dulden.

5. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie,

begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

6. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

1 GSM Nokia 2008005646-25

1 GSM Samsung 2008005646-19.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

1 GSM Alcatel 2008005646-24

1 GSM Nokia 2008005646-18.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 15.979,95 (vijftienduizend negenhonderd negenenzeventig euro en vijfennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over EUR 15.480,00 vanaf 26 oktober 2008 en over EUR 499,95 vanaf 26 januari 2009.

Verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer 1][familienaam slachtoffers 1 en 2], wonende te [adres], [woonplaats][pleegplaats 1], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 15.979,95 (vijftienduizend negenhonderd negenenzeventig euro en vijfennegentig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 114 (honderd veertien) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente over EUR 15.480,00 vanaf 26 oktober 2008 en over EUR 499,95 vanaf 26 januari 2009.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 4.336,00 (vierduizend driehonderd zesendertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over EUR 4050,00 vanaf 26 oktober 2008 en over EUR 286,00 vanaf 31 maart 2009.

Verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op EUR 576,00.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer 2][familienaam slachtoffers 1 en 2], wonende te [woonplaats]. de [adres], [woonplaats][pleegplaats 1], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 4.336,00 (vierduizend driehonderd zesendertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 53 (drieënvijftig) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente over EUR 4050,-- vanaf 26 oktober 2008 en over EUR 286,00 vanaf 31 maart 2009.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. N.J.L.M. Tuijn, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. C.M. Hilverda,

in tegenwoordigheid van mw. H. van Zandbeek, griffier,

en op 25 januari 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.