Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BK9401

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
15-01-2010
Zaaknummer
HD 103.006.053
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Spoedeisend belang.

Verenigingsrecht

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2010, 266
JIN 2010/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. JB

zaaknr. HD 103.006.053

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

tweede kamer, van 5 januari 2010,

gewezen in de zaak van:

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid SCHUTTERIJ ST. ELIGIUS-JULIANA,

gevestigd te [vestigingsplaats]

verder afzonderlijk te noemen “de Schutterij”,

2. [A.],

wonende te [woonplaats],

verder afzonderlijk te noemen: “[A.]”;

3. [B.],

wonende te [woonplaats],

verder afzonderlijk te noemen: “[B.]”;

appellanten bij inleidende dagvaarding van 17 oktober 2007, hersteld bij exploot van 1 februari 2008, verder samen te noemen: “[A.] c.s.”

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[C.],

wonende te [woonplaats],

verder afzonderlijk te noemen: “[C.]”;

2. [D.],

wonende te [woonplaats],

verder afzonderlijk te noemen: “[D.]”;

geïntimeerden bij genoemd exploot,

en:

[E.],

wonende te [woonplaats],

verder afzonderlijk te noemen: “[E.]”;

[F.],

wonende te [woonplaats],

verder afzonderlijk te noemen: “[F.]”;

5. [G.],

wonende te [woonplaats],

verder afzonderlijk te noemen: “[G.]”;

6. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid SCHUTTERIJ ST. ELIGIUS-JULIANA,

gevestigd te [vestigingsplaats];

gevoegde partijen aan de zijde van geïntimeerden bij gemeld exploot, verder samen te noemen: “[C.] c.s.”,

advocaat: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

op het hoger beroep van het door de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Maastricht in kort geding gewezen vonnis van 24 september 2007 tussen appellanten – [A.] c.s. - als eisers en geïntimeerde – [C.] c.s. - als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr.117214/KG ZA 07-55)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven hebben [A.] c.s. zes grieven aangevoerd, producties overgelegd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot, kort gezegd, toewijzing alsnog van hun vordering in conventie om geïntimeerden te gebieden binnen 2 dagen na betekening van het arrest medewerking te verlenen aan de wijziging van de functionarisgegevens van de Schutterij bij de Kamer van Koophandel, in die zin dat de functies van [E.], [C.], [D.], [F.] en [G.] zullen worden beëindigd en dat als functionaris zullen worden ingeschreven [A.], [B.], [H.], [I.], [J.], [K.] en [L.], zulks op straffe van een dwangsom van € 500,= voor elke dag dat [C.] c.s. in gebreke blijven aan het in deze te wijzen arrest te voldoen. In reconventie vorderen [A.] c.s. alsnog afwijzing van de vorderingen van [C.] c.s.

2.2. Bij memorie van antwoord van 29 september 2009 hebben [C.] c.s. de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. In het dossier van [A.] c.s. ontbreken de brieven aan de voorzieningenrechter met bijlagen van 9 februari 2007 en van 5 maart 2007. Het hof heeft van deze stukken kennis genomen uit het dossier van [C.] c.s.

3. De gronden van het hoger beroep

Met de grieven is het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voorgelegd. Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. Hierna zal waar nodig op de afzonderlijke grieven worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. De Schutterij is een vereniging met als doel de bevordering van het schutterswezen en het behoud van de schuttershistorie. De Schutterij wordt bestuurd door [C.] als voorzitter sinds 1 april 2004, [D.] als secretaris sinds 1 april 2004, [E.] sinds 1 maart 1999 thans als tweede voorzitter, [F.] als penningmeester sinds 10 februari 2006 en [G.] als tweede secretaris sinds 20 februari 2006.

Art. 4 van de statuten van De Schutterij bepaalt dat zij geüniformeerde leden, buitengewone leden (niet geüniformeerd), junior leden, ereleden/leden van verdienste, en ten slotte begunstigers kent. Art. 5 bepaalt dat begunstigers als zodanig geen lid zijn van de vereniging en dat alleen leden stemrecht hebben. De juniorleden hebben een adviserende stem.

Art. 6 van de statuten bepaalt dat over de (voorlopige) toelating van leden het bestuur beslist en dat in de eerstvolgende ledenvergadering die beslissing dient te worden bevestigd, casu quo vernietigd.

b. Naar aanleiding van een bij de KvK gevolgde cursus, waaruit haar gebleken was dat bij veel verenigingen de wet, statuten en reglementen niet correct werden nageleefd, heeft voornoemd bestuur bezien hoe het met de naleving binnen De Schutterij stond. Tijdens de ledenvergadering van 5 februari 2006 heeft zij daarvan verslag gedaan en meegedeeld dat correcte naleving betekende dat begunstigers geen leden waren en niet (meer) mochten meestemmen, wat in het verleden wel had plaatsgevonden. Daarover is commotie ontstaan en een aantal aanwezigen heeft de vergadering verlaten. De overgebleven leden hebben afgesproken dat zo snel mogelijk zou worden onderzocht welke begunstigers buitengewoon lid zouden kunnen worden en hebben voorts gestemd over de voorgedragen (her)benoeming van bestuursleden, waaronder [E.] en [F.]. Partijen verschillen van mening over de vraag of voor laatstgenoemde benoemingen een voldoende quorum aanwezig was.

c. Nadien zijn er door [A.] c.s., die het niet eens zijn met deze verandering van het lange tijd in de praktijk gevoerde beleid, diverse vergaderingen bijeengeroepen en bezwaren geuit. Op initiatief van het bestuur en op verzoek van leden zijn bemiddelingspogingen ondernomen door o.a. notaris [M.] uit [vestigingsplaats] (de opsteller van de statuten) en de bondsvoorzitter, welke bemiddelingspogingen op niets zijn uitgelopen. In een door [A.] namens een groep ontevreden leden bijeen geroepen ledenvergadering is op 9 november, althans op 24 november 2006 gestemd over het wegsturen van het voltallige zittende bestuur en het benoemen van een interim bestuur. Partijen verschillen van mening over de vraag of er in deze vergadering rechtsgeldig besluiten zijn genomen. [C.] c.s. hebben geweigerd medewerking te verlenen aan de inschrijving van de bestuurswisseling in het Handelsregister KvK.

4.2. [A.] c.s. hebben bij inleidende dagvaarding van 1 februari 2007 in kort geding, kort gezegd, gevorderd [C.] en [D.] te gebieden om medewerking te verlenen aan de inschrijving van de door hen, [A.] c.s., voorgestane bestuurswisseling in het Handelsregister KvK. In een incident tot voeging hebben geïntimeerden [E.], [F.], [G.] en de Schutterij voeging gevraagd omdat de vorderingen van [A.] c.s. niet alleen [C.] en [D.], maar alle bestuursleden en de Schutterij (rechtsgeldig vertegenwoordigd door die bestuursleden) raakt. Tegen de vordering tot voeging is door [A.] c.s. geen verweer gevoerd.

4.3. [A.] c.s. hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat [C.] en [D.] onrechtmatig handelen jegens de Schutterij door in strijd met een op rechtmatige wijze tot stand gekomen besluit van de algemene ledenvergadering van de Schutterij, te weigeren hun medewerking te verlenen aan hun uitschrijving en de inschrijving van de nieuwe bestuursleden bij de KvK.

4.4. [C.] c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen de gevorderde voorlopige voorziening en in reconventie gevorderd, kort gezegd, om [A.] en [B.] hoofdelijk te veroordelen om te staken en gestaakt te houden het zowel jegens leden van de Schutterij als jegens derden de indruk te wekken dat zij de Schutterij rechtsgeldig vertegenwoordigen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

4.5. Tijdens een schorsing van de behandeling van het kort geding op 15 februari 2007 zijn partijen overeen gekomen een zogenaamde Commissie van Goede Diensten (hierna: de Commissie) in te stellen en het bestuur formeel aan te laten blijven voor de duur van de aanhouding van de zaak. De zaak is op verzoek van partijen voor twee maanden aangehouden.

4.6. De behandeling is op 5 april 2007 voortgezet. Na een schorsing zijn partijen opnieuw tot een deelregeling gekomen, te weten het aan de ledenvergadering voorleggen van twee voorstellen, kort gezegd, (1) het door de Commissie opstellen van een definitieve ledenlijst met inachtneming van ledenlijsten van 2002 en 2006 en tussentijdse verslagen van leden- vergaderingen en (2) het instellen van een geschillencommissie die (op verzoek van vijf gezamenlijke leden) geschillen zal behandelen en bindende beslissingen zal nemen. De zaak is op verzoek van partijen voor vijf maanden aangehouden.

4.7. De ledenvergadering heeft vervolgens op 22 april 2007 niet onverkort ingestemd met voornoemde voorstellen, maar een aangepast voorstel gedaan met daarbij het mandaat aan het bestuur om de samenstelling van de ledenlijst met de Commissie verder af te wikkelen. De Commissie echter nam het standpunt in dat er door de ledenvergadering niet kon worden afgeweken van de ter zitting van 5 april 2007 gemaakte afspraken. Bij brief van 30 augustus 2007 hebben [A.] c.s., onder overlegging van het eindverslag van de Commissie, vonnis gevraagd.

4.8. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter overwogen, kort weergegeven, dat niet is gebleken dat er ter vergaderingen van 9 november 2006 en 24 november 2006 rechtsgeldig is besloten tot het ontslag van de zittende bestuursleden en de benoeming van interim-bestuursleden en de vordering in conventie afgewezen. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de Schutterij daarom niet (rechtsgeldig vertegenwoordigd) als eiseres in het geding in conventie verschenen is. De vordering in reconventie heeft hij als niet weersproken toegewezen.

4.9. Met de grieven betogen [A.] c.s. dat de voorzieningenrechter ten onrechte als voorvraag heeft beoordeeld of er op 9 november 2006 en 24 november 2006 wel rechtsgeldige besluiten zijn genomen. De voorzieningenrechter had in zijn overwegingen moeten betrekken de kern van het probleem, te weten de gang van zaken op de vergadering van 5 februari 2006 als begin van een ernstig gebrek in de besluitvorming en de chronologie van de gebeurtenissen nadien. Daarnaast voeren [A.] c.s. feiten en omstandigheden aan op basis waarvan de voorzieningenrechter had moeten concluderen dat er wel is voldaan aan de vereisten om tot rechtsgeldige besluitvorming te komen op 9 en 24 november 2006.

4.10. Bij memorie van antwoord hebben [C.] c.s. gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep.

4.11. De door [A.] c.s. in conventie gevraagde voorlopige voorziening strekt ertoe om een in het najaar van 2006 door (in elk geval) een aantal leden genomen besluit tot bestuurswisseling van de Schutterij tot stand te brengen door inschrijving in het Handelsregister van de KvK. Met recht heeft de voorzieningenrechter in het kader van die gevorderde voorziening eerst onderzocht of (het aannemelijk is dat) er in november 2006 rechtsgeldige besluiten tot stand zijn gekomen. Immers, op grond van het bepaalde in de Handelsregisterwet en het Handelsregisterbesluit dienen in het Handelsregister ingeschreven te worden de bestuurders die bevoegd zijn de vereniging te vertegenwoordigen. Op grond van wet en statuten worden de bestuurders van De Schutterij door de ledenvergadering benoemd en ontslagen. Ook het hof zal daarom in het kader van het gevorderde eerst moeten onderzoeken of het voorshands aannemelijk kan worden geacht dat het zittende bestuur op rechtsgeldige wijze is ontslagen en of de ter inschrijving voorgedragen bestuursleden op rechtgeldige wijze zijn benoemd. Daarbij geldt dat de aard van het kort geding meebrengt dat voor een nader onderzoek naar de juistheid van de door partijen gestelde feiten, bijvoorbeeld door het horen van getuigen, als door [A.] c.s. voorgesteld onder grief V, geen plaats is.

4.12. Vooreerst dient het hof echter zonodig ambtshalve de vraag te beantwoorden of [A.] c.s. voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening hebben. Naar het oordeel van het hof valt niet in te zien welk (spoedeisend) belang [A.] c.s. thans nog hebben bij toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.

4.13. De dagvaarding in eerste aanleg is uitgebracht op 1 februari 2007. Als gevolg van diverse aanhoudingen gedurende de procedure in eerste aanleg, tijdens welke het door [C.] c.s. gevoerde bestuur werd gecontinueerd op grond van tussen partijen overeen gekomen deelregelingen, heeft de voorzieningenrechter uiteindelijk op 24 september 2007 vonnis gewezen. Tegen dat vonnis hebben [A.] c.s. bij dagvaarding van 17 oktober 2007 beroep aangetekend. Vervolgens hebben zij pas op 23 juni 2009 een memorie van grieven genomen. Inmiddels zijn sinds november 2006 drie jaren verstreken.

4.14. Gelet op de uitspraak in het kort geding in eerste aanleg, gaat het hof er vanuit dat de Schutterij in die tijd onder het bestuur van [C.] c.s. is blijven functioneren. Door [A.] c.s. is in de memorie van grieven niet gesteld dat dit niet het geval zou zijn geweest. Evenmin is door [A.] c.s. gesteld dat zij na de uitspraak in het kort geding in eerste aanleg nog enig hen op grond van de wet, statuten of reglementen ten dienste staand middel hebben aangewend om -voor zoveel nodig- de besluiten van 9 en 24 november 2006 opnieuw te nemen of te bekrachtigen om op die wijze tot een onmiskenbaar rechtsgeldige bestuurswissel te komen. Aldus hebben [A.] c.s. naar het oordeel van het hof onvoldoende gesteld dat en waarom zij thans nog enig spoedeisend belang zouden hebben bij de door hen begin 2007 gevraagde voorziening.

4.15. In verband met het belang dat [A.] c.s. bij het hoger beroep kunnen hebben uit het oogpunt van de proceskosten- veroordeling in eerste aanleg, overweegt het hof voorts dat het hof de beslissing in eerste aanleg ook overigens onder- schrijft. Daartoe overweegt het hof in het bijzonder dat een voorziening wordt gevraagd, met ingrijpende gevolgen voor de vertegenwoordiging van de Schutterij. Behoudens wellicht uitzonderlijke omstandigheden –waarvan in dit geval niet of onvoldoende is gebleken- leent zich naar het oordeel van het hof het karakter van een kort geding niet. Dit geldt temeer nu een besluit als waarvan in dit geval door [A.] c.s. de erkenning wordt gevraagd, te allen tijde kan worden bekrachtigd of opnieuw genomen.

4.16. Op grond van het voorgaande zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd. [A.] en [B.] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep,

veroordeelt [A.] en [B.] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [C.] c.s. tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 313,= aan verschotten en

€ 894,= aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schaik-Veltman, Fikkers en Van Craaikamp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 januari 2010.