Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BK9392

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
15-01-2010
Zaaknummer
HD 200.038.854
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing beslag op paarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. JB

zaaknr. HD 200.038.854

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 5 januari 2010,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 15 juli 2009,

advocaat: mr. R.M.C. Jansen (gedesisteerd),

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

advocaat: mr. P. Leemans,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda gewezen vonnis in kort geding van 18 juni 2009 tussen appellant - [X.] - als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en geïntimeerde - [Y.] - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer 204398/KG ZA 09-285)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [X.] is van dit vonnis tijdig in hoger beroep gekomen. Bij appeldagvaarding heeft [X.] zeven grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog afwijzing van de vorderingen van [Y.] in conventie.

2.2 Bij memorie van antwoord heeft [Y.] onder overlegging van vijf producties de grieven bestreden.

2.3 De advocaat van [X.] heeft gedesisteerd. Voor [X.] heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld.

2.4 [Y.] heeft daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de appeldagvaarding.

4. De beoordeling

4.1 De vaststelling van de feiten in het vonnis waarvan beroep onder 3.1 is niet bestreden zodat het hof hiervan ook in hoger beroep uitgaat.

4.2 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

Tussen partijen heeft gedurende ruim twee jaar een affectieve relatie bestaan die per 15 april 2009 is beëindigd. Zij hebben samengewoond zonder geregistreerd partnerschap of samenlevingscontract.

Op 26 mei 2009 heeft [X.] ten laste van [Y.] conservatoir beslag doen leggen op twee paarden en een paardentrailer van [Y.]. De paarden en de trailer zijn in gerechtelijke bewaring gegeven aan Stal [Z.] te [vestigingsplaats].

[X.] heeft bij inleidende dagvaarding van 9 juni 2009 een bodemprocedure tegen [Y.] aanhangig gemaakt, waarin hij onder meer vordert veroordeling van [Y.] tot betaling van een voorschot van

€ 19.163,54 op de grond dat hij een aanzienlijke geldvordering op [Y.] heeft vanwege door hem betaalde/voorgeschoten bedragen en door haar ten eigen behoeve van de gezamenlijke bankrekening opgenomen bedragen.

4.3 In dit kort geding vordert [Y.], kort samengevat, opheffing van het gelegde beslag, keuring van de paarden vóór afgifte, afgifte van paarden en trailer op verbeurte van een dwangsom en, voorwaardelijk, met bevoegdheid tot gijzeling van [X.] bij gebreke van afgifte en met veroordeling van [X.] in de proceskosten. In reconventie heeft [X.] enkele tegenvorderingen ingesteld.

4.4 Bij het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter het conservatoir beslag op beide paarden en de trailer opgeheven en [X.] veroordeeld tot afgifte ervan binnen 48 uur na betekening van het vonnis op verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag met een maximum van € 10.000,=. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten zijn gecompenseerd. Voor het overige zijn de vorderingen in conventie afgewezen. De vorderingen van [X.] in reconventie zijn geheel afgewezen.

4.5 Het hoger beroep van [X.] richt zich niet tegen de afwijzing van zijn reconventionele vorderingen, zodat deze verder niet aan de orde zijn. [Y.] heeft geen incidenteel appel ingesteld, zodat nu alleen de opheffing van het beslag op de paarden en de trailer en de veroordeling tot afgifte daarvan op verbeurte van een dwangsom aan de orde zijn.

4.6 De voorzieningenrechter heeft in het vonnis waarvan beroep geoordeeld dat het beslag als onnodig aangemerkt dient te worden omdat het niet in de lijn der verwachting ligt dat [Y.] de paarden en de trailer aan verhaal zal onttrekken. De voorzieningenrechter heeft hierbij in aanmerking genomen dat [X.] kennelijk in staat is geweest de paarden en de trailer te lokaliseren en dat [Y.] tegenover de gestelde vrees voor verduistering heeft gesteld dat de paarden alles voor haar betekenen en zij deze daarom nooit zou verkopen (r.o. 3.6).

4.7 Tegen dit oordeel richten zich de grieven 1 en 2 van [X.]. Volgens hem heeft hij de nodige moeite moeten doen om achter de verblijfplaats van de paarden en de trailer te komen. Verder wijst hij erop dat [Y.] in 2004 ook al eens een voor haar dierbaar paard heeft verkocht.

4.8 Deze grieven worden verworpen. Wat de eerdere verkoop van een paard betreft heeft [Y.] in haar memorie van antwoord aangegeven dat dit verband hield met haar verhuizing naar de Verenigde Staten. Het hof acht dit aannemelijk, gelet ook op de verwijzing van [X.] naar een verblijf in de Verenigde Staten van [Y.] in zijn persoonlijke beschrijving van de gang van zaken (e-mail van 9 juni 2009; prod. 9 eerste aanleg). In ieder geval kan uit de verkoop van een paard door [Y.] vijf jaar geleden niet worden afgeleid dat haar stellingen ten aanzien van haar betrokkenheid bij de twee paarden waar het nu om gaat ongeloofwaardig zouden zijn.

4.9 Het ligt voor de hand dat zaken als paarden en trailers betrekkelijk eenvoudig aan verhaal door een schuldeiser en aan diens zicht te onttrekken zijn. Dat is inherent aan de aard van het verhaalsobject en brengt op zichzelf genomen nog niet mee dat het daardoor reeds nodig en gerechtvaardigd is om het door beslag en gerechtelijke bewaring uit de macht van de eigenaar ervan te brengen. Door [X.] is in dit kort geding niet voldoende aannemelijk gemaakt dat het in dit geval anders ligt. Het hof is van oordeel dat [X.] vooralsnog zijn stelling in het beslagrekest dat [Y.] de paarden en trailer zal willen verduisteren, doorverkopen dan wel beschadigen tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door [Y.] onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd. Dát is waar het hier om gaat, niet de eventuele lastige (maar kennelijk niet onmogelijke) traceerbaarheid van het beoogde verhaalsobject.

4.10 De voorzieningenrechter heeft bij de afweging van de betrokken belangen in aanmerking genomen dat [X.] vele schuldeisers heeft, waaronder de gemeente [gemeentenaam] (r.o. 3.7). Volgens [X.] is deze stelling van [Y.] niet relevant en niet juist. Hierop zien zijn grieven 3 en 4.

4.11 Anders dan [X.] acht het hof de financiële positie van [X.] een relevante omstandigheid die bij de afweging van de betrokken belangen in aanmerking genomen dient te worden. Het ligt voor de hand dat het beslag met de gerechtelijke bewaring voor [Y.] schade meebrengt. Wanneer bij de beoordeling van de vordering van een beslaglegger komt vast te staan dat het beslag ten onrechte is gelegd zal de beslaglegger in het algemeen voor de daardoor ontstane schade dienen op te komen. Diens financiële positie komt niet alleen dan aan de orde, maar dient ook reeds in aanmerking genomen te worden bij de beantwoording van de vraag of het leggen van het beslag zelf gerechtvaardigd is. De financiële positie van [X.] is derhalve een relevante omstandigheid en hetgeen daarover door [Y.] naar voren is gebracht, is door [X.] zowel in eerste aanleg als nu in hoger beroep onvoldoende gemotiveerd betwist. Het dient er daarom voor gehouden te worden dat diens financiële positie te wensen overlaat, hetgeen een relevant argument tegen het beslag oplevert. De grieven 3 en 4 worden verworpen.

4.12 Met betrekking tot de financiële positie van [Y.] heeft [X.] gesteld dat de paarden en trailer haar enige vermogensbestanddelen zijn. De voorzieningenrechter heeft bij de belangenafweging (r.o. 3.7) deze stelling onvoldoende onderbouwd geacht. Volgens [X.] heeft de voorzieningenrechter hierbij ten onrechte gewicht toegekend aan de stelling van [Y.] dat zij zowel van de belastingdienst als van haar moeder een behoorlijk geldbedrag heeft ontvangen. [X.] betwist die stelling bij gebrek aan wetenschap in zijn toelichting op grief 5.

4.13 Het hof overweegt hierover het volgende. Door [X.] is tegenover de gemotiveerde betwisting van zijn stellingen door [Y.] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de paarden en de trailer de enige vermogensbestanddelen zijn van [Y.]. Een dergelijke stelling is op zich zelf genomen weinig aannemelijk, zodat een nadere onderbouwing door degene die de stelling poneert geboden is. Die nadere onderbouwing is evenwel uitgebleven, zodat grief 5 wordt verworpen.

4.14 Met grief 6 betoogt [X.] dat het hem feitelijk onmogelijk is aan het beroepen vonnis te voldoen omdat de bewaarder weigert tot afgifte over te gaan in verband met een opeisbare vordering op [Y.]. Om deze reden dient volgens [X.] geen dwangsom opgelegd te worden.

4.15 Deze grief wordt verworpen, aangezien niet gezegd kan worden dat [X.] in de onmogelijkheid verkeert om aan de veroordeling tot afgifte te voldoen. [X.] heeft het beslag doen leggen en daarbij verzocht Paardensportcentrum [Z.] als bewaarder te benoemen. Van hem mag redelijkerwijs worden verwacht dat hij maatregelen neemt om de afgifte door de bewaarder te bewerkstelligen (bijvoorbeeld door diens vordering op [Y.] te voldoen). Grond voor afwijzing van de vorderingen van [Y.] en met name de gevraagde dwangsom is hierin niet gelegen.

4.16 Met grief 7 komt [X.] op tegen de hoogte van de dwangsom. Het hof ziet geen grond voor een lagere dwangsom. Argumenten daarvoor zijn door [X.] overigens ook niet aangedragen. De grief faalt.

4.17 Alle grieven zijn verworpen, zodat het vonnis waarvan beroep bekrachtigd zal worden. [X.] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [X.] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [Y.] begroot op € 313,= aan verschotten en op € 894,= aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Meulenbroek en Den Hartog Jager en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 januari 2010.