Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BQ6600

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
31-05-2011
Zaaknummer
HD 200.041.430
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BP9995, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BP9995
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Huurzaak.

Executiegeschil.

In kort geding gevraagd verbod tegen een gemeente om ontruimingsvonnis ten uitvoer te leggen.

Toetsing van het gevorderde executieverbod aan de hand van voor misbruik van executiebevoegdheid geldende criteria.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknr. HD 200.041.430

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 22 december 2009,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 17 augustus 2009,

hierna te noemen: [X.],

advocaat: mr. G.A.P. Avontuur,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE DRIMMELEN, alsmede het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DRIMMELEN,

zetelend te Made, gemeente Drimmelen,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

hierna (gezamenlijk) te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. D.H.J. Kochx,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda gewezen vonnis in kort geding van 11 augustus 2009 tussen [X.] als eiseres en de gemeente als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 206282/KG ZA 09-390)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij voormelde appeldagvaarding, met producties, heeft [X.] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, kort gezegd de gemeente zal verbieden het door de kantonrechter te Breda tussen de gemeente en [Y.] gewezen vonnis van 24 juni 2009 (hierna: het ontruimingsvonnis) te executeren, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft de gemeente de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van [X.] in de proceskosten van het hoger beroep.

2.3. Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd. Uitsluitend de gemeente heeft daartoe de gedingstukken overgelegd. In dit procesdossier ontbreekt de memorie van antwoord. Het hof heeft hiervan kennis genomen uit het griffiedossier.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de appeldagvaarding.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. De gemeente heeft bij huurovereenkomst d.d. 5 april 2007 aan de schoonvader van [X.], [Y.] (hierna: [Y.]), verhuurd een woonwagenstandplaats gelegen aan de [woonwagenstandplaatsadres] te [standplaats] (hierna: de standplaats).

4.1.2. Aanvankelijk huurde [X.] deze standplaats die zij begin 2007 heeft verlaten. Zij heeft zich toen bij de gemeente opnieuw laten inschrijven als gegadigde voor een standplaats en zij is op de wachtlijst geplaatst.

In de zomer van 2008 is [X.] teruggekeerd naar de [woonwagenstandplaatsadres] en met haar dochtertje gaan wonen in de woonwagen van [Y.].

4.1.3. Bij voormeld ontruimingsvonnis d.d. 24 juni 2009 heeft de kantonrechter te Breda de tussen de gemeente en [Y.] gesloten huurovereenkomst ontbonden en [Y.] veroordeeld de standplaats te ontruimen en te verlaten met al de zijnen en al het zijne. Het ontruimingsvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.1.4. [X.] heeft vervolgens in kort geding gevorderd dat het de gemeente wordt verboden de standplaats te ontruimen. Bij vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter deze vordering afgewezen.

4.1.5. [X.] kan zich met deze uitspraak niet verenigen en is tijdig daarvan in hoger beroep gekomen.

4.2. Het hof overweegt als volgt.

4.3. Het hof stelt allereerst vast dat blijkens het ontruimingsvonnis de ontruimingstitel mede is verkregen jegens “de zijnen” van [Y.], tegen wie deze executoriale titel mede kan worden ten uitvoer gelegd. [X.] behoort tot deze kring van personen; zij verblijft immers vanwege huurder [Y.] –en met zijn instemming- in de op de standplaats aanwezige woonwagen. Voorts erkent [X.] dat zij en de gemeente niet in een contractuele relatie staan.

4.3.1. Voorts zij voorop gesteld dat deze zaak een geschil betreft omtrent de tenuitvoerlegging (ontruimingsexecutie) van het ontruimingsvonnis. In een dergelijk executiegeschil heeft de rechter niet tot taak de door de kantonrechter berechte kwestie (de vordering tot ontbinding en ontruiming) te herbeoordelen. Slechts de (toelaatbaarheid van de) executie zelf staat ter beoordeling, zulks aan de hand van de voor misbruik van executiebevoegdheid geldende criteria (vgl. HR 22 april 1983, NJ 1984, 145). Hiervan kan sprake zijn indien het ontruimingsvonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien de ontruiming op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde (in casu [X.]) een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.4. Toetsend binnen dit beperkte toetsingskader is het hof, met de voorzieningenrechter, van oordeel dat aan de gemeente de bevoegdheid toekomt het ontruimingsvonnis te executeren, ook ten laste van [X.]. [X.] heeft niet (voldoende) gesteld en onderbouwd dat het ontruimingsvonnis klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijk misslag, dat wil zeggen: een evidente vergissing in het recht of de feiten. Evenmin heeft [X.] ná het ontruimingsvonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten aangevoerd die een onaanvaardbare noodtoestand zullen doen ontstaan bij onmiddellijke uitvoering van de ontruiming. De stelling van [X.] (grief 3) dat zij epileptische aanvallen heeft in verband met de dreigende ontruiming alsmede dat zij en haar dochtertje daardoor dakloos dreigen te worden, wordt naar het oordeel van het hof niet althans onvoldoende onderbouwd, en dwingt op zichzelf nog niet tot de conclusie dat een noodtoestand zal ontstaan die de ontruiming onaanvaardbaar maakt.

4.4.1. Het betoog van [X.] (grieven 1 en 2) komt erop neer dat zij eigenlijk in aanmerking komt voor toewijzing van een (of deze) vrijkomende standplaats op het centrum aan de [straat], in plaats van daarvan verwijderd te worden. Zij redeneert dat zij gelet op haar (hoge) plaatsing op de wachtlijst al in aanmerking zou zijn gekomen voor een standplaats, indien de gemeente een aantal normovertredende woonwagenbewoners ter plekke zou hebben aangepakt en daardoor een aantal standplaatsen voor verdeling en voor toewijzing aan [X.] beschikbaar zouden zijn gekomen. Door jegens [Y.] en [X.] wél maar tegenover die andere woonwagenbewoners niet aan te dringen op (ontbinding en) ontruiming, handelt de gemeente in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, aldus [X.], en schendt de gemeente het (precontractuele) recht dat [X.] inmiddels had moeten hebben op toewijzing van een standplaats.

4.4.2. Naar het oordeel van het hof heeft [X.] de beweerde schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet alleen onvoldoende onderbouwd, maar bovendien leiden haar stellingen, indien al juist, niet tot de conclusie dat de gemeente zich bij uitvoering van de ontruiming schuldig maakt aan misbruik van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het tegen [Y.] en de zijnen gewezen ontruimingsvonnis. Bij de toetsing of ontruimingsexecutie ontoelaatbaar is, geldt immers voormeld misbruikcriterium, onverschillig of –zoals hier- de executant een overheidslichaam is. De tenuitvoerlegging van de ontruimingsverplichting kan niet worden belemmerd met onderhavig beroep op schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bovendien miskent [X.] met haar betoog dat de door de kantonrechter uitgesproken (ontbinding en) veroordeling tot ontruiming in dit executiegeschil een gegeven is dat niet opnieuw ter discussie en beoordeling staat.

4.4.3. Andere feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat er sprake is van misbruik van (executie)bevoegdheid aan de zijde van de gemeente, zijn verder gesteld noch gebleken.

4.5. De slotsom is dat de grieven van [X.] falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [X.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [X.] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de gemeente tot heden begroot op € 313,-- aan verschotten en € 894,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Meulenbroek en Kleijngeld en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 december 2009.