Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BQ3093

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2009
Datum publicatie
29-04-2011
Zaaknummer
HV 200.009.243
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boedelverdeling.

Veroordeling tot medewerking aan de verkoop van de voormalige echtelijke woning.

Verdeling van de lasten.

Cassatieberoep verworpen, HR LJN BM6080

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

dHJ

16 juni 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer:HV 200.009.243

Zaaknummer eerste aanleg: 166603 FA RK 06-4726

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. I.M. van den Heuvel,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Cortet.

1. Het verloop van de procedure

1.1. De rechtbank Breda heeft - nadat bij beschikking van 3 juli 2007 de echtscheiding was uitgesproken van het op 25 juni 2004 tussen partijen gesloten huwelijk, welke beschikking is ingeschreven op 17 december 2007 - op 18 maart 2008 tussen partijen een beschikking gegeven met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

1.2. Tegen deze verdeling heeft de vrouw hoger beroep ingesteld, bij beroepschrift met bijlagen dat ter griffie van het gerechtshof is binnengekomen op 17 juni 2008, en daartoe 7 onderwerpen (grieven) aan de orde gesteld.

1.3. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie van het hof op 18 augustus 2008, heeft de man in principaal appel verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing. De man heeft tevens incidenteel appel ingesteld en zijn (tegen)verzoek aangepast en vermeerderd, waartoe hij twee grieven heeft voorgesteld (de tweede grief bestaat uit drie subonderdelen).

1.4. De vrouw heeft door haar advocaat een verweerschrift in incidenteel appel doen nemen. Dit stuk is bij het hof binnengekomen op 29 september 2008. De vrouw heeft voorts een eigenhandig door haar opgesteld stuk met bijlagen door de behandelend advocaat doen overleggen, dat bij het hof is binnengekomen op 3 april 2009 ten titel van ‘Reactie op verweerschrift principaal appel tevens beroepschrift in incidenteel appel’.

1.5. Bij het hof zijn voorts nog binnengekomen de brieven met bijlagen van mr. Cortet van 3, 7 en 8 april 2009.

1.6. De mondelinge behandeling vond plaats op 17 april 2009. Daarbij waren aanwezig de vrouw vergezeld van haar advocaat mr. I.M. van den Heuvel, alsmede de man vergezeld van mr. Cortet. Uitspraak is bepaald op heden.

2. De gronden van het verzoek

Voor de inhoud van de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar de genoemde gedingstukken.

3. De beoordeling

3.1. De volgende onderwerpen zijn in hoger beroep aan de orde gesteld (nummering van de grieven door het hof):

? de woning (grief 1 in principaal en grief 1 in incidenteel appel)

? belastingen (grief 2 in principaal en grief 2A in incidenteel appel)

? schuld aan de ouders van de man (grief 3 in principaal appel)

? schuld aan de zus van de man (grief 4 in principaal appel)

? kosten vreemdgaan (grief 5 in principaal en grief 2B in incidenteel appel)

? verkeersboetes (grief 6 in principaal appel)

? verlies no-claimkorting (grief 7 in principaal appel)

? nota ANWB pakketverzekering (grief 2C in incidenteel appel)

3.2. De grieven 1 in principaal appel en 1 in incidenteel appel (de woning)

3.2.1. In principaal appel keert de vrouw zich eerst tegen de beslissing van de rechtbank in rov. 2.3 van de beschikking waarvan beroep dat partijen het er over eens zijn dat ieder van hen voor de helft zal dragen in een negatief ofwel in een positief opbrengstsaldo van de woning. De vrouw betoogt dat de opbrengst in samenhang met de overige baten en schulden van de verdeling op de balans van de totaalverdeling moet worden gebracht.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank juist geoordeeld dat de opbrengst van de woning, na aftrek van de kosten gemaakt voor de verkoop en afwikkeling van de in die rechtsoverweging genoemde onderwerpen, bij helfte moet worden verdeeld. Bij de afwikkeling van het transport van de woning is geen plaats voor het opmaken van een eindsaldo zoals door de vrouw verlangd. Welk bedrag de notaris te zijner tijd aan de man respectievelijk de vrouw zal uitkeren, dan wel welk bedrag partijen nog zullen moeten bijstorten, zal alsdan moeten bezien. Daarbij gaat het om voor de man en de vrouw gelijke bedragen. De vrouw kan in het kader van het transport van de woning de afwikkeling van de overige onderwerpen van de verdeling niet betrekken.

Daarbij komt dat de afwikkeling van de verdeling resulteert in een door de vrouw aan de man te betalen bedrag. Bij het door haar verlangde eindsaldo heeft zij geen belang.

3.2.2. In principaal appel verzoekt de vrouw voorts te bepalen dat de man gehouden is voor de helft in de lasten van de woning bij te dragen.

Het hof heeft in dit verband kennis genomen van de beschikking van dit hof van 10 april 2008, gegeven in het kader van andere nevenvoorzieningen en deze met partijen besproken ter zitting. In die beschikking is bepaald dat de vrouw het gebruik van de woning mag voortzetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 17 december 2007, derhalve tot 17 juni 2008. Aan deze beslissing ligt mede ten grondslag dat de vrouw de lasten verbonden aan de woning voor haar rekening neemt. Dit uitgangspunt ligt ook ten grondslag aan de alimentatiebeslissingen. Naar het oordeel van het hof zouden de alimentatiebeslissingen anders zijn uitgevallen indien ervan moest worden uitgegaan dat de man de vaste lasten van de woning zou hebben te dragen. Het hof acht de vrouw dan ook gebonden aan de uitgangspunten bij de alimentatiebeslissing. De door de vrouw in het beroepschrift gespecificeerde vorderingen op de man tot verrekening van lasten hebben betrekking op de periode tot en met mei 2008, dus over een periode vallende binnen de genoemde zesmaandentermijn. De vordering wordt afgewezen.

Voor wat betreft de periode na 17 juni 2008 is het hof van oordeel dat de vrouw, nu zij - overeenkomstig haar verlangen en in weerwil van wat de man voor ogen stond - het genot van de woning heeft, zij ook de lasten zal hebben te dragen. De enkele omstandigheid dat de man mede-eigenaar is acht het hof ontoereikend om van dit uitgangspunt af te wijken. Dit geldt temeer nu partijen al sinds medio 2006 uit elkaar zijn en de vrouw ervan op de hoogte was dat zij, gelet op haar inkomen en de stand van haar vermogen, de woning niet in eigendom kon verwerven. Desondanks, en ondanks het aandringen van de man op snelle verkoop (dan wel overdracht aan hem), is de verkoop na bijna drie jaar nog niet gerealiseerd, hoewel dat, gelet op de woningmarkt tot voor kort, zeer wel tot de mogelijkheden had behoord. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw zich onvoldoende ingespannen en meegewerkt om tot verkoop te geraken. In het bijzonder valt de vrouw te verwijten dat zij kennelijk een te hoge opbrengst voor de woning wenst te bewerkstelligen. Ook tegen deze achtergrond kan de vrouw niet van de man verlangen dat hij bijdraagt in de vaste lasten.

Het hof merkt op dat de man uiteraard niet meedeelt in de aflossingen, die ten laste van de vrouw zijn betaald.

De principale grief 1 faalt.

3.2.3. In incidenteel appel komt de man op tegen de afwijzing van zijn vorderingen strekkende tot verkoop van de woning (rov. 2.19). De rechtbank heeft die afwijzing onder meer gegrond op het feit dat ten tijde van haar beschikking de periode van zes maanden na de ontbinding van het huwelijk nog niet waren verstreken. Dit is nu wel het geval. De man heeft in het petitum van het incidenteel appel acht verzoeken geformuleerd die betrekking hebben op de woning en ertoe strekken dat de woning op korte termijn verkocht zal gaan worden. De man heeft daarbij als belang om te worden ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Ter zitting zijn de verzoeken 1 en 2 ingetrokken nu de vrouw heeft meegewerkt aan de bemiddelingsopdracht.

Naar het oordeel van het hof zijn de verzoeken toewijsbaar met dien verstande dat, ter voorkoming van geschillen, de vraag en laatprijs nader zullen worden ingevuld en de machtiging om de woning zelf te ontruimen als in strijd met artikel 556 Rv zal worden afgewezen.

Het verweer van de vrouw faalt. Zij heeft voldoende tijd gehad om in redelijk overleg met de man tot verkoop te geraken. De omstandigheid dat de woning wellicht met een negatieve opbrengst moet worden verkocht, kan de vrouw niet meer aan de man tegenwerpen. Het belang van de man om ook financieel ‘los’ te raken van de vrouw weegt zwaar. Dit geldt temeer daar verwacht moet worden dat de hypotheekbank dan wel het garantiefonds (ook) de man zal aanspreken voor het tekort.

3.3. De grieven 2 in principaal appel en 2A in incidenteel appel (belasting).

3.3.1. Ten aanzien van grief 2 in principaal appel (de vrouw verlangt opheldering over belastingaanslagen en kwijtscheldingen) heeft de man zich ter zitting onvoorwaardelijk bereid verklaard de door de vrouw verlangde machtiging af te geven. Deze grief behoeft geen verdere bespreking.

3.3.2. Grief 2A in het incidenteel appel (punt 41 verweerschrift in hoger beroep) heeft betrekking op de voorlopige teruggaaf 2007 - over de drie maanden april, mei en juni - behandeld door de rechtbank in rov. 2.12 van de beschikking waarvan beroep. De rechtbank overwoog dat de man ter terechtzitting heeft verklaard terzake van de aanwending van zijn voorlopige teruggaaf 2007, waarmee oudere belastingschulden zijn verrekend, geen bedrag van de vrouw te willen terugvorderen. Het gaat volgens de man om een bedrag van € 863,-. De man verlangt betaling aan hem door de vrouw van de helft. Naar het hof begrijpt ontkent de man de gestelde toezegging.

Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt het volgende:

de man: De voorlopige teruggaaf 2007, althans 5 termijnen hiervan, zijn aangewend voor aflossing (naar het hof begrijpt van oude belastingschulden). Door mij zijn geen andere betalingen verricht. (…) Ik ben overigens van mening dat er geen belastingschulden meer zijn.

de vrouw: Volgens mij is alles afgelost.

de rechter: Indien de belastingschulden aldus niet meer behoeven te worden verdeeld omdat dit met gemeenschappelijke gelden is gebeurd, moet er dan nog worden verrekend?

de man: Wat mij betreft: laat maar zitten.

de rechter: De man heeft eigenlijk recht op een deel van de na de peildatum ontvangen voorlopige teruggaaf 2007, althans tot 1 november 2007, omdat de vrouw sinds 1 november 2007 de woonlasten betaalt. Hij zegt nu: laat maar zitten.

mr. Van den Heuvel: (…) Hoe het ook zij, ik ga akkoord met het voorstel van de man.

(…)

de rechter: Stel dat de schuld nihil is dan hoeft er geen verdeling plaats te vinden. Een deel van de schuld is kennelijk afgelost met de voorlopige teruggave 2007, maar de man hoeft dit niet terug.

De man noch de vrouw hebben deze weergave inhoudelijk betwist. Zij hebben niet aangegeven wat er zich dan wel heeft afgespeeld ter zitting. Tegen deze achtergrond moet het ervoor worden gehouden dat partijen zijn overeengekomen dat er terzake van de belastingschulden geen verdeling of verrekening meer plaats vindt.

De grief van de man dient derhalve als onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen. In dit verband merkt het hof nog op dat het bedrag van € 863,- door de man niet is gespecificeerd en niet valt af te leiden uit de overgelegde stukken.

3.4. Grief 3 in het principaal appel (schuld aan ouders)

3.4.1. Bij grief 3 in principaal appel heeft de vrouw geen belang. De vrouw heeft immers geen grief gericht tegen de tweede volzin van rov. 2.13 van de beschikking waarvan beroep, waarin de vrouw zich bereid verklaart de helft van de schuld aan de ouders van de man ten bedrage van € 1.000.- aan de man te betalen. Niet relevant is of de man de schuld al heeft afgelost dan wel nog gaat aflossen. In het petitum van het beroepschrift vraagt de vrouw de schuld aan de ouders niet in de verdeling te betrekken. Dit verzoek wordt afgewezen omdat het enkele feit dat de schuld nog niet is afgelost, zoals de vrouw stelt, nog niet meebrengt dat die schuld niet behoeft te worden verdeeld.

3.5. Grief 4 in het principaal appel (schuld aan de zus)

3.5.1. Ter zitting is deze grief (punt 5 van het petitum van het beroepschrift) door de advocaat van de vrouw ingetrokken.

3.6. Grief 6 in het principaal appel (verkeersboetes)

3.6.1. De vrouw heeft gesteld dat de man in de vier jaar van het samenzijn, 2002-2006, (gesteld wordt 44) boetes heeft gekregen tot in totaal ruim € 2.000,- welke zijn betaald met gemeenschapsgeld. De vrouw meent dat de man haar 90% van dat bedrag (dus niet alleen de helft) dient te vergoeden.

De rechtbank heeft de vrouw de vergoeding van de helft van drie boetes, opgelegd na de peildatum en betaald met gemeenschappelijk geld, toegekend, te weten de helft van € 266,- is € 133,- (daartegen is niet, principaal noch incidenteel, gegriefd). Voor het overige is het verzoek van de vrouw afgewezen bij gebreke van een grondslag, ook niet de grond van redelijkheid en billijkheid.

Ter zitting heeft de vrouw desgevraagd zich op de rechtsgrond verknochtheid beroepen.

Een aantal van de door vrouw opgegeven boetes dateren van vóór het huwelijk en zijn afgeschreven van de Rabobankrekening te name van de man. Deze vallen derhalve buiten de verdeling.

Ook overigens bestaat er geen rechtsgrond voor vergoeding door de man van hetzij het totaalbedrag van de boetes betaald uit gemeenschapsgeld aan de gemeenschap, hetzij de helft daarvan aan de vrouw. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van schulden die als verknocht kunnen worden aangemerkt, in aanmerking nemende de maatstaf van HR 3 november 2006, NJ 2008/257.

Het hof overweegt nog dat de vrouw geen beroep heeft gedaan op artikel 1:164 BW. Voor toewijzing op deze grondslag bestaat overigens evenmin grond, omdat onvoldoende wordt gesteld om aan te nemen dat de verkeersboetes zijn opgelopen onder omstandigheden die kunnen worden aangemerkt als verspilling van gemeenschapgeld of van het lichtvaardig schulden maken. Verkeersboetes kunnen, behoudens in bijzondere omstandigheden waarvan hier niet is gebleken, evenmin aanleiding geven tot afwijking van de verdeling bij helfte.

De grief faalt.

3.7. De grieven 5 en 7 in principaal appel en grief 2B in incidenteel appel. Deze grieven hebben betrekking op het door de vrouw gestelde vreemdgaan van de man.

3.7.1. De vrouw heeft gesteld dat tijdens het huwelijk door de man uit het gemeenschapsvermogen gelden tot een bedrag van € 441,95 zijn besteed in relatie tot vreemdgaan. De rechtbank heeft vastgesteld (rov. 2.16 onder s van de beschikking waarvan beroep) dat de man ter bespoediging van de afwikkeling van de verdeling bereid was aan de vrouw de helft, € 220,98, te betalen.

3.7.2. In grief 5 komt de vrouw tegen deze beslissing op, stellende dat de rechtbank het volledige bedrag van € 441,95 (gespecificeerd in bijlage 23.8 van haar reactie van 3 april 2009) ten laste van de man had moeten brengen.

Naar het oordeel van het hof mist deze grief feitelijke grondslag zodat deze faalt. De rechtbank heeft het volledige bedrag van € 441,95 ten laste van de man gebracht, in die zin dat hij dit bedrag terug moet betalen aan de gemeenschap. Als gevolg van de verdeling van die gemeenschap krijgt de vrouw bijgevolg de helft, zoals de rechtbank ook heeft beslist.

3.7.3. In grief 2B in incidenteel appel (punt 42 van het verweerschrift) komt de man op zijn toezegging terug omdat aan de voorwaarde, namelijk dat de procedure zo spoedig mogelijk zou worden afgewikkeld, niet is voldaan.

Naar het oordeel van het hof is de grief deswege gegrond. Ten aanzien van het door de vrouw verzochte bedrag overweegt het hof in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep als volgt.

De vrouw kan de kosten van een bezoek aan een ‘gangbang’ ad € 65,- niet in verrekening brengen omdat deze kosten zijn gemaakt vóór het huwelijk en niet zijn betaald uit gemeenschapsvermogen. De kosten van het lidmaatschap ‘Relatieplanet’ kunnen niet in verrekening worden gebracht omdat het hier niet gaat om een verspilling van gemeenschapsgeld, verknochte schulden (zoals de vrouw ter zitting stelde) of een grond voor afwijking van de verdeling bij helfte. Hetzelfde geldt voor verteringen in het stationskoffiehuis te [vestigingsplaats] en bij Auberge de Zwaan. Zelfs niet als deze kosten zijn gemaakt samen met een ander(e vrouw). Het hof is wel van oordeel dat de kosten van een bezoek aan een sauna met ‘Champagne arrangement’, gemaakt kort voor het uiteengaan van partijen als verspilling als bedoeld in artikel 1:164 BW ten laste van de man dienen te blijven. Het gaat hier om € 125,- dat de man aan de gemeenschap verschuldigd is, zodat de vrouw recht heeft op € 62,50 in plaats van € 220,98. Het verschil van € 158,48 zal in de eindbeslissing worden verdisconteerd.

3.7.4. Grief 7 in het principaal appel heeft betrekking op het verlies van de no-claimkorting bij OZ-verzekering omdat de vrouw zich in november 2006, dat is ná de door partijen overeengekomen peildatum van 26 augustus 2006, heeft doen testen op HIV-besmetting. Het gaat om een bedrag van € 213,58. De rechtbank heeft het beroep op verrekening afgewezen.

Naar het oordeel van het hof brengt het feit dat de vrouw kosten heeft gemaakt ná de peildatum mee dat zij deze kosten zelf heeft te dragen. Partijen zijn immers, met het overeenkomen van de peildatum, overeengekomen dat zij kosten nadien gemaakt voor eigen rekening zullen nemen. Van een onrechtmatig handelen dat de man tot vergoeding verplicht is het hof niet gebleken. De gestelde huwelijksontrouw, zoal juist, acht het hof ontoereikend.

3.8. Grief 2C in incidenteel appel (ANWB)

3.8.1. De rechtbank heeft in rov. 2.16 onder x terzake van de nota van 1 augustus 2007 ANWB pakketverzekering overwogen dat de vrouw terzake vergoeding vordert van € 52,45 en dat de man bereid is dit bedrag aan de vrouw te betalen. In zijn grief stelt de man dat de vrouw slechts recht heeft op de helft, € 26,22. De vrouw voert daartegen aan dat de verzekering bedroeg € 104,90, zodat er al gedeeld is.

Het proces-verbaal vermeldt: de man: Ik betaal € 52,45.

Uit bijlage 10 bij de brief van de advocaat van de vrouw van 25 januari 2008 blijkt dat premie opstalverzekering inderdaad € 104,89 beliep.

De grief faalt mitsdien.

3.9. De conclusie is dat de grieven in het principaal appel falen althans niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

In het incidenteel appel kunnen de verzoeken met betrekking tot de woning worden toegewezen. Grief 2B slaagt deels. De grieven 2A en 2B, voor het overige, en 2C worden verworpen.

3.10. Het hof zal de kosten compenseren nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep maar alleen voor zover daarin is beslist dat de vrouw aan de man in totaal € 376,83 moet betalen en het verzoek van de man als bedoeld in rov. 2.19 werd afgewezen;

bekrachtigt de beschikking voor het overige;

en in zoverre vernietiging volgde, opnieuw recht doende:

bepaalt dat de vrouw inzake de verdeling/onderlinge verrekening van het

huwelijksgoederenregime aan de man dient te betalen € 376,83 en € 158,48 (totaal € 535,31);

ten aanzien van de woning:

? veroordeelt de vrouw om de woning open te stellen voor bezichtiging door potentiële kopers en alles na te laten dat aan de totstandkoming van een koopovereenkomst in de weg staat;

? veroordeelt de vrouw om, zodra er een kandidaat-koper is die bereid is een prijs te betalen tussen de laat- en vraagprijs van € 225.000,- en € 229.000,- mee te werken aan de totstandkoming van de koopovereenkomst en bepaalt dat, zo de vrouw weigert haar medewerking te verlenen aan de ondertekening van de koopovereenkomst (op de gebruikelijke, door de ingeschakelde makelaar gehanteerde voorwaarden), deze beschikking in de plaats treedt van de instemmende verklaring van de vrouw;

? veroordeelt de vrouw om mee te werken aan het notarieel transport en bepaalt dat, voor het geval de vrouw weigert haar medewerking aan de levering van de woning aan de koper te verlenen deze beschikking voor wat betreft de verklaring van de vrouw in de notariële transportakte in de plaats treedt;

? veroordeelt de vrouw om de woning gelegen te [plaatsnaam] aan [adres]uiterlijk op de dag voorafgaande aan het notariële transport te verlaten en te ontruimen;

? alles onder verbeurte van een door de vrouw aan de man te betalen dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte van dag dat de vrouw, na betekening van deze beschikking, in gebreke blijft aan deze veroordelingen te voldoen;

? wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat ieder van partijen haar eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Van Gink en Van der Voort en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2009.