Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BQ2997

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
29-04-2011
Zaaknummer
HD 103.005.681 E
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over echtscheidingsconvenant. Bewijsbeslissing. Cassatieberoep verworpen, HR LJN BO8458

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. SB

Zaaknr. HD 103.005.681

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 24 maart 2009,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: de man,

advocaat: mr. R.H. van Muijen,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. G. te Biesebeek,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 25 november 2008 op het hoger beroep van de door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch onder zaak/rolnr. 146125/HA ZA 06-1618 gewezen vonnissen van 7 maart 2007 en 11 juli 2007.

6. Het tussenarrest van 25 november 2008

Bij voornoemd tussenarrest is de man toegelaten tot het bewijs van een tweetal stellingen zijnerzijds en is hij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of, en zo ja op welke wijze, hij dit bewijs wenst te leveren. De zaak is naar de rol verwezen voor uitlating door de man over de gewenste bewijslevering en voor (eventuele) opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n). Iedere verdere beslissing is aangehouden.

7. Het verdere verloop van de procedure

Op de rol van 9 december 2008 is namens de man kenbaar gemaakt dat hij afziet van enquête, waarna partijen de gedingstukken aan het hof hebben overgelegd en uitspraak hebben gevraagd.

8. De verdere beoordeling

8.1. De man is bij voornoemd tussenarrest toegelaten tot het tegenbewijs van de voorshands bewezen geachte stelling van de vrouw dat tussen partijen is afgesproken dat de man uiterlijk op 8 mei 2004 een bedrag van € 62.500,-- aan de vrouw zou betalen evenals een maandelijkse rente waarvan de omvang gelijk was aan de hypothecaire rente. Om proces-economische redenen (te weten voor het geval de man niet slaagt in het leveren van voornoemd tegenbewijs) is de man tevens toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij een bedrag van (omgerekend) € 50.000,-- contant (in vreemde valuta) aan de vrouw heeft betaald voorafgaand aan de ondertekening van de notariële akte van verdeling d.d. 23 december 2002.

8.2.1. De man heeft afgezien van het doen horen van getuigen en heeft evenmin aangegeven dat hij op andere wijze bewijs van zijn stellingen wenst te leveren.

8.2.2. De man heeft derhalve geen tegenbewijs geleverd tegen de voorshands door het hof bewezen geachte stelling van de vrouw dat tussen partijen is afgesproken dat de man uiterlijk op 8 mei 2004 een bedrag van € 62.500,-- aan de vrouw zou betalen evenals een maandelijkse rente waarvan de omvang gelijk was aan de hypothecaire rente. Voornoemde stelling van de vrouw wordt dan ook bewezen geacht.

8.2.3. Het hof komt dan toe aan de beoordeling van de stelling van de man dat hij voorafgaand aan de ondertekening van de notariële akte van verdeling d.d. 23 december 2002 een bedrag van (omgerekend) € 50.000,-- contant (in vreemde valuta) aan de vrouw heeft betaald. In het tussenarrest heeft het hof reeds overwogen dat op de man, bij gemotiveerde betwisting door de vrouw, de bewijslast van deze stelling rust. De man heeft, gelet op hetgeen hiervoor in rov. 8.2.1 is overwogen, deze stelling evenmin bewezen, zodat het hof aan het verweer van de man voorbij gaat.

8.2.4. De grieven 1 tot en met 3 van de man slagen, voor zover deze zich richten tegen de wijze waarop de rechtbank in de bestreden vonnissen anders heeft beslist over de bewijsverdeling dan het hof in het tussenarrest van 25 november 2008 heeft gedaan. De grieven 1 tot en met 3 van de man falen echter voor het overige, zodat de beroepen vonnissen van de rechtbank ten aanzien van deze kwestie zullen worden bekrachtigd, onder verbetering van de gronden waarop deze berusten.

8.3. De woning [plaatsnaam] (grief 4 man)

8.3.1. De man heeft een vordering jegens de vrouw aanhangig gemaakt strekkende tot vergoeding van schade die door hem is geleden en zal worden geleden ten gevolge van de weigering van de vrouw mee te werken aan de eigendomsoverdracht van de woning [plaatsnaam] te Spanje. In het eindvonnis van 11 juli 2007 heeft de rechtbank deze vordering van de man afgewezen, nu onvoldoende is gebleken dat die weigering van de vrouw geen geldige reden had.

8.3.2. De man kan zich met voornoemde beslissing van de rechtbank niet verenigen. Hij wijst er op dat die beslissing niet is gemotiveerd en stelt dat de vrouw geen geldige reden had om haar medewerking aan de eigendomsoverdracht te weigeren, terwijl zij zelfs na een toezegging tot medewerking bij gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg hierop is teruggekomen, hetgeen wederom tot schade heeft geleid.

8.3.3. De vrouw acht de beslissing van de rechtbank juist en voert aan dat zij een opschortingsrecht had. Voorts betwist de vrouw de stelling van de man dat zij haar toezegging om medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht heeft ingetrokken.

8.3.4. Bij de beoordeling van deze grief heeft als uitgangspunt te gelden dat de vrouw een geldvordering op de man had uit hoofde van de afspraak tussen partijen dat de man uiterlijk op 8 mei 2004 een bedrag van € 62.500,-- aan de vrouw zou betalen evenals een maandelijkse rente waarvan de omvang gelijk was aan de hypothecaire rente. Nu de man met betrekking tot de betaling van deze vordering (deels) in verzuim was kwam de vrouw, naar het oordeel van het hof, het recht toe haar (uit het convenant voortvloeiende) verplichting tot medewerking aan de eigendomsoverdracht van de woning [plaatsnaam] aan de man op te schorten. Het hof acht voldoende samenhang in de zin van de artikelen 6:52 lid 1 en 6:262 BW aanwezig om deze opschorting te rechtvaardigen. In de door de man aangevoerde feiten en omstandigheden ziet het hof voorts onvoldoende aanleiding om de uitoefening van de opschorting van voornoemde medewerking door de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten. Het hof is op grond van de inhoud van de ter zake in het geding gebrachte bescheiden, anders dan de man, niet van oordeel dat de vrouw haar ter comparitie gedane toezegging tot het verlenen van medewerking heeft ingetrokken. De vrouw heeft slechts een aantal voorwaarden verbonden aan bedoelde medewerking, waarvan het hof niet is gebleken dat deze in redelijkheid niet gesteld konden worden. De vordering van de man is door de rechtbank terecht afgewezen.

8.3.5. Grief 4 van de man faalt.

8.4. Proceskosten (grief 5 man)

8.4.1. Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat de proceskosten tussen partijen in eerste aanleg gecompenseerd dienen te worden. Dit vloeit voort uit de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn. Grief 5 van de man slaagt.

8.4.2. Om voornoemde reden zal het hof ook de kosten in hoger beroep tussen partijen compenseren.

9. De uitspraak:

het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 11 juli 2007, doch uitsluitend voor zover betrekking hebbende op de kostenveroordeling,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

compenseert de proceskosten in eerste aanleg aldus dat elke partij de eigen kosten draagt;

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 maart 2007 en 11 juli 2007 voor het overige, met verbetering van de gronden waarop deze vonnissen berusten;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van Gink en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 maart 2009.