Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BQ2509

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-03-2009
Datum publicatie
26-04-2011
Zaaknummer
HD 200.008.989 T
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

dagvaarden niet meer bestaande vennootschap?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2011/482
JWB 2011/391
JIN 2011/426
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. CK

zaaknr. HD 200.008.989

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 3 maart 2009,

gewezen in de zaak van:

1. [X.],

wonende te [woonplaats] (Luxemburg),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Y.] BEHEER BV,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats],

appellanten bij exploot van dagvaarding van 19 mei 2008 en herstelexploot van 31 juli 2008,

advocaat: mr. H. van Lingen,

tegen:

1. MR. [Z.],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ADVOCATENKANTOOR MR. [A.] BV,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerden bij gemelde exploten,

in hoger beroep niet verschenen,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Breda gewezen vonnissen van 15 februari 2006 en 20 februari 2008 tussen appellanten - [X.] - als eisers en geïntimeerden - mr. Van den Heuvel en Advocatenkantoor [A.] - als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummers/rolnummers 38312/HA ZA 96-1306 en 44307/HA ZA 96-2593)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar het daartussen gelegen tussenvonnis van 17 mei 2006.

Voor de daaraan voorafgaande fase van de procedures verwijst het hof naar het arrest van dit hof van 20 juli 2004 (rolnummer C0101052/BR).

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Geïntimeerden zijn in hoger beroep niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend.

2.2 [X.] heeft overgelegd een vonnis van de rechtbank Breda van 23 september 2008, waarbij mr. Van den Heuvel in staat van faillissement is verklaard. Jegens hem is de procedure in hoger beroep op de voet van artikel 29 Fw geschorst.

2.3 Bij memorie van grieven heeft [X.] jegens Advocatenkantoor [A.] onder overlegging van vier producties twee grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van deze memorie nader staat omschreven.

2.3 [X.] heeft daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. Het overgelegde procesdossier omvat zeven mappen met in totaal 53 processtukken, vanaf de inleidende dagvaarding van 19 oktober 1995 tot en met het eindvonnis van de rechtbank van 20 februari 2008. Wat ontbreekt zijn de stukken van het onderhavige hoger beroep. Het hof heeft hiervan kennis kunnen nemen uit het griffiedossier.

3. De beoordeling

3.1 Alvorens eventueel op de zaak zelf in te gaan overweegt het hof het volgende met betrekking tot:

a) de omvang van het appel;

b) de positie van Advocatenkantoor [A.] als procespartij.

Ad a:

3.2 In de memorie van grieven stelt [X.] dat het appel zich tevens uitstrekt tot het tussenvonnis van de rechtbank van 10 juli 2001 en met name tegen rechtsoverweging 3.5.4 van dat vonnis. Hij onderkent dat tegen dit vonnis eerder zowel principaal appel als incidenteel appel is ingesteld, hetgeen heeft geleid tot het arrest van dit hof van 20 juli 2004, maar dat hoger beroep had volgens [X.] geen betrekking op bedoelde rechtsoverweging. Om die reden gaat [X.] er, onder verwijzing naar enige jurisprudentie, van uit dat hij deze overweging in het onderhavige appel kan betrekken.

3.3 Deze opvatting kan geen stand houden. Wanneer een partij gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid van tussentijds appel en daarin is ontvangen, is het die partij niet toegestaan in een later stadium van het geding wederom appel in te stellen tegen dit zelfde vonnis (HR 16 oktober 1992, NJ 1992,791). Aan de door [X.] genoemde arresten kan hij geen argumenten voor zijn standpunt ontlenen aangezien deze arresten niet zien op een situatie als hier aan de orde is. Voor zover [X.] (opnieuw) in beroep komt tegen het tussenvonnis van 10 juli 2001 is hij daarin niet-ontvankelijk.

Ad b:

3.4 Als productie 3 bij de memorie van grieven heeft [X.] overgelegd een uittreksel uit het Handelsregister betreffende Advocatenkantoor [A.]. Op dit uittreksel is onder meer het volgende vermeld:

"Op 17-01-2000 is geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 30-12-1999.

Op 17-01-2000 is geregistreerd dat de onderneming is opgeheven met ingang van 30-12-1999."

3.5 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van [X.] in het onderhavige hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen Advocatenkantoor [A.], rijst de vraag of [X.] op 19 mei 2008 een toen nog bestaande vennootschap heeft gedagvaard. Het hiervoor vermelde uittreksel doet anders vermoeden. Het hof zal [X.] in de gelegenheid stellen zich hierover uit te laten.

3.6 Voor het geval aangenomen zou moeten worden dat [X.] ontvangen kan worden in zijn beroep tegen Advocatenkantoor [A.], is de volgende vraag die opkomt bij kennisneming van het uittreksel welk belang in de zin van artikel 3:303 BW [X.] heeft bij dat beroep. Ook hierover zal [X.] zich kunnen uitlaten.

3.7 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4. De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 31 maart 2009 met het hiervoor onder 3.5 en 3.6 aangegeven doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Meulenbroek en Venhuizen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 maart 2009.