Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BQ2340

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-09-2009
Datum publicatie
22-04-2011
Zaaknummer
HD 200.003.174
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BY8733, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BY8733
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 5:124 BW jo. Art. 68a Overgangswet NBW.

Ontstaan vereniging van eigenaars

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknr. HD 200.003.174

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 22 september 2009,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 24 januari 2008,

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar,

tegen:

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging VERENIGING VAN EIGENAREN JODENSTRAAT 23-33,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

advocaat: mr. B.P.W. van Brink,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo onder zaaknummer 195127\CV EXPL 07-1841 gewezen vonnis van 24 oktober 2007 tussen appellant, [X.], als gedaagde en geïntimeerde, de VvE, als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van die memorie is weergegeven.

2.2. Bij memorie van antwoord met producties heeft de VvE de grieven bestreden en geconcludeerd zoals in het petitum van die memorie is weergegeven.

2.3. Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd. De VvE heeft daartoe haar procesdossier overgelegd.

3. De beoordeling

3.1. In de inleidende dagvaarding van 26 juni 2007 heeft de VvE de veroordeling gevorderd van [X.], voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan haar van:

a) een bedrag van € 751,49 (hoofdsom ad € 572,99 en buitengerechtelijke kosten ad € 178,50), vermeerderd met de wettelijke rente over € 572,99 vanaf 26 juni 2007 tot de dag der algehele voldoening,

b) de na 1 juni 2007 nog te vervallen bijdragen ad € 65,42 per kwartaal, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat de betreffende bijdragen vervallen tot de dag der algehele voldoening, dit alles een bedrag van € 5.000,-- niet te boven gaande.

3.2. Nadat [X.] verweer had gevoerd, heeft de kantonrechter bij het bestreden vonnis de vordering sub a toegewezen en [X.] veroordeeld in de proceskosten. De vordering sub b is afgewezen.

3.3. [X.] is tijdig van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Hij heeft vijf grieven aangevoerd.

3.3.1. In grief 1 betwist [X.] bij gebrek aan wetenschap dat de VvE is opgericht en (subsidiair) dat de vordering van VvE berust op de statuten, het reglement en de besluiten van VvE.

3.3.2. De vereniging van eigenaars is als onderdeel van de appartementsrechten geregeld in de negende titel van boek 5 BW in de artikelen 124 t/m 135. Deze titel is bij wet van 19 februari 2005, Stb. 160 per 1 mei 2005 ingrijpend gewijzigd. Door de invoering van deze wet per 1 mei 2005 ontstaat een vereniging van eigenaars, een rechtspersoon, door de ondertekening van de akte van splitsing. Een oprichtingshandeling als waarop artikel 2:4 BW ziet, is hiervoor niet nodig (vgl. art. 5:124 BW).

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de splitsing van de onroerende zaak Jodenstraat 23-33 te [vestigingsplaats] – waarvan het appartementsrecht van [X.] deel uitmaakt - heeft plaatsgevonden bij akte van splitsing op 18 januari 1957 verleden voor notaris [Y.] te [vestigingsplaats]. Hoewel deze splitsing heeft plaatsgevonden (ruim) voor de inwerkingtreding van de wet van 19 februari 2005, is de VvE op grond van het bepaalde in artikel 5:124 BW, welk artikel volgens artikel 68a van de Overgangswet Nieuw BW onmiddellijke werking heeft, in ieder geval per 1 mei 2005 van rechtswege ontstaan. Gelet op de ingestelde vordering, de servicekosten vanaf 2006, is de vraag of de VvE reeds vóór 1 mei 2005 bestond niet relevant. Het verweer van [X.] dat de VvE niet is opgericht faalt.

3.3.3. De akte van splitsing van 18 januari 1957 bevat, conform de thans geldende wettelijke bepalingen, een regeling van de rechten en verplichtingen van de eigenaren. In haar conclusie van repliek heeft de VvE inzicht gegeven in de wijze waarop de thans van [X.] gevorderde bijdragen zijn tot stand gekomen. Tegenover deze onderbouwing van de vordering is de betwisting door [X.], waarbij hij zich uitsluitend beroept op gebrek aan wetenschap, onvoldoende. Het hof gaat daar dan ook aan voorbij. Grief I faalt.

3.3.4. In de grieven II en IV stelt [X.] zich op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [X.] zijn verweer onvoldoende heeft gemotiveerd en ten onrechte zijn bewijsaanbod heeft gepasseerd.

3.3.5. Uit de beoordeling van grief I volgt dat het hof het oordeel van de kantonrechter grotendeels onderschrijft. Voor het bewijsaanbod van [X.] geldt dat bewijslevering van zijn stelling dat de VvE geen rechtspersoon is, in hoger beroep evenmin aan de orde is aangezien, zoals uit rov 3.3.2 blijkt, die rechtspersoonlijkheid rechtstreeks uit de wet volgt. De kantonrechter heeft het - in algemene termen gestelde - bewijsaanbod van [X.] terecht als te vaag gepasseerd, nu [X.] niet heeft aangegeven wat hij, behalve zijn stelling dat de VvE niet bestaat, zou willen bewijzen. Ook de grieven II en IV falen.

3.3.6. Grief III ziet op een door de kantonrechter overgenomen argument van de VvE waarvan de VvE thans erkent dat het onjuist is. In hoger beroep is dit aspect bij de beoordeling van de vordering niet meer van belang, zodat [X.] bij verdere bespreking van deze grief geen belang heeft.

3.3.7. Grief V heeft betrekking op de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassowerkzaamheden. Volgens [X.] heeft de kantonrechter voor deze werkzaamheden ten onrechte een bedrag toegewezen van in totaal € 205,-- omdat de drie aanmaningen volgens Voorwerk II niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. Verder wijst [X.] er op dat volgens de kantonstaffel de incassokosten bij een vordering van € 452,57 uitkomen op € 75,--.

3.3.8. Het hof stelt vast dat de VvE aan hoofdsom een bedrag vordert van € 517,99 en aan buitengerechtelijke incassokosten een totaalbedrag van € 205,--, bestaande uit een incassovergoeding CBG VVE management ad € 55,--, die door de VvE niet afzonderlijk is toegelicht, en een vergoeding volgens de staffel kantonrechters ad € 150,--, die door de VvE wel is toegelicht. Het hof oordeelt het redelijk om voor de daadwerkelijk verrichte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden een vergoeding toe te kennen. Het in totaal gevorderde bedrag van € 205,-- aan buitengerechtelijke incassokosten - ongeveer 40% van voornoemde hoofdsom – komt het hof evenwel te hoog voor. Hoewel de door de kantonrechters gehanteerde staffel incassokosten bij een hoofdsom van € 517,99 uitkomt op een bedrag van € 150,--, beveelt het Rapport Voorwerk II aan niet meer dan 15% van de hoofdsom als buitengerechtelijke incassokosten toe te wijzen. Aangezien de VvE niet heeft aangetoond dat de werkelijk gemaakte kosten hoger zijn, acht het hof het redelijk de buitengerechtelijke incassokosten te matigen tot het bedrag van € 77,70. In zoverre slaagt grief V.

3.3.9. De slotsom is dat de grieven I, II en IV falen, dat [X.] bij bespreking van grief III geen belang heeft en dat grief V gedeeltelijk slaagt. Het deels slagen van grief V betekent dat de veroordeling onder 5.1 in het bestreden vonnis niet in stand kan blijven. Hoewel dit geen consequenties heeft voor de proceskostenveroordeling onder 5.2 – [X.] dient nog altijd te worden aangemerkt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij – zal het hof voor de duidelijkheid het vonnis integraal vernietigen en opnieuw recht doen. [X.] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en,

opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [X.] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de VvE te voldoen een bedrag van € 595,69, vermeerderd met de wettelijke rente over € 572,99 vanaf 26 juni 2007 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [X.] in de kosten van de eerste aanleg aan de zijde van de VvE gevallen en tot aan 24 oktober 2007 begroot op € 441,79, waarvan € 200,-- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt [X.] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van de VvE tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 254,-- aan verschotten en € 632,-- aan salaris advocaat;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Meulenbroek en Huijbers-Koopman en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 september 2009.