Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BP7605

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-09-2009
Datum publicatie
15-03-2011
Zaaknummer
20-003912-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijswaarde van DNA van verdachte op plaats delict. Aantreffen van een bloedspoor van verdachte in een bedrijf waarin is ingebroken. Voldoende bewijs voor betrokkenheid verdachte bij de inbraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-003912-08

Uitspraak: 9 september 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 20 oktober 2008 in de strafzaak met parketnummer 02-625649-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1966],

wonende te [woonplaats], [adres verdachte],

waarbij verdachte van de onder 1 ten laste gelegde diefstal met braak werd vrijgesproken en ter zake van de onder 2 ten laste gelegde diefstal met braak werd veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, mr. G.P.N. Robben, en van hetgeen namens de verdachte door zijn raadsman, mr. J.B. Boone, naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof, zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 16 juni 2003 tot en met 17 juni 2003 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijf (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een computer en/of een hoeveelheid geld en/of een (aantal) powerplate(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] en/of [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Bewijsmotivering

Vaststaande feiten

Op de eerste etage van een pand aan de [adres] te Breda is het bedrijf [bedrijf] gevestigd. De eerste etage is te bereiken via de hoofddeur van het pand en vervolgens een trap omhoog.

Op 16 juni 2003 omstreeks 21.00 uur was alles in en aan het pand intact en afgesloten. Op dat moment is de laatste medewerker van het bedrijf vertrokken en was er niemand meer in het bedrijf aanwezig.

Op 17 juni 2003 omstreeks 00.15 uur werd een inbraak in het pand ontdekt. De brievenbussen aan de voorzijde van het pand, naast de toegangsdeur (het hof begrijpt: de hoofddeur van het pand), waren eruit gebroken. De toegangsdeur van [bedrijf] (het hof begrijpt: op de eerste etage) was volledig vernield. De deur heeft dubbel draadglas, maar de ruit was totaal vernield. Overal lag glas.

Na binnenkomst in het bedrijf bevindt zich direct rechts de balie, waar het geldkistje van het bedrijf lag. Dat geldkistje bleek te zijn leeggehaald.

Uit het bedrijf werden een computer, een geldbedrag en twee powerplates weggenomen. Deze goederen waren eigendom van het bedrijf. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van dit feit.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De advocaat-generaal acht de ten laste gelegde inbraak wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte en de resultaten van het na te melden DNA-onderzoek. Nu voldoende vaststaat dat een in het bedrijfspand aangetroffen bloedspoor een daderspoor is en het DNA-profiel van verdachte overeenkomt met het DNA-profiel van dat bloedspoor, staat verdachtes betrokkenheid bij de inbraak vast.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat er geen foto’s zijn gemaakt van het aangetroffen bloedspoor, waardoor niet vaststaat dat het bloedspoor een daderspoor is. Voorts kan niet worden uitgesloten dat bij het NFI een verwisseling heeft plaatsgevonden van dat bloedspoor met een DNA-spoor van verdachte dat door de politie is veiliggesteld bij een onderzoek naar een andere inbraak (bij inleidende dagvaarding onder 1 ten laste gelegd, waarvan verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken).

Het hof overweegt als volgt.

• Is het bloedspoor een daderspoor?

Bij sporenonderzoek op 17 juni 2003 door verbalisant [verbalisant], werkzaam bij de Unit Forensisch Technisch Onderzoek van de regiopolitie Midden en West Brabant, bleek dat op de bovenzijde van de balie zich een kleine hoeveelheid bloed bevond.

Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het ambtsedig relaas van verbalisant [verbalisant], inhoudende dat het bloed op de balie werd aangetroffen. Anders dan de raadsman heeft betoogd, acht het hof voor de vaststelling dat het bloed op die plaats werd aangetroffen in het onderhavige geval geen foto’s noodzakelijk.

Naar het oordeel van het hof staat vast dat het aangetroffen bloedspoor een daderspoor is. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat dit bloed kort na de inbraak werd aangetroffen, het bloed zich bevond in het bedrijf op een plaats waar de dader zich heeft bevonden (bij de balie, alwaar een geldkistje werd leeggehaald) en er bij de inbraak een glazen deur werd vernield, waardoor er een gerede kans bestaat dat de dader zich heeft verwond.

Een redelijke verklaring voor de aanwezigheid van het bloed op de balie van [bedrijf], die zou kunnen leiden tot het oordeel dat het bloed geen verband houdt met de inbraak, is door de verdediging niet gegeven, noch anderszins aannemelijk geworden.

• Verwisseling van sporen bij het NFI?

Het op de balie aangetroffen bloedspoor werd door verbalisant [verbalisant] bemonsterd en voorzien van spoornummer PL2034/03-116301/003/003. Het werd voor vergelijking van DNA-profielen in beslag genomen en voorzien van de vereiste extra waarmerking met het identiteitszegel AJF298, waarna het sporenmateriaal op de voorgeschreven wijze voor verdere verwerking werd aangeboden aan het NFI. Het identiteitszegel AJF298 is een uniek zegel. Het spoor werd in opdracht van officier van justitie mr. Emmen op 15 juli 2003 in de batch 20-2003-10 overgebracht naar het NFI , alwaar het op 7 augustus 2003 werd opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken.

Het NFI heeft aan een referentiemonster wangslijmvlies van verdachte (identiteitszegel RGE706) een DNA-onderzoek verricht volgens methoden die zijn geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. Van dat referentiemonster wangslijmvlies is een DNA-profiel verkregen dat op 15 mei 2007 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking is een match gevonden met onder meer het spoor AJF298#01. De kans dat een willekeurig gekozen persoon hetzelfde DNA-profiel heeft als dat van het spoor AJF298#01 is kleiner dan één op één miljard.

Bij het NFI staan ter zake van het spoor AJF298#01 onder meer de volgende gegevens geregistreerd:

- naam opdrachtgever: mr. P.W.P. Emmen

- regio-batchnummer: 20-2003-10

- kenmerk aanvrager: PL2034/03-116301|003|003.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat er bij het NFI een verwisseling heeft plaatsgevonden van het op de balie van [bedrijf] aangetroffen bloedspoor met een DNA-spoor van verdachte dat door de politie is veiliggesteld bij een onderzoek naar de bij inleidende dagvaarding onder 1 ten laste gelegde inbraak.

Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het bij [bedrijf] aangetroffen bloedspoor werd voorzien van een uniek identiteitszegel, alsmede dat het door de politie gebruikte spoornummer en batchnummer overeenkomen met de bij het NFI geregistreerde gegevens.

Opmerking verdient in dit verband dat de door de raadsman bedoelde verwisseling te minder waarschijnlijk is, nu het bij het onderzoek naar de onder 1 ten laste gelegde inbraak veiliggestelde spoor werd voorzien van een ander identiteitszegel en een ander spoornummer en het voorts met een ander batchnummer, in opdracht van een andere officier van justitie en op een andere datum naar het NFI werd verzonden dan het bloedspoor dat bij [bedrijf] werd aangetroffen.

Daartegenover heeft de raadsman geen bijzonderheden aangevoerd waarom niettemin zou moeten worden geoordeeld dat verwisseling van sporen aannemelijk is. Hij heeft immers volstaan met het opperen van de – niet onderbouwde – mogelijkheid dat dergelijke verwisseling heeft plaatsgevonden.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman derhalve.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 16 juni 2003 tot en met 17 juni 2003 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijf (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een computer en een hoeveelheid geld en een aantal powerplates, toebehorende aan [bedrijf], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders onder 2 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 311, eerste lid, aanhef en onder 5°, juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De eerste rechter heeft verdachte ter zake van – kort gezegd – diefstal met braak in een bedrijfspand veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van datzelfde feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

De raadsman heeft geen (subsidiair) standpunt ingenomen ten aanzien van de op te leggen straf.

Het hof komt – evenals de eerste rechter en de advocaat-generaal – tot een bewezenverklaring van diefstal met braak in een bedrijfspand.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Op grond van de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn weerslag heeft gevonden, acht het hof ter zake van diefstal met braak in een bedrijfspand een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken in beginsel passend en geboden.

Het hof heeft ten bezware van verdachte acht geslagen op de inhoud van een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 juli 2009, waaruit blijkt dat hij reeds vele malen werd veroordeeld ter zake van diefstallen en andere vermogensdelicten. Deze veelvuldige veroordelingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een inbraak en daarbij schade en overlast te veroorzaken voor de gedupeerden.

In die recidive ziet het hof aanleiding om voornoemd uitgangspunt te verhogen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken.

Anderzijds heeft het hof in strafmatigende zin rekening gehouden met het tijdsverloop sedert het bewezen verklaarde, waarbij het hof volledigheidshalve opmerkt dat de onderhavige zaak wel met voldoende voortvarendheid is behandeld.

Alles overziend acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van één maand passend en geboden.

Op grond van het hiervoor overwogene kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hiervoor genoemde duur met zich brengt. Het hof komt daarom tot oplegging van een zwaardere straf dan de door de eerste rechter opgelegde en de door de advocaat-generaal gevorderde straffen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders onder 2 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het onder 2 bewezen verklaarde oplevert:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Aldus gewezen door

mr. J.J. van der Kaaden, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. J.G. Sillevis Smitt,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 9 september 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.G. Sillevis Smitt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.