Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BO4414

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-05-2009
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
HD 200.003.256 T
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. SH

zaaknr. HD 200.003.256 T

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vijfde kamer, van 26 mei 2009,

gewezen in de zaak van:

1. [X.],

wonende te [woonplaats],

2. [Y.],

wonende te [woonplaats],

appellanten bij exploot van dagvaarding van 15 januari 2008,

eisers in het incident,

advocaat: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen:

[Z.],

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

geïntimeerde bij gemeld exploot,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. F.W.H. Weelen,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 24 oktober 2007 tussen appellanten – [X.] en [Y.] - als gedaagden en geïntimeerde - [Z.] - als eiser.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer 154523/HA ZA 05-2057)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [X.] en [Y.] zijn van dit vonnis tijdig in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven tevens houdende incidentele vordering tot afgifte van bescheiden ex artikel 843a Rv hebben [X.] en [Y.] onder overlegging van twee producties vijf grieven aangevoerd, een incidentele vordering tot afgifte van bescheiden ingesteld en geconcludeerd zoals in het petitum van deze memorie nader staat omschreven.

2.2 Bij memorie van antwoord in het incident tot afgifte van bescheiden ex artikel 843a Rv heeft [Z.] onder overlegging van twee producties de incidentele vordering van [X.] en [Y.] bestreden en geconcludeerd tot afwijzing ervan.

2.3 Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak in het incident gevraagd.

3. De beoordeling in het incident

3.1 [X.] en [Y.] zijn bestuurders geweest van de stichting Stichting New Amsterdam Project Management Humanitarian Foundation (verder: NAF). Tussen [Z.] en NAF is een joint venture overeenkomst gesloten. Ingevolge die overeenkomst heeft [Z.] een bedrag van US$ 10 miljoen overgemaakt op een trustrekening ten name van NAF/[Z.]. Volgens [Z.] is het bedrag in strijd met de joint venture overeenkomst aangewend als risicodragend kapitaal en door de onjuiste wijze waarop dit is geschied verloren gegaan. [Z.] houdt de voormalige bestuurders van NAF op grond van jegens hem onrechtmatig handelen aansprakelijk voor de schade.

3.2 Op grond hiervan vordert [Z.] in deze procedure hoofdelijke veroordeling van [X.] en [Y.] tot betaling van US$ 10 miljoen, vermeerderd met US$ 5 miljoen aan verbeurde en vervallen Duitse wettelijke rente en vertragingsrente, met Duitse wettelijke rente over US$ 10 miljoen van de dag der dagvaarding en met € 6.422,= aan buitengerechtelijke incassokosten. Met uitzondering van meegevorderde nakosten is de vordering van [Z.] bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. Dat is ook gebeurd in de gevoegde (verstek)zaak van [Z.] tegen [A.] en [B.].

3.3 In het incident vorderen [X.] en [Y.] veroordeling van [Z.] tot overlegging van processtukken alsmede overige stukken die betrekking hebben op de door [Z.] en NAF gevoerde procedures tegen [C.] Holding en anderen.

3.4 Aan deze vordering leggen zij ten grondslag dat [Z.], procederend in naam van NAF, bij het District Court of Nevada in deze aangelegenheid vonnissen heeft verkregen tegen onder meer [C.] Holding. Daarnaast is volgens hen in Zweden een veroordelend vonnis gewezen tegen hun toenmalige medebestuurder [D.]. [X.] en [Y.] willen weten of de gewezen vonnissen inmiddels zijn geëxecuteerd en welke bedragen door [Z.] zijn geïncasseerd, aangezien deze in mindering strekken op het bedrag dat [Z.] op hen zou kunnen verhalen. Daarnaast beroepen zij zich op het bepaalde in artikel 22 Rv.

3.5 Bij memorie van antwoord in het incident heeft [Z.] overgelegd een vonnis van 7 juli 2008 van het Lunds Tingsrätt in de zaak tussen [Z.] en [D.] en een vonnis van 16 maart 2007 van het District Court van het Central District of California tussen NAF en onder meer [C.] Holding. Volgens [Z.] hebben executiemaatregelen geen enkel gevolg gehad en zijn er geen bedragen geïncasseerd. [Z.] bestrijdt dat [X.] en [Y.] belang hebben bij overlegging van alle processtukken nu de vonnissen in de desbetreffende procedures zijn overgelegd. Daarnaast acht hij de vordering onvoldoende gespecificeerd, te vaag en te ruim.

3.6 Het hof stelt voorop dat de zaak internationale aspecten heeft. Het hof dient daarom ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Het hof stelt vast dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 2 van de EEX-verordening bevoegd is aangezien de gedaagden in eerste aanleg, [X.] en [Y.], in Nederland wonen. De exhibitievordering van [X.] en [Y.] maakt deel uit van het formele bewijsrecht. Ten aanzien van het formele bewijsrecht is het eigen recht van de aangezochte rechter (lex fori) van toepassing zodat dit met zich brengt dat op het onderhavige incident de Nederlandse regels van burgerlijke rechtsvordering van toepassing zijn. Daarbij is het niet van belang door welk materieel recht de rechtsbetrekking tussen partijen wordt beheerst.

3.7 Het hof stelt verder voorop dat een vordering op grond van artikel 843a Rv slechts kan worden toegewezen indien aan alle drie in lid 1 van dit artikel gestelde voorwaarden is voldaan: (i) de wederpartij van degene die bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, moet rechtmatig belang hebben bij inzage, afschrift of uittreksel daarvan, (ii) de vordering moet betrekking hebben op bepaalde bescheiden en (iii) de bescheiden moeten een rechtsbetrekking betreffen waarin de wederpartij van degene die ze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, partij is. Verder moet zich, indien de belanghebbende zich daarop beroept, geen van de drie in de leden 3 en 4 vervatte uitzonderingen voordoen.

3.8 De incidentele vordering zoals deze door [X.] en [Y.] is ingesteld, voldoet in ieder geval niet aan het onder (ii) genoemde vereiste aangezien dit vereiste meebrengt dat alleen inzage in bepaalde, met name genoemde althans voldoende concreet omschreven stukken gevraagd kan worden. Daarvan is bij deze vordering geen sprake, zodat deze reeds hierop strandt en in het midden kan blijven of en in hoeverre aan de overige twee vereisten is voldaan en of zich een van de uitzonderingen voordoet.

3.9 Ten aanzien van het (uiterst summiere) beroep van [X.] en [Y.] op het bepaalde in artikel 22 Rv overweegt het hof dat dit artikel zich richt tot de rechter en het partijen geen rechtstreekse aanspraak geeft op het overleggen van stukken. Het hof ziet geen aanleiding om in de huidige fase van de procedure, waarin nog geen memorie van antwoord is genomen, gebruik te maken van zijn in artikel 22 Rv vervatte bevoegdheid.

3.10 De conclusie is dat de incidentele vordering van [X.] en [Y.] niet voor toewijzing in aanmerking komt. Als de in het ongelijk gestelde partij worden zij veroordeeld in de kosten van het incident.

4. De uitspraak

Het hof:

in het incident

wijst de incidentele vordering van [X.] en [Y.] af;

veroordeelt [X.] en [Y.] in de kosten van het incident, tot op deze uitspraak aan de zijde van [Z.] begroot op € 894,= aan salaris advocaat;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 7 juli 2009 voor memorie van antwoord aan de zijde van [Z.].

Dit arrest is gewezen door mrs. Meulenbroek, Keizer en Venhuizen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 mei 2009.