Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BL8900

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-12-2009
Datum publicatie
25-03-2010
Zaaknummer
08/00604
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in de jaren 2001, 2002 en 2003 in haar aangiften een bedrag in aanmerking genomen voor extra gezinshulp. Bij de aangiften zijn telkens bijlagen gevoegd waarbij een opstelling is gegeven van de ziektekosten alsmede een nadere toelichting voor de in aanmerking genomen kosten van de hulp. De aangiften over de jaren 2001 en 2002 zijn zonder nadere controle door de inspecteur conform de aangifte vastgesteld. In hoger beroep is in geschil of in 2003 de kosten van de hulp op grond van het vertrouwensbeginsel in aftrek kunnen worden gebracht. Het hof overweegt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat, afgezien van het volgen van de aangiften gedurende een aantal jaren, belanghebbende anderszins de indruk heeft kunnen krijgen van een weloverwogen standpuntbepaling van de inspecteur. Daarvan is volgens het hof geen sprake. In de toelichting bij de aangiftebiljetten is duidelijk opgenomen dat er geen bijlagen bij de aangifte mogen worden meegestuurd omdat de aangifte geautomatiseerd wordt verwerkt. Belanghebbende wist derhalve, of had behoren te weten, dat de Belastingdienst geen acht zou slaan op toch meegestuurde bijlagen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0803
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00604

Uitspraak op het hoger beroep van

de erven van mevrouw X, overleden op 19 januari 2004 en laatst wonende te Y,

hierna: belanghebbenden,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda van 14 juli 2008, nummer AWB 07/3700 in het geding tussen

belanghebbenden

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbenden is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.185, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbenden zijn van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank Arnhem. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank Arnhem van belanghebbenden een griffierecht geheven van € 39.

Bij aangetekend schrijven van 27 augustus 2007 heeft de Rechtbank Arnhem het beroepschrift (met bijlagen) naar de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) gezonden omdat deze bevoegd is de zaak te behandelen. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak hebben belanghebbenden hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbenden een griffierecht geheven van € 321. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 23 september 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer A, krachtens volmacht vertegenwoordiger van belanghebbenden, vergezeld van zijn broer de heer B en van de gemachtigde de heer C, belastingadviseur te D, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbenden hebben ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van de toelichting bij de buitengewone lasten zoals gevoegd bij de papieren versie van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van mevrouw X (hierna: mevrouw X) over het jaar 2001 en 2002 alsmede van een bladzijde uit de toelichting bij het aangiftebiljet van eveneens het jaar 2001 en 2002.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Mevrouw X, geboren op 26 december 1919, is overleden op 19 januari 2004.

2.2. Tot haar overlijden heeft mevrouw X een huishouding gevoerd met haar zoon B, geboren 15 augustus 1947. De zoon heeft in 2003 een bijstandsuitkering genoten.

2.3. Belanghebbenden hebben voor mevrouw X over het jaar 2003 aangifte inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en wonen van € 12.037. In de aangifte is een bedrag van € 7.148 persoonsgebonden aftrek vermeld. Het bedrag is in de aangifte gespecificeerd als volgt:

Ziekenfondspremie ingehouden 968,00

Ziekenfondspremie CZ-Groep 333,60

Premie Aanvullingsfonds CZ-Groep 37,20

Kruisvereniging/KBO 33,00

Ouderenaftrek 757,00

Dieetkosten i.v.m. hart- en longziekte 561,00

Aftrek chronische ziekte 757,00

Incontinentiekosten 325,00

Dela 58,00

Huisapotheek 46,00

Kostenvervoer 175,00

Kosten hulp 5.019,00

Totaal 9.069,80

Af: drempel 1.922,26

(afgerond) 7.148,00

2.4. In de aangiften inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen over de jaren 2001, 2002 en 2003 ten name van mevrouw X zijn bij de berekening van haar belastbaar inkomen uit werk en woning uitgaven in aanmerking genomen voor extra gezinshulp als uitgave wegens ziekte en invaliditeit in de zin van artikel 6.17 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). In het jaar 2003 betrof deze uitgave blijkens de aangifte een bedrag van € 5.019. In de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 en 2002 is de uitgave voor extra gezinshulp eveneens vermeld als "kosten hulp". Deze aangiften zijn zonder nadere controle door de Inspecteur conform de aangifte vastgesteld. Mevrouw X c.q. belanghebbenden hebben over de jaren 2001, 2002 en 2003 een papieren aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ingediend. Hierbij hebben zij telkens een bijlage gevoegd, voorzien van haar naam en adresgegevens, waarbij onder de vermelding van "Buitengewone lasten" een opstelling is gegeven van de "Uitgaven voor ziekte- ziektekosten en ouderdom e.d". De opstelling is, met uitzondering van de bedragen, steeds (nagenoeg) gelijkluidend als die vermeld onder 2.3.

2.5. Bij de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het onderhavige jaar hebben belanghebbenden bij de uitgaven wegens ziekte en invaliditeit in de zin van artikel 6.17 van de Wet ten aanzien van het onderdeel Kosten hulp als toelichting vermeld:

"Door hartfalen, de longproblemen en de daarbij behorende algehele conditie, en ook daarbij rekeninghoudend met de hoge leeftijd, maken het mij totaal onmogelijk, om zelf het huis te houden, te koken en boodschappen te doen. Ook de hoeveelheid medicijnen en de tijdstippen van innemen daarvan en het op controle gaan bij artsen, specialisten, bloed laten prikken e.d., kan ik niet zelf in de gaten houden, waardoor ik dagelijkse hulp nodig heb. Vandaar dat ik uitermate blij ben,dat mijn zoon (ook noodgedwongen) bij mij inwoont, om mij daarbij te kunnen helpen. Als kosten heb ik mij gehouden aan hetgeen in de Elsevier Belastingalmanak 2003, op blz. 37 en 38 staat aangegeven.".

2.6. Bij haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2002 heeft mevrouw X bij de uitgaven wegens ziekte en invaliditeit in de zin van artikel 6.17 van de Wet ten aanzien van het onderdeel Kosten hulp als toelichting vermeld:

"Door hartfalen, de longproblemen en de daarbij behorende algehele conditie, en ook daarbij rekeninghoudend met de hoge leeftijd, maken het mij onmogelijk, om zelf het huis bij te houden, te koken en boodschappen te doen. Ook de hoeveelheid medicijnen en de tijdstippen van innemen daarvan kan ik niet zelf in de gaten houden. Vandaar, dat ik uitermate blij ben, dat mijn zoon (ook noodgedwongen) bij mij inwoont, om mij daarbij te kunnen helpen. Als kosten heb ik mij gehouden aan hetgeen in Elseviers Belasting Almanak 2003, op blz. 38 staat aangegeven.".

2.7. Bij haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2001 heeft mevrouw X bij de uitgaven wegens ziekte en invaliditeit in de zin van artikel 6.17 van de Wet ten aanzien van het onderdeel Kosten hulp als toelichting vermeld:

"Door hartfalen, de longproblemen en de daarbij behorende algehele conditie met ook de hoge leeftijd, maken het mij onmogelijk om zelf het huis bij te houden, te koken en boodschappen te doen. Ook de hoeveelheid te nemen medicijnen en de tijdstippen van innemen kan ik niet zelf in de gaten houden. Vandaar dat ik uitermate blij ben, dat mijn zoon (ook noodgedwongen) bij mij inwoont, om mij daarbij te kunnen helpen. Als kosten heb ik mij gehouden aan hetgeen in Elseviers Belasting Almanak 2002 op blz. 43 punt 3 staat aangegeven.".

2.8. In de door de Belastingdienst verstrekte toelichting bij het papieren aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 staat onder meer vermeld:

"Geen bijlagen meesturen

De Belastingdienst verwerkt uw aangifte geautomatiseerd. Hecht de aangiftebladen daarom niet aan elkaar of aan het voorblad. Stuur geen bijlagen mee met de aangifte. Deze kan de Belastingdienst niet verwerken.".

2.9. In de door de Belastingdienst verstrekte toelichting bij het papieren aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 staat onder meer vermeld:

"Geen bijlagen meesturen

De Belastingdienst verwerkt uw aangifte geautomatiseerd. Stuur daarom geen bijlagen mee met uw aangifte en hecht de aangiftebladen niet aan elkaar of aan het voorblad.".

2.10. In de door de Belastingdienst verstrekte toelichting bij het papieren aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 staat onder meer vermeld:

"Geen eigen bijlagen meesturen

De Belastingdienst verwerkt uw aangifte geautomatiseerd. Stuur daarom geen (eigen) bijlagen mee met uw aangifte en hecht de aangiftebladen niet aan elkaar of aan het voorblad.".

2.11. Belanghebbenden hebben voor mevrouw X voor het jaar 2003 aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen van werk en woning van € 12.037. De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling ter zake van de onder 2.3 vermelde specificatie van de persoonsgebonden aftrek de "Aftrek chronische ziekte" van € 757 en de "Kosten hulp" van € 5.019 niet in aftrek toegelaten. Als gevolg daarvan is ook de drempel voor de aftrek ziektekosten te laag berekend. De persoonsgebonden aftrek is daardoor met een bedrag van in totaal € 6.002 gecorrigeerd. De Inspecteur heeft vervolgens de aanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.039.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft de Inspecteur tijdig beslist op het bezwaarschrift?

2. Dienen de "kosten hulp" ten bedrage van € 5.019 bij de persoonsgebonden aftrek in aanmerking te worden genomen op grond van in rechte te honoreren door de Inspecteur opgewekt vertrouwen.

Belanghebbenden zijn van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.037. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

De eerste in geschil zijnde vraag

4.1. Belanghebbenden stellen dat de Inspecteur niet tijdig heeft beslist op het bezwaarschrift, omdat hij de termijn genoemd in artikel 7:10 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft overschreden. Artikel 7:10, eerste lid, Awb luidt als volgt:

Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.

4.2. Artikel 25, eerste tot en met derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) luidt als volgt:

In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doet de inspecteur binnen een jaar na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak daarop.

2. In afwijking van artikel 7:10, derde lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht kan de inspecteur met schriftelijke toestemming van Onze Minister de uitspraak voor ten hoogste een jaar verdagen.

3. Het verstrijken van de in het eerste en het tweede lid genoemde termijn ontheft de inspecteur niet van zijn verplichting om uitspraak te doen.

4.3. Belanghebbenden klagen er over dat de Inspecteur niet binnen 10 weken na ontvangst van het bezwaarschrift op het bezwaarschrift heeft beslist. Nu in het onderhavige geval geen sprake is van een commissie in de zin van artikel 7:10, eerste lid Awb dient, naar het oordeel van het Hof, de eerste grief van belanghebbende aldus te worden verstaan dat de Inspecteur ten onrechte niet binnen 6 weken uitspraak heeft gedaan.

4.4. Belanghebbenden zien hierbij het in 4.2. vermelde artikel 25, eerste tot en met derde lid, van de Awr over het hoofd. Nu vast staat dat de uitspraak van het op 8 november 2006 door de Inspecteur ontvangen bezwaarschrift is gedagtekend op 14 juni 2007, dient de eerste grief van belanghebbenden te worden verworpen.

De tweede in geschil zijnde vraag

4.5. Belanghebbenden hebben gesteld dat, gelet op de verstrekte toelichting bij de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van mevrouw X over het jaar 2002 en 2001, zoals hiervoor vermeld in respectievelijk 2.6 en 2.7, alsmede het gegeven dat de Inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning over het betreffende jaar overeenkomstig de aangifte heeft vastgesteld, ervan mocht worden uitgegaan dat de Inspecteur ter zake van de "Kosten hulp" - naar het Hof verstaat - bewust een standpunt heeft ingenomen. Belanghebbenden mochten - naar zij stellen - hieraan het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat deze aftrekpost in het jaar 2003 eveneens zou worden geaccepteerd.

4.6. De Inspecteur heeft de stelling dat door hem vertrouwen zou zijn gewekt, weersproken. Hij stelt dat de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 en 2002 niet inhoudelijk zijn beoordeeld, doch geautomatiseerd zijn afgedaan. Van een bewuste standpuntbepaling is, gelet op het feit dat de aangiften niet inhoudelijk zijn beoordeeld, geen sprake. De Inspecteur wees in deze eveneens op de toelichting bij deze aangiften zoals vermeld onder 2.9 en 2.10. Hieruit is naar zijn mening duidelijk kenbaar dat naar de bijlage(n) bij de aangifte niet wordt gekeken omdat de aangifte geautomatiseerd wordt verwerkt. Ter zitting heeft de Inspecteur desgevraagd aangegeven dat de "Kosten hulp" wel uitdrukkelijk en gemotiveerd op de bijlage bij de aangifte over deze jaren zijn vermeld. Bij een inhoudelijke beoordeling van deze aangiften zou het - naar hij stelt - direct duidelijk zijn geweest dat de "Kosten hulp" niet als uitgaven voor extra gezinshulp in de zin van artikel 6.18, lid 5 van de Wet kwalificeren. De aftrek was, volgens de Inspecteur, alsdan gecorrigeerd.

4.7. Het Hof overweegt dat voor een beroep op het vertrouwensbeginsel in de onderhavige situatie is vereist dat, afgezien van het volgen van de aangiften gedurende een aantal jaren, belanghebbende anderszins de indruk heeft kunnen krijgen van een weloverwogen standpuntbepaling van de Inspecteur. Voor de beantwoording van de vraag of aan dit vereiste is voldaan, acht het Hof van belang dat de door de Belastingdienst verstrekte toelichtingen bij de aangiftebiljetten zoals vermeld in 2.9 en 2.10 een duidelijke instructie bevatten geen bijlagen bij de aangiften mee te sturen omdat de Belastingdienst de aangifte geautomatiseerd verwerkt. Het Hof is van oordeel dat deze instructie niet anders begrepen kan worden dan dat de Belastingdienst bij het verwerken van de aangifte alsmede bij het vervolgens vaststellen van de aanslag geen acht slaat op bijlagen die eventueel toch met de papieren aangifte zijn meegestuurd. Het Hof gaat er daarbij van uit dat belastingplichtigen die aangifte doen, kennis nemen dan wel behoren kennis te nemen van de toelichting bij het aangiftebiljet. In het onderhavige geval is dit feitelijk ook het geval. Ter zitting bleek desgevraagd dat de heer B, die ten behoeve van zijn moeder mevrouw X c.q. belanghebbenden de aangifte inkomstenbelasting/premieheffing voor de jaren 2001 tot en met 2003 heeft ingevuld en ingediend, met deze omstandigheid bekend was. Het Hof merkt op dat deze kennis aan belanghebbenden moet worden toegerekend.

4.8. Gelet op het in 4.7 overwogene komt het Hof tot de slotsom dat door de instructie in de aangiftebiljetten over de jaren 2001 en 2002 geen bijlagen mee te zenden omdat deze niet verwerkt konden worden alsmede het enkele feit dat de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2001 en 2002 van mevrouw X zijn gevolgd, bij belanghebbenden niet de indruk hebben kunnen wekken dat de vaststelling van de aanslag in overeenstemming met de aangifte van het betreffende jaar, berustte op een weloverwogen standpuntbepaling van de Inspecteur. Het Hof verwerpt het beroep op het vertrouwensbeginsel.

4.9. Het gelijk ten aanzien van beide in geschil zijnde vragen is aan de Inspecteur. Het hoger beroep is ongegrond.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbenden het door hen betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond,

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 18 december 2009 door J.W.J. Huige, voorzitter, W.van Nispen tot Sevenaer en R.H. Happé, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.