Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BL5471

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-11-2009
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
08/00716
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft koeriersdiensten verricht via een Stichting die door de Inspecteur als "transparant" is aangemerkt; de aan de Stichting betaalde vergoedingen zijn door de Inspecteur als inkomen belast bij belanghebbende. Het Hof oordeelt , aan de hand van de administratie, dat er geen sprake is van een bron van inkomen en dat derhalve de aan de Stichting betaalde bedragen niet als inkomen bij belanghebbende kunnen worden belast. Het hoger beroep van de Inspecteur wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 2464
V-N 2010/28.16

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00716

Uitspraak op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z, van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 16 oktober 2008, nummer AWB 08/1098, in het geding tussen

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

en

de Inspecteur

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.009, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.156, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 483 en gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof.

1.4. Belanghebbende heeft kort voor de zitting per fax om aanhouding gevraagd.

1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 16 oktober 2009 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.7. Belanghebbende heeft aan het begin van de zitting ingestemd met opening van het onderzoek ter zitting en aan het einde van de zitting ermee ingestemd, dat het Hof de zaak niet aanhoudt, maar uitspraak doet.

1.8. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

De Rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

'2.1. Belanghebbende heeft voor het jaar 2005 een aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.156. Bij het vaststellen van de aanslag is de inspecteur afgeweken van de aangifte. De inspecteur heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat belanghebbende een vergoeding heeft genoten van A (hierna: A), welke vergoeding als resultaat uit overige werkzaamheden dient te worden aangemerkt. Om die reden heeft de inspecteur het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning verhoogd met € 7.853.

2.2. Bij brief van 20 november 2007, binnengekomen bij de inspecteur op 26 november 2007, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen voornoemde aanslag. De inspecteur heeft bij de bestreden uitspraak het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

2.3. Op 29 februari 2008 heeft de inspecteur, omdat bij het het vaststellen van de aanslag verzuimd was de autokosten op de vergoeding in mindering te brengen, de aanslag ambtshalve verminderd tot een berekend naar belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.936.

2.4. Belanghebbende heeft per brief, binnengekomen bij de rechtbank op 27 februari 2008, beroep ingesteld tegen de uitspraak.".

In aanvulling daarop stelt het Hof de volgende feiten vast:

2.5. Met betrekking tot het bedrag van de oorspronkelijk op het aangegeven inkomen aangebrachte correctie heeft de Inspecteur ter zitting van het Hof bevestigd, dat het Hof mag uitgaan van het door A aan Stichting B (hierna: de Stichting) vergoede bedrag van € 7.528, in plaats van € 7.853. Een verlaging derhalve van € 325.

2.6. A heeft blijkens een tot de gedingstukken behorende verklaring van 5 maart 2008 de opdracht voor het verrichten van koerierswerkzaamheden verstrekt aan de Stichting. Belanghebbende heeft in 2005 de aan de Stichting opgedragen koerierswerkzaamheden (hierna: de werkzaamheden) verricht. De vergoeding voor die werkzaamheden is door A rechtstreeks betaald aan de Stichting door overmaking naar een rekeningnummer van de Stichting. Partijen duiden deze vergoeding aan als 'de kilometervergoeding'.

2.7. Blijkens productie 2 bij het verweerschrift in hoger beroep heeft de Stichting over 2005 een negatief resultaat van € 1.945,95 behaald. De Stichting bezit een auto, welke gefinancierd is met een geldlening van belanghebbende.

Haar baten bestaan niet alleen uit de kilometervergoedingen van A. Belanghebbende heeft ook andere aan de Stichting tegen vergoeding opgedragen koerierswerkzaamheden verricht.

De kosten van de Stichting bestaan niet alleen uit rente en autokosten, maar ook uit andere kosten zoals bureaukosten.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Kan de door A aan de Stichting betaalde vergoeding van € 7.528 bij belanghebbende worden belast?

Belanghebbende is van mening, dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van de Inspecteur. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de aanslag.

4. Gronden

4.1. Bij de onder 1.4 omschreven fax heeft belanghebbende verzocht om uitstel van de zitting van 16 oktober 2009. Het Hof heeft in hetgeen verzoeker aanvoert geen reden gevonden de zitting uit te stellen. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard geen bezwaar te hebben tegen aanvang van de behandeling van de zaak. Aan het einde van de zitting heeft belanghebbende er mee ingestemd het onderzoek te sluiten en uitspraak te doen.

4.2. Belanghebbende heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep gesteld, dat de vergoeding voor de werkzaamheden niet eens de werkelijke kosten van de Stichting dekt.

Hij heeft ter zitting van het Hof geconcludeerd, dat zelfs indien de door A aan de Stichting betaalde vergoeding als door belanghebbende genoten kan worden aangemerkt, er voor belanghebbende ter zake geen sprake is van een bron van inkomen.

De Inspecteur, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft ter zitting daarop gereageerd met de stelling, dat er wel een bron van inkomen voor belanghebbende is, wanneer van de fiscale forfaits - dat wil zeggen in 2005 van 18 cent per kilometer - wordt uitgegaan.

4.3. Het Hof is van oordeel, dat voor de vraag of de door belanghebbende verrichte werkzaamheden een bron van inkomen vormen (hierna: de bronvraag) niet met de fiscale forfaits moet worden gerekend, doch met de werkelijke opbrengsten en kosten, daaronder begrepen de per saldo betaalde BTW.

4.4. Ter zitting zijn de cijfers vanuit verschillende gezichtshoeken benaderd. Partijen konden over de bronvraag geen overeenstemming bereiken.

Desgevraagd hebben partijen er vervolgens ter zitting mee ingestemd, dat het Hof het geschil over de bronvraag beslist.

Na aanvankelijk bedenkingen te hebben geuit tegen de door belanghebbende als productie 2 bij het verweerschrift in hoger beroep overgelegde administratie van de Stichting over het jaar 2005 (hierna: de administratie), heeft de Inspecteur ermee ingestemd, dat het Hof bij het beantwoorden van de bronvraag van de administratie uitgaat.

4.5. Het Hof is, gezien die administratie, van oordeel dat de werkzaamheden, die belanghebbende in het onderhavige jaar voor de Stichting heeft verricht, in dat jaar geen bron van inkomen konden vormen. Volgens de administratie leed de Stichting in 2005 immers per saldo een verlies van € 1.945,95. Hoewel de Inspecteur kan worden toegegeven, dat van bepaalde kosten niet op het eerste gezicht duidelijk is of deze toerekenbaar zijn aan de door de Stichting van A (en van andere opdrachtgevers) ontvangen vergoeding, is de omvang van die kosten naar het oordeel van het Hof niet zodanig, dat zij kan leiden tot een bevestigende beantwoording van de bronvraag. Uitgaande van de administratie zijn er naar het oordeel van het Hof nauwelijks uitgaven te vinden, die niet kunnen worden toegerekend aan de opbrengstgevende werkzaamheden.

4.6. In het midden kan derhalve blijven of de Stichting als fiscaal "transparant" moet worden behandeld - zoals de Inspecteur heeft gesteld - nu de werkzaamheden naar het oordeel van het Hof hoe dan ook geen bron vormen.

4.7. Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 447.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8. Het Hof vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van een verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1,5). Nu belanghebbende procedeert op basis van een toevoeging, wordt ingevolge artikel 8:75, lid 2, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht het bedrag van de kosten betaald aan de griffier van het Hof. De kostenvergoeding wordt dan door de griffier overgemaakt op de rekening van de gemachtigde.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

- bepaalt dat door tussenkomst van de griffier van de Inspecteur ter zake van het door hem ingestelde hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 447;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 966; en

- wijst de Inspecteur aan als degene die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 20 november 2009 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en A.C.J. Viersen, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.