Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BL1040

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
HD 200.005.573
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging convenant. Ingangsdatum vervaltermijn art. 3:200 BW. Dreiging met zelfmoord maanden vóór de ondertekening leidt niet tot dwaling of misbruik van omstandigheden. Aanvaarding ten eigen bate en schade. Benadeling voor meer dan een kwart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2010, 49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknr. HD 200.005.573

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 22 december 2009,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 18 februari 2008, verder te noemen: de man,

advocaat: mr. R.J.H. van den Dungen,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. B.M. Lips,

op het hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch onder zaak- en rolnummer 161232/HA ZA 07-1310 gewezen vonnis van 23 januari 2008 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het comparitievonnis van 5 september 2007.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft de man 15 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans tot afwijzing van daarvan, kosten rechtens.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten door hun advocaat. Zij hebben gepleit aan de hand van pleitnota’s. Deze zijn overgelegd. Voorafgaande aan het pleidooi heeft de advocaat van de man, bij brief van 28 september 2009, nog 6 producties in geding gebracht.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven en de toelichting verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om de financiële afwikkeling van het op 3 januari 1986 in algehele gemeenschap van goederen gesloten huwelijk van partijen.

4.1.1. Dit huwelijk is op 7 juni 2004 omgezet in een geregistreerd partnerschap dat vervolgens is beëindigd. Partijen hebben bij op 8 en 15 juli 2004 notarieel verleden akte doen opmaken waarin onder meer alimentatie-afspraken en de boedelverdeling zijn neergelegd.

4.1.2. In het onderhavige geding vordert de vrouw de aktes (gedeeltelijk) te vernietigen, althans te wijzigen, althans haar werking te ontzeggen en de veroordeling van de man om aan de vrouw een in goede justitie te bepalen uitkering in geld.

4.1.3. De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van aktes en daarbij bepaald dat van het vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen.

4.2. Grief 1

4.2.1. In deze grief keert de man zich tegen het oordeel van de rechtbank om de vrouw ontvankelijk te verklaren en zijn beroep op de vervaltermijn van artikel 3:200 BW af te wijzen. De man stelt daartoe dat op 23 juni 2004 de onderhandelingen tussen partijen, die werden gevoerd onder leiding van de heer [Z.], waren geëindigd, omdat op die datum de laatste bespreking plaatsvond, zodat op het moment van de inleidende dagvaarding, die op 27 juni 2007 hem werd betekend, de vervaltermijn van drie jaren was verstreken.

4.2.2. Naar het oordeel van het hof faalt de grief. De termijn waarop de termijn van art. 3:200 BW gaat lopen is het tijdstip waarop partijen overeenstemming hebben bereikt over de door hen te sluiten overeenkomst van verdeling (en niet die van de levering/het notarieel transport). Maar daartoe is, anders dan de man meent, niet voldoende dat partijen, zoals hier, de (mondelinge) onderhandelingen hebben afgesloten over de inhoud van de te sluiten overeenkomst. Als tijdstip voor het aangaan van een overeenkomst geldt het tijdstip waarop partijen verklaren zich te verbinden aan het onderhandelings- resultaat, althans het tijdstip waarop uit de gedragingen en verklaringen van partijen kan worden afgeleid dat zij zich hebben verbonden (art. 3:35 BW). Partijen hebben op 24 juni 2004 de onderhandelingen niet afgesloten met een bindende afspraak. Toen is afgesproken dat de overeenkomst nog kan worden aangepast. Dat is ook gebeurd. Dit blijkt onder meer uit de e-mail van 1 juli 2004 van de heer [Z.], onder wiens leiding de onderhandelingen werden gevoerd. Ook op die dag is nog met partijen over de inhoud van de afspraken gesproken. Het ging daarbij niet om geringe tekstuele aanpassingen maar om essentiële afspraken zoals de hoogte van de uitkering door de man aan de vrouw; die uitkering is verhoogd van € 10.000,- naar € 15.000,-.

Naar het oordeel van het hof ligt het tijdstip van het aangaan van de verdeling ná 27 juni 2004, namelijk op 1 of 8 juli 2004 (ten tijde van het verlijden van de oudste akte). Eerst toen waren de afspraken verwoord en hier en daar, maar op essentiële punten, aangepast. Partijen hebben zich eerst toen definitief verbonden.

4.3. Grief 2

4.3.1. In deze grief stelt de man dat de vordering van de vrouw te onbepaald is, omdat niet wordt aangegeven hoe en naar welke maatstaven de rechter dient te beoordelen of er sprake is van een oneerlijke verdeling, zodat zij niet kan worden ontvangen.

4.3.2. De grief faalt. De vordering is voldoende bepaald. De vrouw heeft zich beroepen op bedreiging en misbruik van omstandigheden alsmede op benadeling voor meer dan een kwart. Daarmee zijn toereikende maatstaven gegeven. Bovendien zijn voldoende feiten gesteld.

4.4. De grieven 3 tot en met 8

4.4.1. In deze grieven beklaagt de man zich erover dat de rechtbank zijn verweren ontleend aan de passage (onder ‘overige bepalingen’ onder 2 en 3) van de akte van levering van 15 juli 2004 heeft verworpen. De man beroept zich op de aanvaarding ten eigen bate en schade, op de verleende kwijting, de uitsluiting van de ontbinding en bevoegdheid vernietiging van de verdeling te vorderen. Hij keert zich tevens tegen het oordeel van de rechtbank dat zijn beroep op de aanvaarding ten eigen bate of schade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.4.2. Naar het oordeel van het hof faalt het beroep op de aanvaarding ten eigen bate en schade. Tussen partijen is ten tijde van de verdeling niet onder ogen gezien dat sprake zou kunnen zijn van benadeling van de één ten koste van de ander, laat staan dat zij wisten in welke orde van grootte deze bate of schade zou zijn. Er viel dan ook niets te aanvaarden en er kan dan ook thans geen beroep op worden gedaan dat de vrouw benadeling heeft aanvaard. Hetzelfde geldt voor de kwijting. Niet blijkt dat partijen met deze kennelijk door de notaris geformuleerde zinnen enige bedoeling hadden, waarop thans een beroep kan worden gedaan.

4.4.3. Het beroep op de uitsluiting van de ontbinding van de overeenkomst stuit reeds af op het feit dat de vrouw geen ontbinding vordert. Het beroep op de afstand van de bevoegdheid vernietiging van de verdeling en levering te vorderen faalt omdat de vrouw deze vernietiging kennelijk niet nastreeft. Zij verlangt een nadeelcompensatie.

4.5. De grieven 9 tot en met 15

4.5.1. In deze grieven keert de man zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de verdeling tot stand is gekomen onder invloed van een wilsgebrek, namelijk bedreiging, en die verdeling deswege vernietigbaar is.

4.5.2. Het gaat hier om een incident dat zich heeft voorgedaan in maart 2004, kort nadat de man ervan in kennis was gesteld dat de vrouw een andere partner had en echtscheiding nastreefde. De man heeft tijdens een emotionele woordenwisseling een stuk touw om zijn nek gebonden, gedaan of hij zelfmoord zou plegen en geroepen dat het leven weinig zin had. De vrouw heeft gesteld dat de verdeling zonder de bedreiging niet, althans niet met dezelfde inhoud, tot stand zou zijn gekomen. De rechtbank heeft de vrouw hierin gevolgd en de betwisting van de man afgewezen.

4.5.3. Naar het oordeel van het hof slagen de grieven. Een incident als hier aan de orde zal ongetwijfeld van invloed zijn geweest op de wijze waarop partijen nadien tegenover elkaar stonden, maar om aan te nemen dat sprake is van een vernietigbare overeenkomst van verdeling is zulks onvoldoende, mede in het licht van de overige omstandigheden van het geval. Het hof neemt eerst in aanmerking dat in het kader van echtscheidingsruzies het tussen de echtelieden wel vaker heftig toegaat. Vaak zullen partijen na enige tijd daarvan afstand kunnen nemen en vrije onderhandelingen kunnen voeren. Dat dit hier anders zou zijn, is onvoldoende gebleken. Door de vrouw wordt enkel gewezen op het onderhandelingsresultaat. Maar teleurstelling in dit resultaat achteraf is onvoldoende voor het aannemen van het causaal verband tussen een eventuele benadeling en het incident. Partijen hebben na het incident intensieve onderhandelingen onder leiding van de heer [Z.] gevoerd en de verdeling zelf is op twee afzonderlijke dagen, vier maanden later, bij de notaris aan de orde geweest. Dat de vrouw toen nog zodanig onder invloed van het incident was dat zij niet vrijelijk haar wil heeft kunnen opmaken blijkt niet, en is kennelijk de betrokkenen niet opgevallen. Onder die omstandigheden kan de vrouw zich niet beroepen op het ontbreken van haar wil. Noch de heer [Z.] noch de transporterende notaris hebben verklaringen van dien aard afgelegd. Een psychologische rapport dat de gemoedtoestand van de vrouw bevestigt, is niet overgelegd.

Dat de vrouw de gevolgen van de gemaakte afspraken niet heeft overzien, zoals zij stelt, is mogelijk, maar het hof acht niet aannemelijk dat zulks een gevolg is geweest van de druk die is uitgegaan van het incident.

Daarbij komt dat het touwincident, volgens de man, tot doel had de vrouw te bewegen hem niet te verlaten. Weliswaar stelt de vrouw, daarentegen, dat het incident tot doel had de man over te bedelen, maar dat die stelling juist is, blijkt niet. Daarvoor is ook geen bewijs te vinden.

De conclusie is dan dat het hof een wilsgebrek, in het bijzonder bedreiging in de zin van art. 3:44 BW niet aanwezig acht, en op dezelfde gronden geldt dit ook voor misbruik van omstandigheden.

4.6. Benadeling voor meer dan een kwart

4.6.1. Ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep dient het hof thans de stellingen van de vrouw gegrond op art. 3:196 BW, benadeling voor meer dan kwart, te onderzoeken. Hoewel dit deel van de vordering van de vrouw nog ontoereikend is ontwikkeld en nog onbehandeld is gebleven bij de rechtbank zal het hof toch enige overwegingen hieraan wijden. Het gaat hierbij om voorlopige oordelen. Partijen worden uitgenodigd hun stellingen aan te passen en te preciseren. Het hof overweegt de zaak aan zich te houden overeenkomstig art. 356 Rv.

4.6.2. Het hof neemt eerst in aanmerking dat de in 2004 tussen partijen getroffen regeling meer omvat dan alleen een verdeling. Alle financiële aspecten van de regeling dienen in beginsel in aanmerking te worden genomen bij de vraag of sprake is van de betreffende benadeling (Hof Den Bosch 18 november 2003, LJN AO0346 en NJF 2004/200), ook de alimentatieafspraken.

4.6.3. Ten aanzien van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie zijn partijen de betaling van een eenmalig bedrag van € 15.000,- overeengekomen. Het was evenwel aanstonds duidelijk dat de vrouw bij haar nieuwe partner zou intrekken en met hem zou gaan leven als waren zij gehuwd. Tegen deze achtergrond had de vrouw geen aanspraak op alimentatie. Het hof neemt aan dat dit bedrag moet worden aangemerkt als een overbedelingsuitkering (zo is de uitkering ook aangemerkt in de notariële akte van 15 juli 2004).

4.6.4. De voormalige echtelijke woning en de daarop rustende hypotheek zijn toebedeeld aan de man. De vrouw stelt de waarde van de woning op € 302.500,- en die van de hypotheek op € 49.915,-. Het verschil is € 252.585,-.

Ten aanzien van dit bedrag aan overwaarde zijn partijen overeengekomen dat de man daarvan aan ieder van de drie kinderen een bedrag van € 50.000,- (dus in totaal € 150.000,-) dient uit te keren op het moment hij de voormalige echtelijke woning vervreemdt. Anders dan de man in punt 40 van de memorie van grieven stelt, gaat het niet om een bedrag dat door de vrouw aan de kinderen wordt geschonken, maar om een schenking van beide partijen. De vrouw heeft aldus uit de gemeenschap een bedrag van € 75.000,- ontvangen, dat zij vervolgens bij de man heeft gelaten om te zijner tijd aan de kinderen ter beschikking te stellen. Mogelijk dient dit bedrag deswege te worden gekapitaliseerd.

4.6.5. Ter zake van de kosten van levensonderhoud voor de drie kinderen zijn partijen overeengekomen dat de man die voor zijn rekening zou nemen. De kinderen zijn geboren op [geboortedatum] 1989, [geboortedatum] 1990 en [geboortedatum] 1993. Volgens de vrouw zijn partijen overeengekomen dat deze kosten dienen te worden voldaan totdat het betreffende kind 21 jaar wordt. Vanaf begin juli 2004 resulteert dit voor de drie kinderen samen in totaal bijna 300 maanden te verschaffen levensonderhoud. In aanmerking nemende dat partijen in een later gevoerde procedure tot vaststelling van de kinderalimentatie zijn uitgegaan van € 180,- per maand per kind, laten deze kosten zich schatten op ongeveer het door de man en de vrouw genoemde bedrag van € 50.000,-. Het betreft hier evenwel niet een schuld van de man (aan de kinderen) waarmee rekening moet worden gehouden bij de vraag of sprake is van benadeling voor meer dan een kwart. Het betreft hier immers een verplichting van de man jegens de kinderen voor de periode ná de ontbinding van het huwelijk die niet ten laste gaat van de boedel, maar ten laste van zijn draagkracht ná de ontbinding van het huwelijk.

4.6.6. Partijen hebben onder IV van de akte van 8 juli 2004 bepaald te zijn overeengekomen, op grond van het feit dat de man deze kosten van levensonderhoud van de kinderen voor zijn rekening neemt, dat de vrouw geen recht heeft op een uitkering wegens overbedeling ter zake van het woonhuis.

Kennelijk hebben partijen onder ogen gezien dat ook de vrouw verplicht is bij te dragen in de kosten van de kinderen. In deze bepaling ligt dan besloten dat de vrouw zich uit de gemeenschap heeft laten uitkeren het aan haar toe te rekenen deel aan levensonderhoud voor de kinderen. Dit bedrag heeft zij vervolgens bij de man gelaten zodat hij daarmee haar deel van de kosten voor levensonderhoud van de kinderen kan voldoen. Over de hoogte van dit deel valt thans nog geen schatting te maken.

4.6.7. Voorts is in de notariële akte van 8 juli 2004 sprake van inboedel, die aan de man wordt toebedeeld, de verdeling van gemeenschappelijke bank- en of girorekeningen en de auto, die aan de vrouw wordt toebedeeld. De waarden daarvan zijn niet af te leiden uit de gedingstukken.

4.6.8. De rechtbank heeft het in het vonnis waarvan beroep nog over de posten levensverzekering en spaarloon. De post spaarloon is evenwel niet opgenomen in de verdelingsakte, zodat die post valt buiten de beoordeling van de vraag of de vrouw in de akte wordt benadeeld voor meer dan een kwart. Het gaat hier om een nog onverdeelde boedelbestanddeel. Met betrekking tot de post levensverzekering en de waarde daarvan beschikt het hof niet over informatie.

4.6.9. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen op een en ander te reageren en aanvullende informatie te geven. De vrouw kan een akte nemen, de man een antwoordakte. Beide partijen dienen een cijfermatige en onderbouwde berekening te geven waaruit aanstonds kan worden afgeleid of er benadeling met meer dan een kwart heeft plaatsgevonden en, bij positieve beantwoording, tot welk beloop. Als zou blijken dat de vrouw voor meer dan een kwart is benadeeld, dan heeft de vrouw recht op nadeelcompensatie op de voet van de art. 3:197 of 3:198. het hof ziet voorshands geen aanleiding tot vernietiging, temeer niet nu in de afspraken een derdenbeding ten gunste van de kinderen staat opgenomen.

4.6.10. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 12 januari 2009 voor het nemen van een akte aan de zijde van de vrouw; de man kan een antwoordakte nemen.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Mellema-Kranenburg en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 22 december 2009.