Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BL1031

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-12-2009
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
HD 103.005.172
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BQ8105, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ8105
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boedelverdeling. Een vordering tot toekenning van wettelijke rente kan niet worden geconverteerd in een vordering tot toekenning van een gebruiksvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknr. HD 103.005.172

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 8 december 2009,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 13 juni 2007,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.J.P.J.M. Kneepkens,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.J. Geuze,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Breda onder zaak-/rolnummer 132872/HA ZA 04-858 gewezen vonnissen van 4 augustus 2004, 11 oktober 2006 en van 21 maart 2007 tussen de vrouw als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven met producties heeft de vrouw vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van vier in het petitum van de memorie van grieven nader omschreven vorderingen.

2.2. Bij memorie van antwoord met producties heeft de man de grieven bestre¬den.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om een viertal aspecten van de financiële afwikkeling van het huwelijk van partijen dat op 3 oktober 2003 is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in het daartoe bestemde register. Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Partijen zijn overeengekomen dat als peildatum voor de verdeling zal worden uitgegaan van 1 januari 2002 (rov. 4.2 vonnis 11 oktober 2006).

4.2. Grief 1

4.2.1. Deze grief heeft betrekking op de afwijzing door de rechtbank, in rov. 4.7 van het tussenvonnis van 11 oktober 2006, van de vordering van de vrouw om aan de veroordeling tot afgifte van aan de vrouw toebedeelde zaken een dwangsom te verbinden.

4.2.2. In de vonnissen van 11 oktober 2006 en 21 maart 2007 zijn aan de vrouw toebedeeld ‘de zaken op de lijst van 6 maart 2005, alsmede de poëzie-albums, de Swarowski-beeldjes, het tennisracket, de vogelverschrikker en de foto van haar vader’.

4.2.3. De vrouw voert aan dat het haar niet gelukt is, ook niet via haar advocaat, om met de man een afspraak te maken. De man heeft zich bereid verklaard de zaken af te geven en stelt daartoe ‘al jaren zijn uiterste best’ te hebben gedaan. De man betwist uitgenodigd te zijn voor het maken van een afspraak.

4.2.4. Naar het oordeel van het hof is hier geen plaats voor het opleggen van een dwangsom. Gelet op de uitdrukkelijk uitgesproken bereidheid van de man, verwoord door zijn advocaat, en in aanmerking nemende dat de advocaten van partijen onderling wel in staat zijn, althans moeten worden geacht te zijn, afspraken te maken die tot resultaat zal leiden, bestaat er geen noodzaak voor het opleggen van een dwangsom.

4.2.5. De grief faalt.

4.3. Grief 2

4.3.1. In de tweede grief beklaagt de vrouw zich erover dat de rechtbank de gemeenschappelijke stacaravan aan de man heeft toebedeeld. Zij voert daartoe aan dat hem de toercaravan ook al was toebedeeld en dat het onevenwichtig is hem twee caravans toe te delen.

4.3.2. De rechtbank heeft in de rov. 4.8 en 4.9 van het vonnis van 1 oktober 2006 meer gewicht toegekend aan de stellingen van de man, namelijk dat hij de stacaravan had gebouwd en dat hij daarin de vakanties doorbrengt, dan aan het door de vrouw gestelde emotionele belang.

4.3.3. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de stacaravan op de aangevoerde gronden aan de man moet worden toebedeeld. Daar komt thans nog bij dat de man sinds het feitelijk uiteengaan van partijen in januari 2002 steeds het uitsluitende gebruik heeft gehad van deze caravan. Het hof ziet geen aanleiding om zeven jaar nadien in deze feitelijke situatie wijziging te brengen.

4.3.4. De grief faalt.

4.4. Grief 3

4.4.1. Deze grief heeft betrekking op de wettelijke rente. In het vonnis van 21 maart 2007 heeft de rechtbank de man veroordeeld aan de vrouw € 71.336,- te betalen. De vrouw heeft wettelijk rente gevorderd vanaf 1 januari 2002. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen op de grond dat de man niet in verzuim is.

4.4.2. Het oordeel van de rechtbank is juist. Dit is vaste rechtspraak, zie laatstelijk HR 15 februari 2008, NJ 2008/108. Het hof wijst erop dat vóór de verdeling – die wordt gedateerd op de datum van het eindvonnis; de peildatum heeft betrekking op de omvang en de waarde van de te verdelen zaken – er nog geen geldvordering bestond. Het beroep van de vrouw op artikel 6:83 BW gaat derhalve niet op.

4.4.3. Het hof merkt wel nog het volgende op. In situaties als de onderhavige kan over de periode voorafgaande aan de verdeling een gebruiksvergoeding worden gevorderd, welke vergoeding in de regel wordt gesteld op 4% van de helft van de overwaarde, een percentage dat overeenkomt met het door de fiscus redelijk geachte rendement van Box III en met het percentage van de wettelijke rente zoals dat thans geldt (vgl. HR 23 november 2007, NJ 2007/624).

Een vordering van die aard is door de vrouw niet ingesteld. De redelijkheid en billijkheid, waarop de vrouw zich beroept, brengen niet mee dat haar vordering tot toekenning van wettelijke rente over de periode van 1 januari 2002 tot die van het eindvonnis, 21 maart 2007, kan worden geconverteerd in een vordering tot vergoeding van de gebruiksvergoeding. Overigens zou de vordering tot betaling van zodanige vergoeding over de periode voorafgaande aan de ontbinding van het huwelijk, hier: 3 oktober 2003, niet toewijsbaar zijn.

4.5. Grief 4

4.5.1. Deze grief heeft betrekking op de vordering van de man met betrekking tot de belastingaanslagen, namelijk tot verdeling van de aanslag over 2001 van € 14.367,-, later verminderd tot € 13.352,-. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.

4.5.2. De rechtbank heeft haar beslissing gegrond op de brief met bijlagen van het administratiekantoor [Z.] van 12 december 2006. Daarin staat onder meer:

Hieruit kan geconcludeerd worden dat per 31 december 2001 het openstaande bedrag aan aanslagen € 7.747 bedroeg. Na 31 december 2001 zijn er over de periode van voor deze datum nog een aantal aanslagen opgelegd voor een totaal bedrag van € 5.605. (…)

Het totale bedrag van de boedel over de periode t/m 2001 bedraagt hierdoor € 13.352.

4.5.3. De vrouw voert aan dat zij uit de bedoelde brief heeft opgemaakt dat het bedrag van

€ 14.367,- is teruggebracht tot nihil. Het hof kan deze, verder niet onderbouwde stelling niet volgen. De brief van 12 december 2006 wijst duidelijk in een andere richting.

4.5.4. De vrouw heeft overgelegd een brief dd. 20 juli 2007 van de belastingdienst waaruit blijkt dat die dienst van plan is haar een belastingaanslag op te leggen van

€ 1.576,-. Of dat plan ten uitvoer is gelegd maakt de vrouw in haar memorie van grieven (van ruim een jaar later) niet duidelijk. Voorshands moet ervan worden uitgegaan dat haar geen aanslag is opgelegd. Zou dit anders zijn dan lijkt het erop dat zij inderdaad betaling door de man van de helft kan verlangen. Deze aanslag komt immers niet voor in de opgave het administratiekantoor.

4.5.5. De vrouw komt daarna met twee, deels doorgehaalde computeruitdraaien die afkomstig zouden zijn van de belastingdienst waaruit zou moeten worden afgeleid dat de vrouw nog recht heeft, jegens de man, op betaling van € 122,-. Het hof heeft deze afleiding niet kunnen maken. Bij gebreke van een behoorlijke onderbouwing wordt deze vordering afgewezen.

4.5.6. De grief kan derhalve niet tot een andere beslissing leiden.

4.6. Nu alle grieven falen dienen de vonnissen van 11 oktober 2006 en 21 maart 2007 te worden bekrachtigd. Tegen het comparitievonnis van 4 augustus 2004 zijn geen grieven aangevoerd zodat de vrouw in haar hoger beroep in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4.7. De proceskosten worden gecompenseerd op de grond dat partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van 4 augustus 2004;

bekrachtigt de vonnissen van 11 oktober 2006 en 21 maart 2007;

compenseert de proceskosten aldus dat elk van partijen haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Meulenbroek en Den Hartog Jager en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 december 2009.