Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BL0293

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-09-2009
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
HV 200.010.293
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg en toepassing beding in huwelijkse voorwaarden inhoudende dat de echtelijke woning gemeenschappelijk zal zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2010, 62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

dHJ

11 september 2009

Sector civiel recht

Zevende kamer

Zaaknummer: HV 200.010.293

Zaaknummer eerste aanleg: 176964 FA RK 07-2860

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. I.H. van der Zee.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Voor het verloop van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep verwijst het hof naar de tussen partijen gegeven beschikking van dit hof van 31 maart 2009 (zaaknummer HV 200.010.292). In die beschikking is beslist op grief 1 in principaal appel (de echtscheiding) en de grieven 3 in het principaal appel en 2 in incidenteel appel (de kinderalimentatie). De echtscheiding is op 22 april 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.2. De mondelinge behandeling van de grieven 2 en 4 in het principaal appel en grief 1 in het incidenteel appel vond plaats op 26 juni 2009. Daarbij waren aanwezig de man, bijgestaan door mr. J.E.J. van Dijk, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

1.3. Na afloop van de zitting heeft de advocaat van de man bij brief van 29 juli 2009 de brief van notaris [Z.] van 28 juli 2009 overgelegd. De advocaat van de vrouw heeft hierop gereageerd bij brief van 29 juli 2009.

2. De gronden van het verzoek

Voor de inhoud van grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar het betreffende gedingstuk.

3. De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1. De grieven 2 (onderdelen 2, 2a en 2b) in het principaal appel

3.1.1. Deze grieven hebben betrekking op de vordering van de vrouw tot vergoeding aan haar van de helft van de overwaarde van de echtelijke woning. De standpunten van partijen en de beoordeling door de rechtbank zijn geplaatst in het licht van de artikelen 2 (mede-eigendom) en 10 (periodiek verrekenbeding) van de huwelijkse voorwaarden (HV) van partijen. De rechtbank heeft de vrouw een bedrag van € 78.997,- toegewezen. Dit bedrag is als volgt samengesteld: polis Zwitserleven ad € 2.825,50 vermeerderd met de helft van de overwaarde van de echtelijke woning ad € 85.991,50 en verminderd met een schuld aan v.o.f. [X.] ad € 9.820,-. De man heeft alleen de grond voor de toewijzing van de helft van de overwaarde betwist. In incidenteel appel is de schuld aan de v.o.f. aan de orde gesteld. Het hof zal eerst de mede-eigendom in beoordeling nemen.

3.1.2. Artikel 2 lid 1 HV luidt:

Indien staande huwelijk onroerend goed wordt gekocht, dat zal dienen als echtelijke woning of anderszins aan de samenwoning dienstbaar zal zijn, zal dit onroerend goed door beide partijen, ieder voor de onverdeelde helft, in eigendom worden verworven, tenzij partijen anders overeenkomen.

De echtelijke woning aan de [woonadres] te [woonplaats] is in december 1999, dus staande huwelijk (dat is gesloten op 17 maart 1989), na een periode van huur, van de ouders van de man gekocht. De woning is bij de aankoop alleen ten name van de man gesteld. De hypotheek staat op naam van beide partijen.

3.1.3. De man stelt dat hij deze woning alleen heeft kunnen kopen onder de voorwaarde dat de woning alleen zijn eigendom zou zijn. De vrouw stelt dat de woning, indien partijen uit elkaar zouden gaan, tussen partijen bij helfte zou worden verdeeld, op welke naam de woning ook zou zijn gesteld.

3.1.4. Het hof verwerpt, als niet onderbouwd, de stellingen van de man (16 MvG) dat artikel 2 lid 1 HV slechts een intentieverklaring inhoudt en dat geen uitzondering wordt beoogd op het uitgangspunt van uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen. De in huwelijkse voorwaarden opgenomen bepalingen zijn in beginsel bindend voor partijen. Er wordt door de man geen aanwijzing gegeven waaruit zou kunnen worden afgeleid dat artikel 2 HV een niet-bindende bepaling zou zijn. Uit enkel de omstandigheid dat sprake is van een tenzij-bepaling volgt niet dat ‘slechts’ sprake is van een intentieverklaring.

3.1.5. Gelet op de tekst van artikel 2 lid 1 HV heeft de echtelijke woning te gelden, althans in de onderlinge relatie tussen partijen, als gemeenschappelijk tenzij partijen anders zijn overeengekomen. Voor het antwoord op de vraag of de woning (in de relatie tussen partijen) voor gemeenschappelijk moet worden gehouden is dus niet beslissend de tenaamstelling van de eigendom op die van de man, niet die van de vrouw (die tenaamstelling is wel van belang in de relatie tot derden), noch wat de bedoeling van de man en zijn ouders bij het aangaan van de koopovereenkomst is geweest. Waar het op aankomt is of een betreffende overeenkomst tussen partijen kan worden vastgesteld. De bewijslast van het door partijen anders zijn overeengekomen rust op de man, nu hij zich op deze uitzonderingsbepaling beroept, daaraan rechtsgevolgen verbindt en de vrouw het bestaan van een overeenkomst van die strekking betwist.

3.1.6. Het hof stelt eerst vast dat de man zich in de gedingstukken niet beroept op het bestaan van een overeenkomst tussen hem en de vrouw die tot stand is gekomen op basis van onderhandelingen en ‘vraag en aanbod’. Kennelijk is artikel 2 lid 1 HV tussen de man en de vrouw niet ter sprake geweest. De man beroept zich op de verhouding tot zijn ouders (hun bedoeling de woning alleen ten name van de man te stellen), maar die bedoeling kan geen overeenkomst tussen partijen constitueren, en op een situatie die op één lijn valt te stellen met een schenking onder uitsluitingsclausule. Het beroep van de man op een uitsluitingsclausule kan hem evenwel niet baten. Zelfs als zo’n clausule zou zijn gemaakt bij het aangaan van de verkoopovereenkomst (wat de man niet stelt) dan heeft deze clausule alleen tot gevolg dat de woning niet in een (goederenrechtelijke) gemeenschap valt. Hier is geen sprake van een goederenrechtelijke aanspraak van de vrouw op de woning (de woning staat op naam van de man), maar op een verbintenisrechtelijke, namelijk op vergoeding aan haar door de man van de helft van de overwaarde, dit op de grond dat de woning tussen partijen (alleen verbintenisrechtelijk) voor gemeenschappelijk moet worden gehouden. Hierbij is sprake van een pseudo-gemeenschap c.q. pseudo-mede-eigendom (vgl. HR 1 februari 2008, NJ 2008/566).

3.1.7. De man stelt nog wel het bestaan van een stilzwijgende overeenkomst (16 MvG), maar ook deze stelling wordt verworpen. De stelling van de man (die overigens door de vrouw wordt betwist) dat de vrouw wist en goedvond dat de woning alleen op naam van de man werd gesteld, dat de woning alleen met behulp van de ouders van de man kan worden verworven waarbij de ouders vermogensoverheveling op hun zoon voor ogen stond, is ontoereikend voor het aannemen van een stilzwijgende overeenkomst. Hier is immers geen sprake van een verklaring van de vrouw als bedoeld in artikel 3:33 BW. Uit de gestelde gedraging van de vrouw – zwijgen, wetende dat de woning alleen op naam van de man wordt gesteld (en de hypotheek op beider naam) – heeft de man niet de door hem veronderstelde wil kunnen afleiden (artikel 3:35 BW). Voor het aannemen van een stilzwijgende overeenkomst is op zijn minst vereist dat de vrouw de inhoud van artikel 2 lid 1 HV voor ogen stond en dat zij de consequentie aanvaardde om in de toekomst geen aanspraak te kunnen maken op de helft van een eventuele waardestijging. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit de bij de vrouw die veronderstelde wil kan worden afgeleid. Ook uit de hierna te noemen informatieverstrekking door de notaris kan niet worden afgeleid dat de vrouw zich niet op het ontbreken van een wil zou kunnen beroepen.

3.1.8. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is, met het oog op eventuele bewijslevering, met partijen besproken of de notaris, belast met het transport, aantekening heeft bijgehouden, dan wel een relevante verklaring kan afleggen. De man is in de gelegenheid gesteld de notaris te raadplegen. De notaris schreef vervolgens bij brief van 28 juli 2009:

In het dossier zijn geen stukken of aantekeningen aanwezig waaruit blijkt dat de heer [X.] en mevrouw [Y.] uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat de woning alleen op zijn naam wordt gesteld.

Gezien de gebruikelijk gang van zaken op het notariskantoor, waar ik destijds als kandidaat-notaris aan verbonden was, ga ik er vanuit dat de huwelijkse voorwaarden zijn ingezien en dat mevrouw [Y.] volledig is geïnformeerd, mede gezien de omstandigheid dat mevrouw geen eigenaar werd van het pand maar zich wel hoofdelijk verbond voor de hypothecaire geldlening. In dergelijke gevallen werd er zonder uitzondering uitdrukkelijk gewezen op de tenaamstelling. De samenhang met en een verwijzing naar de huwelijkse voorwaarden ligt dan voor de hand, maar ik kan mij het onderhoud niet meer voor de geest halen en ik kan u geen absolute zekerheid bieden.

3.1.9. Naar het oordeel van het hof biedt de door de notaris geschetste gang van zaken onvoldoende aanknopingspunten of bewijskracht, ook niet in samenhang met de andere door de man gestelde feiten, om daaruit een overeenkomst tussen de man en vrouw, als bedoeld in artikel 2 lid 1 HV, uit af te leiden. In het bijzonder ontbreekt het aan een verklaring of gedraging van de vrouw, dit in samenhang met de artikelen 3:33 en 3:35 BW, die tot dit oordeel kan leiden. Het zwijgen van de vrouw kan hier niet als zodanige gedraging worden aangemerkt, temeer daar bij haar, uit het feit dat zij zich ter zake van de hypotheek verbond, juist de veronderstelling kan hebben postgevat dat zij te zijner tijd wel zou meedelen in de overwaarde. Bovendien, als het al beoogd zou zijn om af te wijken van artikel 2 lid 1 HV, dan had het hier voor de hand gelegen dit schriftelijk te bevestigen. Waarom dit hier niet gebeurd is wordt niet uiteengezet. Voor een bewijsopdracht ziet het hof geen aanleiding, nu er geen feiten worden gesteld die, mits bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.

3.1.10. De conclusie is dan dat de vrouw reeds uit hoofde van artikel 2 lid 1 HV aanspraak heeft op de helft van de overwaarde van de woning zodat de op het verrekenbeding gebaseerde grond geen bespreking behoeft. De hoogte van de toegekende vordering, € 85.991,50, is niet betwist, zodat het hof de beschikking van de rechtbank in zoverre in stand kan laten. Grief 2 (2, 2a en 2b) kan derhalve niet tot een andere beslissing leiden.

3.2. Grief 4 in principaal appel.

3.2.1. In deze grief wordt een beroep gedaan op de betalingsregeling van artikel 1:140 BW. De grief faalt reeds omdat de vordering van de vrouw niet wordt toegewezen op grond van het periodiek verrekenbeding maar op grond van pseudo-mede-eigendom.

3.2.2. Bovendien is het hof van oordeel dat de man inmiddels voldoende tijd is gegund om een financiering te realiseren. Het de echtscheiding inleidende verzoekschrift dateert van meer dan twee jaar geleden.

3.2.3. In het dictum van de beschikking waarvan beroep is de man drie maanden geboden om te voldoen. Daartegen is geen grief gericht, zodat ook het hof de man die termijn zal gunnen.

3.3. Grief 1 in het incidenteel appel luidt als volgt:

Ten onrechte heeft de Rechtbank aangenomen, dat op de peildatum (30 juni 2005) de man deelneemt in een vennootschap onder firma met zijn vader en broer en dat uit de V.O.F. meer geld is opgenomen dan het winstaandeel, waar de man recht op had, waardoor de schuld aan de V.O.F. per 30 juni 2005 € 19.640,11 bedraagt.

3.3.1. Deze grief heeft betrekking op de veroordeling van de vrouw door de rechtbank om aan de man te betalen € 9.820,-, zijnde de helft van de schuld in rekening-courant aan de vennootschap onder firma, waarvan de man vennoot is, naar het hof begrijpt onder toedelen van (de draagplicht voor de hele) schuld aan de man. De rechtbank heeft haar oordeel gegrond op het feit dat de betreffende opnames ten goede zijn gekomen aan de huishouding van partijen zodat – volgens de rechtbank – de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat deze schuld voor de helft met de vrouw moet worden verrekend.

3.3.2. De stelling in de grief van de vrouw berust op de aanname dat op 30 juni 2005 de werkmaatschappij [X.] Installatie en Koeltechniek B.V. bestond. Tegen deze grief heeft de man aangevoerd dat de besloten vennootschappen (de werk- maatschappij, De Holding en de Beheer B.V.) ná 30 juni 2005 zijn opgericht. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dit feit te erkennen.

3.3.2. In de toelichting op de grief bestrijdt de vrouw dat de gelden die uit de v.o.f. zijn opgenomen en in rekening-courant zijn geboekt, zijn aangewend voor het huishouden. Waar die gelden wel voor zijn aangewend wordt door de vrouw niet gesteld, zodat het hof aan dit verweer voorbijgaat.

3.3.3. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vrouw nog aangevoerd dat de huishoudkosten ingevolge artikel 4 HV voor rekening van de man dienen te komen, nu de man tijdens het huwelijk in overwegende mate de inkomsten uit arbeid genoot. Tegen deze aanvulling van rechtsgrond heeft de man geen bezwaar gemaakt en is hij ingegaan op de stelling van de vrouw dat hij in overwegende mate het inkomen genoot. De man heeft niet betwist dat hij degene was die in overwegende mate de inkomsten genoot. De vrouw werkte twee middagen per week mee in het bedrijf zonder daarvoor (afzonderlijk) loon te ontvangen.

3.3.4. Gelet op het bestaan van een regeling in de huwelijkse voorwaarden bestaat er geen aanleiding om, op grond van de redelijkheid en billijkheid, de rekening-courantschuld anders te verdelen. De man heeft niet betwist dat de in rekening- courant geboekte opnames voor het huishouden zijn aangewend. De man is derhalve gehouden die schuld te dragen. De grief is mitsdien gegrond. De verdeling c.q. verrekening van de rekening-courantschuld dient te worden afgewezen.

3.4. De rechtbank heeft de beschikking waarvan beroep niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In het petitum van het verweerschrift in hoger beroep vraagt de vrouw uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man heeft zich daartegen niet verzet. Het hof is van oordeel dat een belangenafweging meebrengt de onderhavige veroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.5. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

4. De beslissing

Het hof:

recht doende in principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking waarvan beroep van 22 april 2008, maar alleen voor zover daarin is bepaald dat de man aan de vrouw € 78.997,- dient te betalen binnen drie maanden na de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;

en in zoverre opnieuw recht doende:

veroordeelt de man aan de vrouw € 2.825,50 en € 85.991,50 te betalen uiterlijk drie maanden na de dag waarop deze beschikking is gegeven en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat elk van partijen haar eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Milar en Mellema-Kranenburg en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2009.