Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BL0287

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
HV 200.025.949
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen gebruiksvergoeding over de periode voor de ontbinding van het huwelijk, over periode van leegstand. Ook geen recht op deze vergoeding als er geen overwaarde is. De draagplicht voor de hypotheeklasten vervalt niet door het vertrek uit de woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

dHJ

7 oktober 2008

Sector civiel recht

Zevende kamer

Zaaknummer:HV 200.025.949/01

Zaaknummer eerste aanleg: 169909 FA RK 07-159

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. Mattheussens,

t e g e n

[Y.],

wonende [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. B.P.A. van Beers.

1. Het verloop van de procedure

1.1. De rechtbank Breda heeft in deze echtscheidingsprocedure bij beschikking van 29 mei 2007 de echtscheiding uitgesproken. Deze is ingeschreven in de register van de burgerlijke stand op 22 juni 2007. Bij beschikkingen van 10 juli 2007 en 21 november 2008 heeft de rechtbank beslissingen op de nevenvoorzieningen gegeven.

1.2. Bij beroepschrift met producties, dat bij het hof is binnengekomen op 19 februari 2009, heeft de vrouw hoger beroep ingesteld tegen de in de twee laatstgenoemde beschikkingen gegeven beslissingen betreffende de gebruiksvergoeding, de verdeling van de hypotheekschuld en de schade-uitkeringen aan de man. Voorts heeft zij haar verzoeken voorwaardelijk vermeerderd met het verzoek haar een vergoeding ex artikel 1:165 BW toe te kennen.

1.3. Het verweerschrift van de man is bij het hof binnengekomen op 8 april 2009.

1.4. De mondelinge behandeling vond plaats op 4 september 2009. Daarbij waren aanwezig de man en de advocaten. Uitspraak is bepaald op heden.

2. De gronden van het verzoek

Voor de inhoud van de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar het beroepschrift.

3. De beoordeling

3.1. De gebruiksvergoeding

3.1.1. De vrouw, die de echtelijke woning heeft verlaten in augustus 2006, verlangt een vergoeding van de man voor het gebruik door hem van de echtelijke woning over de periode van 1 oktober 2006 tot de datum waarop hij de woning zal hebben verlaten. De vrouw heeft de stelling van de man dat hij eind april 2007 de woning heeft verlaten niet weersproken, zodat het verzoek van de vrouw betrekking heeft op de zeven tussenliggende maanden. Het hof stelt voorts vast dat, nu de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven op 22 juni 2007, het onderhavige verzoek van de vrouw uitsluitend betrekking heeft op een periode waarin partijen nog in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Er wordt een vergoeding verlangd van € 900,- per maand. De hoogte van dit bedrag is ontleend aan het maandelijks te betalen bedrag aan de hypotheekbank van € 966,60 per maand.

3.1.2. Het verzoek van de vrouw is niet voor toewijzing vatbaar.

De verlangde vergoeding is, nu zij betrekking heeft op een periode vóór de ontbinding van het huwelijk, in beginsel een gemeenschapsschuld die vervolgens aan de gemeenschap vergoed moet worden. Dit leidt niet tot een vermogensverschuiving tussen partijen.

Toepasselijkheid van artikel 1:164 BW wordt niet gesteld en volgt ook niet uit de aard van verlangde vergoeding.

Naar het oordeel van het hof bestaan er ook geen gronden te ontlenen aan de redelijkheid en billijkheid voor toewijzing van het verzoek, ook niet als in aanmerking wordt genomen dat partijen 1 augustus 2006 als peildatum voor de omvang en samenstelling van de gemeenschappelijke goederen zijn overeengekomen. De vrouw, die inkomen genoot van € 1.433,86 netto per maand (rov. 2.13 beschikking 10 juli 2007), heeft op enig moment in augustus 2006 de woning verlaten en daarmee het uitsluitend genot van de woning aan de man opgedrongen. Tot in maart 2007 woonde de zoon van partijen bij zijn vader. Het was toen al duidelijk dat de inkomsten van de man (€ 1.090,- bruto per maand - € 9.888 + € 1.488 + € 910 +

€ 799 gedeeld door 12 - rov. 2.20 beschikking van 10 juli 2007) ontoereikend waren om, naast hetgeen benodigd was voor zijn levensonderhoud, meer dan de helft van de hypotheeklasten van € 966,- per maand te dragen. Voorts stond vast dat de woning zou moeten worden verkocht. Tegen deze achtergrond is er onvoldoende grond om aan de vrouw geen vergoeding toe te kennen voor het gebruik van de woning door de man, in ieder geval niet in de periode voorafgaande aan de ontbinding van het huwelijk. De omstandigheid dat de vrouw in de betreffende periode woonkosten heeft moeten maken (huur), waartegenover de man geen extra woonlasten had, maakt dit niet anders. Daarbij neemt het hof in overweging dat in de periode na het uiteengaan van partijen, de hypotheeklasten niet meer mede werden betaald uit het hogere inkomen van de vrouw (en overigens ook niet door de man werd betaald, als gevolg waarvan de schuld toenam).

Ten slotte neemt het hof in overweging dat in de regel een gebruiksvergoeding wordt toegekend gelijk aan een bedrag per jaar dat overeenkomt met 4% van de helft van de gemiddelde overwaarde van de woning in de betreffende periode. De woning is uiteindelijk verkocht waarna een restschuld van bijna 20.000 euro resteerde. Dat in de periode waarover de gebruiksvergoeding wordt verlangd een overwaarde heeft bestaan, blijkt niet uit de stellingen van de vrouw.

3.3. Nu grief 1 faalt is aan de voorwaarde waaronder het vermeerderde verzoek is ingediend, voldaan. Echter, ook het vermeerderde verzoek dient te worden afgewezen. Dit verzoek tot toekenning van een billijke gebruiksvergoeding is gegrond op artikel 1:165 BW en heeft derhalve betrekking op de eerste zes maanden ná de ontbinding van het huwelijk. Een dergelijk verzoek dient te worden gedaan door degene die in de woning verblijft. Vast staat dat in de betreffende periode de woning leegstond, in ieder geval niet door de vrouw werd bewoond. Bovendien geldt voor die periode hetzelfde als hiervoor werd overwogen.

3.4. De restschuld aan de hypotheekbank

3.4.1. De vrouw heeft verzocht de restschuld, na verkoop van de echtelijke woning, aan ELQ Hypotheken N.V., aan de man toe te delen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen waartoe werd overwogen dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van het uitgangspunt dat die schuld door beide partijen voor de helft dient te worden gedragen.

3.4.2. Het hof ziet evenmin aanleiding om af te wijken.

De vrouw voert als grond voor afwijking aan dat de man, in weerwil van de op hem rustende verplichting om de gehele maandelijkse hypotheeklast te betalen (kennelijk aldus dat haar betalingsverplichting zou komen te vervallen), welke verplichting de vrouw kennelijk ontleend aan het feit dat de man de echtelijke woning zonder de vrouw bewoonde, geweigerd heeft om die last te betalen. Voorts doet de vrouw een beroep op het feit dat de man in de periode na haar vertrek uit de woning het uitsluitende genot van de woning had.

Het feit dat de vrouw in augustus 2006 de echtelijke woning verliet en de man sedertdien het uitsluitende genot van de woning heeft gehad, brengt geen verandering mee in de aansprakelijkheid en daarmee de betalingsverplichting van zowel de man als de vrouw jegens de hypotheekgever. Beiden waren gehouden de gehele hypotheeklast te betalen.

Ook in hun onderlinge relatie bracht dit feit geen verandering in de draagplicht mee. De betalingsverplichting van vóór de ontbinding van het huwelijk valt in de gemeenschap en dient na ontbinding van het huwelijk, voor zover daaraan niet is voldaan, bij helfte te worden verdeeld. Het vertrek door de vrouw uit de woning, het feit dat de man sedertdien het uitsluitende genot had van de woning en het overeenkomen van de peildatum zijn geen zodanig uitzonderlijke omstandigheden die afwijking van verdeling bij helfte ex artikel 1:100 BW rechtvaardigen.

Evenmin is er grond om af te wijken van de onderlinge draagplicht bij helfte voor schulden ontstaan na de ontbinding van het huwelijk. De woning stond toen leeg.

De grief faalt mitsdien.

3.5. De verzekeringsuitkering

3.5.1. De man is op of omstreeks 8 september 1998 een bedrijfsongeval overkomen. Uit dien hoofde heeft hij recht op vergoeding van materiële en immateriële schade tot een totaalbedrag van € 121.905,-. Naar het oordeel van het hof zijn vergoedingen die betrekking hebben smartengeld en op verlies van arbeidsvermogen, voor zover toe te rekenen aan de periode na de peildatum, dat is de datum waarop partijen een gescheiden financiële huishouding zijn gaan voeren, verknocht aan de man en dienen derhalve buiten de verdeling te vallen.

3.5.2. Voor zover het gaat om voorschotten ontvangen tijdens de samenwoning van partijenl en vóór de peildatum, zijn deze besteed en verteerd. Naar het oordeel van het hof geven deze uitkeringen geen aanleiding voor een vergoedingsrecht ná de ontbinding van het huwelijk op de gemeenschap.

3.5.3. De man heeft in september 2006, dus ná de peildatum, maar vóór de ontbinding van het huwelijk, nog een voorschotbedrag van € 5.000,- ontvangen. Ten slotte heeft de man een einduitkering van € 40.000,- ontvangen in maart 2008, dus ná de ontbinding van het huwelijk. De vraag die partijen verdeeld houdt is of de vrouw recht heeft op een deel van dit totaalbedrag van € 45.000,-. Beide bedragen zijn uitgekeerd zonder dat is aangegeven of zij strekken ter vergoeding van materiële respectievelijk immateriële schade.

3.5.4. Blijkens de brief van 17 oktober 2006 van mr. Aarts, de advocaat van de man die belast is met de schadeafwikkeling, welke door de vrouw niet is betwist, bedroeg de totale schade exclusief het verlies aan arbeidvermogen afgerond € 76.905,-. Het totale verlies aan arbeidsvermogen komt daarmee op ( € 121.905,- - € 76.905,- = ) € 45.000,-.

3.5.5. De man is geboren op [geboortedatum] 1970 en wordt op [verjaardagsdatum] 2035 65 jaar, dat is ongeveer 37 jaar na het ongeval. Daarvan liggen bijna 8 jaar vóór de peildatum, de datum waarop partijen een gescheiden financiële huishouding zijn gaan voeren. Dit betekent dat in redelijkheid 8/37ste deel van genoemde € 45.000,-, zijnde € 9.729,-, moet worden toegerekend aan de gemeenschap en € 35.271,- aan de periode ná de peildatum (vgl. HR 3 november 2006, NJ 2008/258).

Aan smartengeld, inclusief rente, is, zo blijkt uit diezelfde brief van mr. Aarts, toegekend € 40.947,60. Hiervan is weer 8/37ste deel, zijnde € 8.850,-, toe te rekenen aan de gemeenschap en € 32.100,- aan de periode ná de peildatum.

Aan de periode ná de peildatum vallen derhalve toe te rekenen bedragen van in totaal € 67.371,-, derhalve meer dan

€ 45.000,-. Dit betekent weer dat de vrouw geen aanspraak heeft op de man.

3.5.6. De conclusie is dat de grief niet tot een ander oordeel kan leiden.

3.6. De beschikkingen waarvan beroep zullen worden bekrachtigd. De proceskosten worden gecompenseerd nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het vermeerderde verzoek;

compenseert de proceskosten aldus dat elk van partijen haar eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Theuws en Tjong Tjin Tai en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2009.