Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BL0058

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-12-2009
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
20-002458-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overval door twee personen op een woning, met toepassing geweld en bedreiging met geweld tegen meerdere slachtoffers. Zeven jaar gevangenistraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002458-08

Uitspraak : 24 december 2009

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 juli 2008 in de strafzaak met parketnummer 01-825158-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1976],

thans verblijvende in het huis van bewaring (Unit A + B) te Grave,

waarbij de verdachte ter zake van –kort gezegd– diefstal met geweld en bedreiging met geweld tegen personen, werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, behoudens ten opzichte van de opgelegde straf en te dien aanzien opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 april 2006 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere (althans een) bankpas(sen) en/of een hoeveelheid contant geld en/of een GSM, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- die [slachtoffer 1] (hardhandig) op de grond heeft/hebben gegooid, (waardoor zij een

hoofdwond opliep) en/of

- de handen van die [slachtoffer 1] (achter haar rug) heeft/hebben geboeid en/of

- (meermalen) een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op

het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezet en/of

- die [slachtoffer 1] een hoes (althans een voorwerp om haar het kijken te beletten)

over het hoofd heeft/hebben getrokken en/of

- die [slachtoffer 1] (meermalen) (met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp) op het hoofd en/of gezicht, althans tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en/of

- die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal op het hoofd heeft/hebben geslagen (met een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp) en/of

- die [slachtoffer 3] een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd heeft/hebben gezet en/of

- die [slachtoffer 3] (meermalen) (met een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp) in het gezicht, althans op het hoofd heeft/hebben geslagen.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vaststaande feiten

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

- Op 20 april 2006, omstreeks 12.30 uur, vond de overval plaats in de woning van [slachtoffer 1], gelegen aan de [adres] te [woonplaats].

Deze [slachtoffer 1] zag toen een man aan komen lopen met een vel papier in zijn handen en hoorde hem aanbellen. Op het moment dat zij de voordeur opendeed sprak de man haar aan met Hi i’’m from Roemenie of Armenie.

Het papiertje dat de man bij zich had was een papier met handgeschreven tekst in een plastic hoes met allemaal kleuren erop.

De man sprak goed Engels.

Meteen nadat de man [slachtoffer 1] aangesproken had, deed hij een stap naar voren. [slachtoffer 1] trachtte de man naar buiten te duwen en de deur te sluiten, hetgeen niet lukte. De man is naar binnen gekomen, heeft haar vastgepakt en met grof geweld tegen de vloer aan gegooid waardoor zij met haar achterhoofd op de grond terecht kwam.

Vervolgens is een tweede man binnengekomen die de deur achter zich dicht deed.

Toen [slachtoffer 1] overeind kwam zag zij dat de man die haar had aangesproken een pistool tegen haar rechterslaap zette. Het betrof een zilverkleurig nikkelachtig pistool.

Zij werd vervolgens in de gang geboeid. De eerste man die binnen was gekomen hield haar handen op haar rug vast en de andere man deed de boeien om. Door de eerste man kreeg zij een soort sok over haar hoofd getrokken. De mannen hadden zelf ook een zwarte sok over hun hoofd getrokken met gaten voor de ogen.

Vervolgens werd zij naar een bank geleid. Daar werd een zwarte stoffen kap over haar hoofd getrokken.

Ze hoorde dat de mannen door het huis liep en op zoek waren naar dingen. De eerste man kwam weer naar haar toe en zei dat ze op zoek waren naar contanten en vroeg waar haar portemonnee was. Zij zei dat haar tas op de tafel lag en dat er in haar portemonnee 100 euro zat.

Vervolgens kwam de man bij haar zitten met de portemonnee en haalde de pasjes uit haar portemonnee. Vervolgens ging hij de pasjes een voor een af en vroeg de bijbehorende codes.

Op een gegeven moment moest zij mee naar boven lopen.

Op de zolder werd zij naar de logeerkamer gebracht. Daar werd zij op haar rug op het bed gelegd. Een van de mannen deed het gordijn dicht. Er werd geen licht aangedaan.

Zij hoorde de mannen fluisteren en het ritselen van ritsen. Zij voelde dat een van haar boeien werd losgemaakt. Er werd niets gezegd. Een van de mannen hield de handboei toen vast.

Op dat moment ging een stofzuiger aan, waarop de mannen gingen overleggen in een voor haar onverstaanbare taal. De man die haar steeds aansprak zei tegen haar dat zij de schoonmaakster moest roepen. Hij zei dit op een dreigende manier.

Zij voelde dat er een loop van een pistool tegen haar hoofd werd gezet. Zij heeft vervolgens de schoonmaakster geroepen.

Deze schoonmaakster,[slachtoffer 2] genaamd, is toen deels naar boven gekomen.

Ze is weer gillend naar beneden gerend.

De mannen zijn daarop weggegaan. Op het moment dat zij alleen was op zolder is ze opgestaan. Zij zag een haar onbekende rugzak staan. Het was een afgesloten rode nylon rugzak.

Zij is naar beneden gelopen naar de eerste etage. Op de studeerkamer aan de voorzijde van de woning heeft zij een draagbare telefoon gepakt. De eerste man kwam echter weer naar boven gelopen en griste de telefoon uit haar handen en nam deze mee. Hij sloeg haar daarbij met zijn pistool tegen haar hoofd. De man rende vervolgens naar boven.

Later heeft zij buiten in de voortuin de rugzak zien staan. Deze was gesloten. Zij heeft deze geopend en in het voorvak zag zij haar mobiel en het frontje van haar radio zitten. Zij heeft haar gsm weer uit de rugzak gehaald.

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], die de aangifte van [slachtoffer 1] hebben opgenomen, geven als omschrijving van het door haar opgelopen letsel dat zij een hoofdwond had op het achterhoofd van de val op de grond en een wond aan de linkerzijde van het voorhoofd van de klap met het pistool.

- Uit de verklaring van [slachtoffer 2] volgt dat haar zus [slachtoffer 3] en zij ook slachtoffer zijn geworden van de overval in de [adres] te [woonplaats]. Zij vreesde voor haar leven. Zij is door een van de twee daders geslagen met een pistool. Zij dacht het bewustzijn te hebben verloren. Het letsel dat haar zus tengevolge van deze overval heeft opgelopen en dat was toegebracht door een van de twee daders, betrof twee gebroken jukbenen en een gebroken kin. Zijzelf heeft verwondingen aan haar achterhoofd opgelopen.

- [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij die dag samen met haar zus [slachtoffer 2] naar de woning van (het hof begrijpt) [slachtoffer 1] is gegaan en is gaan stofzuigen. Ze hoorde vervolgens een vrouwenstem van boven om hulp roepen, waarop [slachtoffer 2] naar boven is gelopen. Nadat ze een raar geluid van de bovenverdieping hoorde, is ze enkele minuten naar buiten gegaan. Toen ze terug naar binnen ging en bij de trap stond zag zij twee mannen de trap afkomen. Beide mannen droegen een masker. Toen zij in de richting van de voordeur liep, zag zij dat de klink er af was.

Vervolgens kreeg zij klappen op haar gezicht van een dikkere man, man 2 genoemd.

Toen zij op de grond lag is de dunne man, man 1 genoemd, op haar benen gaan zitten.

Zij zag dat de man 1 een wapen op haar voorhoofd plaatste en gelijk ook een klap gaf op haar gezicht. Zij lag toen in een plas bloed.

De man 2 droeg schoenen met metaal aan de voorzijde. Zij voelde het metaal van de schoen op het moment dat hij met zijn schoen op haar gezicht trapte.

- Door de politie, die op 20 april 2006 ter plaatse kwam, werd in de voortuin van de woning aan de [adres] te [woonplaats] een rode rugzak en een baseballpetje aangetroffen. Door ander politiepersoneel werd hen een paar handboeien en een krantenbezorgerslijst overhandigd.

In de woning zagen zij veel bloed, voornamelijk in de gang en woonkamer van de woning.

De deurknop van de voordeur aan de binnenzijde was er af.

- In de rugzak werd een toilettas met de kleuren van de Roemeense vlag aangetroffen. Voorts zaten in deze rugzak allerlei toiletartikelen met een opschrift in de Roemeense taal.

- Tijdens het onderzoek werd onder meer het in de onderstaande sporenlijst vermelde sporenmateriaal in beslag genomen en gewaarmerkt:

? een petje, zwart met een grijze streep

? een rugzak met inhoud, kleur rood.

In deze rugtas:

? een pakje kaas en een pakje vleeswaren, gekocht bij Super de Boer.

? een toilettas, kleur blauw, met divers toiletgerei, spoornummer PL2219/06-532330/030/011

In deze toilettas:

? biologische sporen, omschrijving huid, op scheermes/scheerkrabber, spoornummer PL2219/06-532330/030/012.

? een plastic zak met als opschrift Altex megastore (Roemenië).

In deze plastic tas:

? een toilettas, kleur grijs, met divers toiletgerei, spoornummer PL2219/06-532330/030/018.

In deze toilettas:

? biologische sporen, omschrijving huid, op scheermes, spoornummer PL2219/06-532330/030/019.

? biologische sporen, omschrijving speeksel, op tandenborstel, spoornummer PL2219/06-532330/030/021.

? biologische sporen, omschrijving speeksel, op opzettandenborstel, spoornummer PL2219/06-532330/030/022.

- Uit onderzoek naar het verpakte stuk vleeswaren met een barcode, dat in de rugzak zat, bleek dat deze barcode behoorde bij een filiaal van “Super de Boer”. Hieruit bleek tevens het tijdstip van verkoop.

Via bewakingscamera’s van supermarkt Super de Boer gelegen aan de Geldropseweg te Eindhoven, gemaakt op 19 april 2006, werden beelden van de vermoedelijke daders ter beschikking gesteld. Deze supermarkt is in de onmiddellijke nabijheid van de [straat] te Eindhoven gelegen. Deze beelden werden in beslag genomen.

Hierop waren twee mannen te zien die voldeden aan het aan de hand van getuigen opgegeven signalementen.

Een van de vermoedelijke daders droeg op de beelden een baseballpet, soortgelijk aan de pet die na de overval in de woning aan de [straat] is achtergebleven.

- Door de officier van justitie en het onderzoeksteam is een compilatie gemaakt van de feiten en omstandigheden, welke werd uitgezonden op het Nederlandse televisieprogramma Opsporing Verzocht.

Het vermoeden bestond dat de beide daders van Roemeense afkomst waren. In Roemenië werden beeldopnamen van de mogelijke daders vertoond op televisie in de Roemeense versie van “Opsporing verzocht”.

- Van deze beelden werden de beide personen herkend. Het betrof: [verdachte], geboren op [1965] in [geboorteplaats verdachte], en [medeverdachte], geboren op [1976] in de [geboorteplaats medeverdachte]

- Op 4 maart 2008 werden de verdachten door de Roemeense overheid uitgeleverd en overgedragen aan de Nederlandse politie en vervoerd naar Nederland waar zij werden aangehouden.

- De verdachte heeft op 7 maart 2008 bij de rechter-commissaris in het bijzijn van zijn raadsman bekend dat hij de overval in de woning aan de [adres] te [woonplaats] heeft gepleegd en verklaard dat [medeverdachte] de andere dader was.

- Bij zijn verhoor in raadkamer van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch op 19 maart 2008 heeft verdachte, eveneens in het bijzijn van zijn raadsman, verklaard bij zijn verklaring te blijven.

- Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte, nadat de rechter hem de in het dossier gevoegde beelden van de bewakingscamera van de supermarkt heeft laten zien, verklaard dat hij op deze foto’s zichzelf en medeverdachte [medeverdachte] herkend. Hij was in de tijd dat de overval op de woning is gepleegd, met [medeverdachte] in Nederland. Daarbij zijn zij ook in Eindhoven geweest. De rugzak die zij bij zich hadden was van de schoonzus van [medeverdachte].

- De medeverdachte [medeverdachte] heeft eveneens verklaard bij de overval betrokken geweest te zijn.

Het ging [verdachte] en hem daarbij om geld en bankkaarten (het hof begrijpt: bankpasjes).

Op 20 april 2006 zijn zij in Eindhoven in de straat van het voorval aangekomen. Ze wisten van te voren niet welk huis ze zouden kiezen. Ze besloten een woning te pakken. [verdachte] liep voorop. Ze zagen dat er een vrouw binnen was. [verdachte] zei dat hij eerst zou kijken of er meerdere mensen waren. In dat geval zou [verdachte] niet naar binnen gaan maar een of ander verhaal ophangen. Als alleen die vrouw thuis was zou [verdachte] naar binnen gaan. Hij, [medeverdachte], zou enige momenten later komen.

[verdachte] heeft een soort papier opgeraapt. [verdachte] zou het papier gebruiken als er een man aan de deur zou komen. Hij zou dan een smoes vertellen. [verdachte] heeft aangebeld en is naar binnen gegaan.

Hij, [medeverdachte], hoorde gegil en geschreeuw. Hij liep naar binnen en zag dat een vrouw op de grond lag. [verdachte] hield die vrouw vast.

Hij, [medeverdachte], deed de deur dicht. [verdachte] pakte de vrouw vast en legde haar in de woonkamer op de begane grond. [verdachte] vroeg haar om geld en pasjes.

Hij, [medeverdachte], wist welke spullen hij zou gaan vragen. Hij wist dat [verdachte] om de pincode zou gaan vragen. Dit hadden ze tevoren afgesproken

[verdachte] vroeg [medeverdachte] om een sloop. Hij, [medeverdachte], heeft met die sloop het gezicht van die vrouw bedekt. Hij zag dat [verdachte] geld en pasjes nam uit de portemonnee van die vrouw.

[verdachte] had de pasjes in zijn hand en vroeg de pincodes.

Hij, [medeverdachte], had een bivakmuts opgedaan. Dat was al in de hal.

Het was een bivakmuts die gemaakt was van een mouw van een trui. Het was een bivakmuts met twee gaten voor de ogen. Hij had die van tevoren al bij zich.

Hij had tevoren twee soortgelijke bivakmutsen, een aansteker in de vorm van een pistool en handboeien bij zich. Dit pistool was van hem. Hij ging met het pistool naar binnen. Het had een zwart met zilveren kleur. Het pistool is binnen tegenover de bewoonster gebruikt om haar bang te maken.

[verdachte] en hij wilden de vrouw mee naar zolder nemen om haar achter te laten. Dat gaf hun wat tijd om weg te komen.

Ze hebben haar naar zolder gebracht. Ze hadden haar geboeid. Hij, [medeverdachte], had haar geboeid in de woonkamer.

Op zolder is hij, [medeverdachte], degene geweest die een van haar handen heeft losgemaakt. Toen hij dat deed hoorde hij de stofzuiger beneden in huis. Toen raakten ze in paniek. Ze wisten niet meer hoe ze weg moesten komen. Ze hebben aan de vrouw gevraagd wie het was. Zij vertelde toen dat het de werkster was. Ze hebben aan de bewoonster gevraagd om de huishoudster ook naar boven te laten komen. Dit met het idee dat ze beiden dan in dezelfde ruimte zaten en zij, [verdachte] en [medeverdachte], makkelijker weg konden komen.

De bewoonster heeft toen vanaf het bed de huishoudster naar boven geroepen.

Hij, [medeverdachte], stond achter de deur van de zolderkamer en zag dat de deur geopend werd. De persoon die de deur opende heeft dan zicht op het bed en had ook zicht op [verdachte]. Hij, [medeverdachte], hoorde gillen en hoorde dat er snel de trap naar beneden werd afgerend. Hij zag vervolgens dat [verdachte] achter die persoon aanging.

Hij is toen ook naar beneden gegaan.

Hij zag in de woonkamer [verdachte]. Hij zag dat [verdachte] de werkster sloeg. Hij, [medeverdachte], heeft toen het raam opengedaan want hij wilde wegkomen. Hij heeft niet de voordeur geopend omdat de deurklink kapot was. Toen hij beneden kwam was de deurklink al kapot. De werkster lag op de grond. [verdachte] sloeg haar. [verdachte] riep dat deze vrouw de deurklink kapot had gemaakt en dat ze niet via de voordeur naar buiten konden.

Dat was de reden dat hij, [medeverdachte], het raam had open gedaan.

Hij riep tegen [verdachte] om te komen. Hij zag dat de werkster [verdachte] vasthield en in zijn kruis greep. Hij zag dat [verdachte] niet weg kon. Hij is toen naar [verdachte] gelopen. Hij heeft de betreffende vrouw toen met het door hem meegebrachte pistool geslagen.

Daarna is hij uit het raam geklommen. [verdachte] is achter hem aangekomen.

Nadat zij buiten waren realiseerden zij zich dat zij de door hun meegebrachte rugtas niet meer bij hun hadden. De rugtas was rood van kleur en hierin zaten persoonlijke spullen, zoals verzorgingspullen.

Toen hij, [medeverdachte], besefte dat hij de rugtas niet bij zich had, is hij weer via het raam naar binnen geklommen om de rugtas te gaan halen.

Hij heeft toen de rugtas gepakt en is weer door het raam naar buiten geklommen. Eenmaal buiten zag hij dat er veel mensen aanwezig waren. Toen een persoon aan zijn rugtas trok, liet hij deze los.

Hij is toen weggerend van het huis.

-Er is van de verdachte [verdachte] en de medeverdachte [medeverdachte] celmateriaal afgenomen.

Het afgenomen celmateriaal is inbeslaggenomen en voorzien van respectievelijk een identiteitszegel met code RGJ958 en een identiteitszegel met code RGE253.

- Er heeft vervolgens door het NFI een onderzoek plaatsgevonden naar de biologische sporen, die werden aangetroffen naar aanleiding van de gewapende overval te Eindhoven op 20 april 2006.

Het van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost ontvangen onderzoeksmateriaal betrof onder meer:

TR-nummer DNA-identiteitszegel omschrijving

3 AAAW5157NL een scheermes

4 AAAW5158NL een scheermes

5 AAAW5155NL een tandenborstel

6 AAAW5156NL een opzetstuk van een elektrische

tandenborstel

Het volgende sporen- en referentiemateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek.

AAAW5157NL]#1 bemonstering van de scheerkop van het scheermes.

AAAW5157NL]#2 bemonstering van het handvat van het scheermes.

AAAW5158NL]#1 bemonstering van de scheerkop van het scheermes.

AAAW5158NL]#2 bemonstering van het handvat van het scheermes.

AAAW5155NL]#2 bemonstering van het handvat van de tandenborstel.

AAAW5156NL]#1 bemonstering van het borstelgedeelte van het opzetstuk van een elektrische tandenborstel.

De conclusie is als volgt:

Sporenmateriaal celmateriaal kan berekende frequentie

afkomstig zijn van: DNA-profiel

-bemonstering AAAW5157NL]#1 -verdachte [verdachte] -kleiner dan één op één

van de scheerkop van het scheermes. (RGJ958) miljard

-bemonstering AAAW5157NL]#2 -verdachte [verdachte] -kleiner dan één op één

van het handvat van het scheermes. (RGJ958) miljard

-bemonstering AAAW5158NL]#1 -[medeverdachte] -kleiner dan één op één

de scheerkop van het scheermes (RGE253) miljard

-bemonstering AAW5158NL]#2 -[medeverdachte] -ongeveer één op 275 miljoen

van het handvat van het scheermes. (RGE253)

-bemonstering AAAW5155NL]#2 -[medeverdachte] -kleiner dan één op één miljard

van het handvat van de tandenborstel. (RGE253)

-bemonstering (met bloed) -[medeverdachte] -ongeveer één op 1,8 miljoen

AAAW5156NL]#1 van het (RGE253)

borstelgedeelte van het opzetstuk

van een elektrische tandenborstel.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken op grond van de volgende redenen.

- Door de verdediging wordt de gang van zaken omtrent de aangezochte rechtshulp betwist, nu niet duidelijk is geworden hoe het onderzoek in Roemenië heeft plaatsgevonden, of er in Roemenië gedurende de overleveringsdetentie verhoren van verdachte hebben plaatsgevonden, en zo ja, hoe en onder welke condities. Omtrent de aangezochte rechtshulp en het verloop daarvan zijn geen stukken in het dossier aangetroffen. Dit maakt dat de verdediging bij gebreke daarvan het er voor houdt dat de gang van zaken niet naar behoren heeft plaats gevonden.

- De verdachte heeft weliswaar bekennende verklaringen bij de politie in Nederland afgelegd, maar dit is gebeurd onder druk van de politie. Verdachte heeft lang in voorarrest en in beperkingen gezeten, terwijl hij in een vreemd land verbleef.

- Voor zover uit deze verklaringen zou blijken dat hij typische daderwetenschap had ten aanzien van de feiten, zou hij deze hebben verkregen via de weg van het politieonderzoek in Roemenië. Daardoor komt tevens aan het onderzoek het betrouwbare karakter te ontvallen.

- De verdediging heeft voorts aangevoerd dat, nu verdachte voorafgaand aan zijn verhoor door de politie op 5, 6 en 8 maart 2008 geen contact heeft gehad met een raadsman, de tijdens dit verhoor verkregen verklaring op grond van de overwegingen in het arrest van de Hoge Raad inzake de zogenaamd Salduz-problematiek, HR 30 juni 2009, LJN: BH3079 dient te worden uitgesloten van het bewijs.

Het hof overweegt het navolgende.

Op grond van regels zoals die gelden in de internationale rechtshulp en meer in het bijzonder het vertrouwensbeginsel gaat het hof er vanuit dat de Roemeense autoriteiten in het onderzoekstraject niet onrechtmatig hebben gehandeld, tenzij er aanwijzingen zijn van het tegendeel.

Om dit laatste te onderzoeken heeft het hof in hoger beroep de raadsman van verdachte de mogelijkheid gegeven om de door hem verzochte Nederlandse opsporingsambtenaren [verbalisant 2], [verbalisant 3] [verbalisant 4] en [verbalisant 5], die in het kader van het rechtshulpverzoek in Roemenië zijn geweest, als getuigen te laten horen door de rechter-commissaris.

Voorts is liaison officer te Boekarest, [liaison officer], gehoord over de vraag of er daderinformatie is verstrekt door de Roemeense politie en/of de justitiële autoriteiten aan verdachte.

Ook is aan de justitiële autoriteiten in Roemenië de vraag gesteld of er in Roemenië verhoren van verdachte en zijn medeverdachte hebben plaats gevonden en of er mededelingen zijn gedaan door een Roemeense officier van justitie aan Nederlandse opsporingsambtenaren over verklaringen van verdachte.

Uit de verhoren bij de rechter-commissaris van [verbalisant 2], [verbalisant 3] [verbalisant 4], [verbalisant 5] en [liaison officer], uit een schrijven van de officier van justitie [officier van justitie], d.d. 18 mei 2009 en uit een schrijven van de Chief Prosecutor van het Roemeense ministerie van justitie, d.d. 20 mei 2009, en ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof niet gebleken, noch aannemelijk geworden dat in Roemenie onrechtmatig is gehandeld in voormeld onderzoekstraject, de contacten tussen de Nederlandse en Roemeense justitie en/of politiële autoriteiten dan wel eventueel onreglementair informatie is overgedragen, waaronder specifieke daderinformatie.

Voorts is daaruit niet gebleken dat de verdachte en zijn medeverdachte in Roemenië zijn verhoord en daar verklaringen hebben afgelegd.

Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat de verdachte zelf in zijn aan het hof op de terechtzitting van 11 december 2009 overgelegde schriftelijke verklaring heeft vermeld dat in Roemenië geen officiële verhoren hebben plaatsgevonden, maar meer gesprekken waren in het kader van “een praatje maken” en voorts in zijn laatste woord heeft verklaard dat hij in Roemenië drie weken in voorarrest heeft gezeten zonder verhoord te zijn geweest.

Verder is uit het onderzoek terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk geworden dat de verhoren van verdachte door de politie in Nederland op onrechtmatige wijze – in casu onder ontoelaatbare druk – hebben plaatsgevonden.

Hetgeen daartoe is aangevoerd is onvoldoende om aan te nemen dat er sprake zou zijn van verklaringen die door de samenloop of de druk van de omstandigheden tot stand zijn gekomen - en die deswege onbetrouwbaar zouden zijn.

Het hof overweegt voorts met betrekking tot het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting dat verdachte geen belang heeft bij een bespreking van zijn tot bewijsuitsluiting strekkende verweer indien materiaal ten aanzien waarvan een beroep is gedaan op bewijsuitsluiting, door de rechter niet voor het bewijs wordt gebezigd.

Het hof zal de bestreden verklaringen van 5, 6 en 8 maart 2008 niet voor het bewijs bezigen. Het hof zal gebruik maken van de verklaringen van verdachte, afgelegd bij de rechter-commissaris op 7 maart 2008 en bij zijn verhoor in raadkamer van de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 19 maart 2008, en die hij heeft afgelegd in het bijzijn van zijn raadsman en een tolk in de Roemeense taal.

Gelet daarop zal het hof aldus niet nader ingaan op dit gevoerde verweer.

Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep nog aangevoerd dat de betreffende rugzak wellicht kort voor de overval is kwijtgeraakt of afhandig gemaakt, en dat deze rugzak daarna door de plegers van de overval opzettelijk in de bewuste woning waar de overval heeft plaatsgevonden, is achtergelaten, enkel en alleen om de verdenking in de richting van anderen te leiden.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Allereerst hebben de verdachte en de mededader bekend dat zij het feit hebben gepleegd. Bovendien heeft de medeverdachte [medeverdachte] verklaard dat hij, toen hij bemerkte, dat hij de rugtas had achtergelaten in de woning, terug is gegaan in deze woning om deze rugtas op te halen.

Dit stemt overeen met de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1]. Zij heeft verklaard dat toen zij alleen was op zolder zij een rugzak zag staan. Zij is vervolgens naar de eerste etage gelopen. Toen kwam de eerste man weer naar boven gelopen, die haar telefoon uit de handen griste en haar sloeg met een pistool tegen haar hoofd. Vervolgens is deze man naar boven gerend. Later heeft zij buiten in de voortuin de rugzak weer zien staan.

Het hof acht het overigens volstrekt ongeloofwaardig dat iemand die een rugtas afhandig heeft gemaakt met de bedoeling deze achter te laten tijdens een overval om de verdenking van die overval in de richting van anderen te leiden, teruggaat in de woning waar die overval is gepleegd om die rugtas op te halen, om deze vervolgens weer in de voortuin achter te laten.

Het door de verdediging gevoerde bewijsverweer wordt derhalve in al haar aspecten verworpen.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat verdachte:

op 20 april 2006 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen bankpassen en contant geld, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededader:

- die [slachtoffer 1] hardhandig op de grond hebben gegooid, waardoor zij een

hoofdwond opliep en

- de handen van die [slachtoffer 1] achter haar rug hebben geboeid en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer 1] hebben gezet en

- die [slachtoffer 1] een hoes over het hoofd hebben getrokken en

- die [slachtoffer 1] met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd hebben geslagen en

-die [slachtoffer 2] op het hoofd hebben geslagen met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en

-die [slachtoffer 3] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd hebben gezet en

-die [slachtoffer 3] met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in het gezicht hebben geslagen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 312, eerste en tweede lid, aanhef en onder 2, juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De verdachte is door de rechter in eerste aanleg veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.

Het hof overweegt het volgende.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het bewezen verklaarde feit betreft een overval in een eigen woning van het slachtoffer.

Het hof hanteert, gelet op voormelde aard en ernst van het feit en mede gelet op de straftoemeting in soortgelijke zaken, als uitgangspunt voor de bepaling van de hoogte van de straf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Het hof acht deze strafoplegging in beginsel passend.

Het hof tilt voorts ten nadele van verdachte bijzonder zwaar aan de volgende omstandigheden waaronder deze overval is gepleegd:

a. de overval is gepleegd door twee overvallers, die daarbij gemaskerd waren.

b. door de overvallers werd toepassing van geweld of bedreiging met geweld niet geschuwd. Daarbij hebben zij gebruik gemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, door daarmee te dreigen, op het hoofd van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] te zetten, en ermee te slaan in het gezicht van [slachtoffer 2].

De betrokken slachtoffers wisten daarbij niet of zij te maken hadden met een echt of

een namaak wapen. Voorts is [slachtoffer 3] door een overvaller die schoenen met metaal aan de voorzijde aan had, met een van deze schoenen op haar gezicht getrapt.

c. het intimiderende en traumatiserende karakter van het bewezen verklaarde voor de slachtoffers. Voor wat betreft het slachtoffer [slachtoffer 1] werden door de daders ook gijzelingsaspecten niet geschuwd door haar handen te boeien op haar rug en het doen van een hoes over haar hoofd, haar mee te nemen naar een kamer op de zolder, waar zij op een bed werd gelegd, en waarna de gordijnen dicht werden gedaan. Zij hoorde toen ook het ritselen van ritsen.

d. de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed voor de slachtoffers heeft teweeg gebracht, de grote lichamelijke en/of psychische gevolgen die zij daarvan hebben ondervonden en nog steeds ondervinden, en de gevolgen van angst en onveiligheid, waarvan de slachtoffers nog lange tijd last zullen hebben.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat het slachtoffer [slachtoffer 2] onder meer twee gebroken jukbeenderen en een gebroken kin heeft opgelopen tengevolge van de mishandelingen die zij moest ondergaan.

e. het bijzonder gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die daarvan het gevolg is.

f. het feit dat verdachte tot op heden geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn uiterst laakbare gedrag.

Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van de ernst van het feit, de bijzondere omstandigheden en de gevolgen voor de slachtoffers is overwogen ligt een aanzienlijke verhoging van de tot uitgangspunt genomen straf in de rede, en wel in de mate als door de advocaat-generaal gevorderd.

Het hof zal daarom deze door de advocaat-generaal gevorderde straf opleggen.

Het hof acht het opleggen van een dergelijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of de andere deelnemer aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. J.F. Dekking en mr. M.E.F.H. van Erve,

in tegenwoordigheid van A.J.H.M. van Baast, griffier,

en op 24 december 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.E.F.H. van Erve is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.