Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK8389

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
09/00129
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag BPM terecht opgelegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 116
FutD 2010-0095
V-N 2010/14.31

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00129

Uitspraak op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z,

hierna: de Inspecteur,

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 28 september 2005, nummer 05/1079 in het geding tussen

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende

en

de Inspecteur

betreffende na te noemen naheffingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 00000000000/0.0000 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 2.566 aan belasting. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 138.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag vernietigd en de Staat gelast aan belanghebbende het griffierecht terug te geven.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem.

1.4. Bij schriftelijke uitspraak van 23 januari 2007 (nummer 05/00356) heeft het Gerechtshof Arnhem de uitspraak van de Rechtbank bevestigd en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 644.

1.5. De staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem beroep in cassatie ingesteld. In zijn arrest van 20 maart 2009, nr. 43.921, heeft de Hoge Raad der Nederlanden het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest (hierna: het verwijzingsarrest).

1.6. Belanghebbende en de Inspecteur zijn door de griffier in de gelegenheid gesteld tot een schriftelijke reactie op het verwijzingsarrest. De Inspecteur heeft bij brief van 2 april 2009 een conclusie ingezonden, belanghebbende heeft bij brief van 22 april 2009 een reactie op het arrest en op de conclusie van de Inspecteur ingezonden.

1.7. De zitting heeft plaatsgehad op 17 september 2009 te

's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de Inspecteur.

Belanghebbende is niet verschenen. De griffier heeft verklaard dat belanghebbende met de bij op 21 juli 2009, met nummer 3SRGHR4954912, aangetekend met Handtekening Retourkaart naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, in kennis is gesteld van datum, plaats en tijdstip van de zitting.

Tot de stukken van het geding behoort de op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende ondertekende Handtekening Retourkaart.

1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.9. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaringen van de Inspecteur tijdens het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

Belanghebbende was in de periode 26 maart 2004 tot en met 10 november 2004 houder van een auto, merk en type A, voorzien van een zogenoemd grijs kenteken (hierna: de auto). Op 26 oktober 2004 is de auto te B gecontroleerd door ambtenaren van de Belastingdienst. Daarbij is geconstateerd dat op de laadvloer van de auto twee stoelen waren geplaatst. Deze stoelen waren bevestigd door middel van een fabrieksmatig aangebracht, in de vloer verzonken bevestigingssysteem (een kliksysteem).

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen de Inspecteur hieraan ter zitting heeft toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep.

4. Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1. Blijkens de onder 1.7 vermelde stukken is de aldaar genoemde uitnodiging op 22 juli 2009 uitgereikt. Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.

Inzake het geschil

4.2. De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest het volgende overwogen en beslist:

"3.4. Naar de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn hiervoor in 3.2 vermelde arrest van 24 augustus 1999, kan nadat in de laadruimte van een bestelauto een houten bak met daarin een kinderzitje is aangebracht nog steeds sprake zijn van een laadruimte die in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer. Dit oordeel gaat echter niet op indien twee autostoelen zijn geplaatst in het compartiment achter de bestuurdersstoel en de naastgelegen passagiersstoel. Immers door die plaatsing behoudt slechts het compartiment achter de bijgeplaatste stoelen de functie van laadruimte.

Voor het Hof was klaarblijkelijk niet in geschil dat daarvan uitgaande de auto ten tijde van de controle niet voldeed aan de wettelijke definitie van bestelauto.

3.5. Gelet op het hiervoor in 3.4 overwogene slaagt het middel. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor behandeling van de door belanghebbende voor de Rechtbank aangevoerde klachten die door de Rechtbank en het Hof niet zijn behandeld.

4.3. Na verwijzing heeft het Hof nog de volgende grieven van belanghebbende te beoordelen:

1. Op grond van het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 13 december 2002, nr. CPP2002/1574M (het zogenoemde herstelbeleid) had aan belanghebbende een herstelmogelijkheid moeten worden geboden;

2. De naheffingsaanslag kan niet in stand blijven omdat op het moment van de controle geen personen werden vervoerd in de laadruimte;

3. De naheffingsaanslag dient met toepassing van de hardheidsclausule ex artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) te worden vernietigd.

Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.

4.4. Ten aanzien van de onder 4.2 ten eerste genoemde grief stelt het Hof voorop dat uit het verwijzingsarrest volgt dat de auto niet voldoet aan - kort geschreven - de fiscale maten. Uit onderdeel 2.2, aanhef en onder a, van het herstelbeleid volgt dan dat steeds dient te worden nageheven. Belanghebbende heeft in dit verband aangevoerd zich te beroepen op onderdeel 2.2, aanhef en onder e van het herstelbeleid en gesteld dat deze bepaling hier niet van toepassing is, omdat de stoelen eenvoudig te verwijderen zijn. Daargelaten wat daarvan zij, reeds omdat uit het verwijzingsarrest volgt dat de laadruimte niet voldoet aan de fiscale maten had belanghebbende volgens het herstelbeleid geen recht op de mogelijkheid tot herstel. De Inspecteur heeft gesteld dat de Staatssecretaris tot uitgangspunt heeft genomen dat geen herstelmogelijkheid wordt geboden daar waar het gaat om afwijkingen van de inrichtingseisen die artikel 3, derde lid van de Wet BPM stelt. De minimale inhoud van de laadruimte is een inrichtingseis die expliciet in artikel 3, derde lid, van de Wet BPM is gesteld. Dat de stoelen eenvoudig te verwijderen zijn maakt het voorgaande niet anders. Naar het oordeel van het Hof heeft de Staatssecretaris van Financiën bij het vaststellen van het herstelbeleid in redelijkheid ervoor kunnen kiezen geen herstelmogelijkheid te bieden voor gevallen waarin niet wordt voldaan aan de wettelijke inrichtingseisen.

4.5. De tweede onder 4.2 geformuleerde grief faalt eveneens. Gelet op het feit dat de auto van belanghebbende niet voldoet aan de wettelijke definitie van bestelauto is de auto een personenauto in de zin van de Wet BPM. Of er ten tijde van controle al dan niet personen op de achterstoelen werden vervoerd is dan niet relevant.

4.6. Ten aanzien van de derde onder 4.2 genoemde grief overweegt het Hof dat de in artikel 63 van de AWR bedoelde bevoegdheid om voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen, niet toekomt aan de belastingrechter, maar is voorbehouden aan de Minister van Financiën ((vergelijk onder meer: het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 1956, nummer 12 669, onder meer gepubliceerd in BNB 1956/134, van 11 mei 1977, nummer 18 128, onder meer gepubliceerd in BNB 1977/141 en van 29 maart 2002, nummer 36 513, onder meer gepubliceerd in BNB 2002/174).).

4.7. Blijkens het proces-verbaal van de zitting voor het Gerechtshof Arnhem is belanghebbende bekend met een andere persoon die een soortgelijke auto rijdt met een grijs kenteken. Tevens heeft hij tijdens die zitting gesteld dat hij een keer bij de grens is aangehouden door de Douane, maar de garagehouder toen alles heeft uitgelegd en geregeld met de desbetreffende ambtenaren.

Voor zover belanghebbende hiermee een beroep op het gelijkheidsbeginsel respectievelijk vertrouwensbeginsel heeft willen doen, treft dit beroep geen doel nu het niet dan wel onvoldoende is onderbouwd.

4.8. Gelet op het voorgaande komt het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep van de Inspecteur gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank moet dan ook worden vernietigd en het beroep tegen de uitspraak op bezwaar moet ongegrond worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9. Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Staat inzake het hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- verklaart het bij de Rechtbank tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 30 oktober 2009 door P. Fortuin, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.