Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK8087

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
04-01-2010
Zaaknummer
20-001164-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 3 Ow: Hennepteelt 34 planten (waaronder 27 stekjes). Verweer A: dertig planten teelde verdachte en mocht hij telen voor eigen (medicinaal) gebruik, de resterende vier planten vallen onder het gedoogbeleid zodat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in de vervolging. Verweer A wordt verworpen nu de vervolging betrekking heeft op 34 planten. Verweer B: beroep op noodtoestand (medicinaal gebruik hennep in verband met ADHD). Verweer B verworpen omdat een dergelijke noodtoestand niet aannemelijk is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001164-08

Uitspraak : 30 september 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 maart 2008 in de strafzaak met parketnummer 01-821601-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op 30 augustus 1969,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van EUR 300,--, bij niet betaling te vervangen door 6 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft aangevoerd dat bij verdachte 34 hennepplanten zijn aangetroffen, dat verdachte 30 daarvan teelde en mocht telen voor eigen medicinaal gebruik en dat de resterende 4 planten onder het gedoogbeleid vallen, zodat het openbaar ministerie niet kan worden ontvangen in de strafvervolging.

Het hof verwerpt dit verweer. Het gedoogbeleid waarop de raadsman zich beroept, houdt in dat bij teelt van niet meer dan 5 hennepplanten de zaak wordt afgedaan door middel van een politiesepot met afstand, dus dat het openbaar ministerie in dergelijke gevallen geen strafvervolging begint. De vervolging heeft in het onderhavige geval betrekking op 34 hennepplanten, dus op aanzienlijk meer dan maximaal 5 hennepplanten, waarbij in het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie de grens ligt tussen niet-vervolgen en (mogelijk) wel vervolgen. Dat verdachte zich beroept op overmacht ten aanzien van een deel van die 34 planten, kan geen afbreuk doen aan het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 september 2007 te Asten opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [straatnaam]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 34, althans een aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 september 2007 te Asten opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan [straatnaam]) een hoeveelheid van (in totaal) 34 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Het hof overweegt dat tot die 34 hennepplanten behoorden 27 stekjes die verdachte in potgrond had gezet om deze tot volwaardige hennepplanten op te kweken. Anders dan zijdens verdachte is aangevoerd, moet deze activiteit ook als het telen van hennepplanten worden aangemerkt.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, onder B, van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid, van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van het feit is van de zijde van de verdachte het verweer gevoerd dat verdachte bij het plegen van het strafbare feit heeft gehandeld uit overmacht in de zin van noodtoestand. De verdediging heeft hierbij aangevoerd dat verdachte lijdt aan een agressieve vorm van ADHD. Na een vruchteloze poging zijn ADHD onder controle te krijgen door middel van medicijngebruik is de verdachte overgegaan tot het gebruik van cannabis. Indien en voor zover het hof bewezen acht dat verdachte 34 hennepplanten heeft geteeld, heeft verdachte daarvan 30 planten geteeld ten behoeve van het medisch gebruik van cannabis. De verdediging verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 16 september 2008 (hof: vindplaats LJN: BC7923).

De verdachte is daarom in de visie van de verdediging niet strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde en dient van alle rechtsvervolging te worden ontslagen.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat het telen van de vier overgebleven hennepplanten, bedoeld voor het kweken van zaden, onder het gedoogbeleid valt en verdachte daarvoor niet kan worden vervolgd. Het hof begrijpt dit verweer als een beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt hieromtrent het navolgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij ongeveer 20 jaar geleden op voorschrift medicijnen heeft gekregen van de huisarts. Deze medicijnen waren slechts één dag werkzaam, aldus verdachte, daar hij de volgende dag in een woedeaanval zijn huis heeft vernield. Sindsdien gebruikt verdachte eigen geteelde cannabis om rustig te worden. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij ongeveer 14 jaar geleden, ter gelegenheid van een onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van ADHD bij zijn zoon, heeft gesproken met diens kinderarts. Verdachte heeft verklaard dat hij ongeveer 5 jaar geleden met zijn huisarts heeft gesproken over medicijnen ter vervanging van cannabis, waarop de huisarts hem mededeelde dat verdachte medicijnen zou moeten testen om de werkzaamheid daarvan te kunnen bepalen. Verdachte heeft naar eigen zeggen geen nieuwe woedeaanval willen riskeren en heeft het aanbod afgeslagen.

Het hof overweegt verder als volgt. De verdachte stelt in de kern dat hij gerechtigd is om hennep te telen ten behoeve van geneeskundige toepassing bij zichzelf. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn genoemde arrest van 16 september 2008 is in een zodanig geval, waarin de wetgever in de Opiumwet een bijzondere regeling heeft getroffen in de vorm van de mogelijke verlening van ontheffing in verband met een geneeskundige toepassing van cannabis, een beroep op noodtoestand niet uitgesloten, maar zal een dergelijk beroep slechts bij hoge uitzondering kunnen worden aanvaard. Een dergelijke uitzonderlijke situatie is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.

Het hof stelt vast dat gelet op het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat er een dwingende medische reden aan het cannabisgebruik van verdachte ten grondslag lag. Op grond van de hierboven weergegeven verklaring van de verdachte stelt het hof vast dat hij in een periode van ongeveer 20 jaren slechts op drie momenten met een arts heeft gesproken over de mogelijkheid van het slikken van medicijnen, waarbij het gesprek met de kinderarts van zijn zoon niet als een serieuze consultatie van zijn eigen ADHD-problemen kan worden aangemerkt.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte hiermee onvoldoende onderzocht of reguliere medicijnen een alternatief kunnen zijn voor de door verdachte geteelde cannabis. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat verdachte op eigen initiatief en niet op doktersvoorschrift cannabis is gaan gebruiken. Gelet op het vorenstaande is het bestaan van een noodtoestand niet aannemelijk geworden.

Er zijn ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof zal slechts een geheel voorwaardelijke geldboete opleggen, omdat aannemelijk is geworden dat verdachte een deel van de hennepplanten teelde voor eigen gebruik. De advocaat-generaal heeft een voorwaardelijke geldboete van EUR 300,-- gevorderd. Het hof zal een wat hogere boete opleggen dan door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin onvoldoende tot uitdrukking komt:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder ter zake een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.

Het hof acht een wat langere stok achter de deur nodig dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 450,00 (vierhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis.

Bepaalt, dat de geldboete van EUR 450,00 (vierhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. N.J.L.M. Tuijn, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. C.M. Hilverda,

in tegenwoordigheid van mr. S.J.F. Heirman, griffier,

en op 30 september 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.