Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK8009

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
30-12-2009
Zaaknummer
HD 200.011.431
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergoeding van kosten onderzoek naar samenwonen door alimentatiegerechtigde?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. SH

zaaknr. HD 200.011.431

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

eerste kamer, van 22 december 2009,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende te [plaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 1 juli 2008,

advocaat: mr. Jac de Bliek

tegen:

[GEINTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

advocaat: mr. C.A.M. Swagemakers,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda op 9 april 2008 gewezen vonnis tussen appellante - nader te noemen [appellante] - als gedaagde en geïntimeerde - nader te noemen [geïntimeerde] - als eiser.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 184406/HAZA 08-132)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en de daaraan voorafgaande beschikking tussen partijen van 18 december 2007, gevolgd door een aanvullende beschikking van 21 december 2007.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellante] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog afwijzing van de vordering van [geïntimeerde], met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de appelprocedure.

2.2. Bij memorie van antwoord, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel, heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en in incidenteel appel gevorderd alsnog de door de rechtbank afgewezen buitengerechtelijke kosten toe te wijzen en [appellante] te veroordelen in de proceskosten met betrekking tot de beschikking van 18 december 2007 en met betrekking tot de vordering ter zake schadevergoeding wegens onrechtmatige daad.

2.3. Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft [geïntimeerde] op de memorie van grieven in incidenteel appel gereageerd. [geïntimeerde] heeft daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven.

4. De beoordeling

De grieven richten zich niet tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in rechtsoverweging 3.1. Het hof zal de feiten hierna duidelijkheidshalve herhalen.

Het gaat in dit geschil om het volgende.

[Appellante] en [geïntimeerde] zijn met elkaar gehuwd geweest tot 13 februari 2003.

Bij beschikking van 27 mei 2003, verbeterd bij beschikking van 8 juli 2003, heeft (de familiekamer van) de rechtbank 's-Hertogenbosch bepaald dat [geïntimeerde] aan [appellante] een bijdrage diende te betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter van partijen [geïntimeerde] ter grootte van € 500, alsook aan [appellante] voor haar levensonderhoud een bedrag van € 3.084 per maand diende te voldoen.

In 2006 heeft [geïntimeerde] een onderzoek doen instellen door het Onderzoeks- en Adviesbureau Schalke & Partners te Breda. Dat bureau heeft op 10 mei 2006 een rapport en een observatieverslag uitgebracht (productie 6 bij verzoekschrift d.d. 14 mei 2007).

Op verzoek van [geïntimeerde] zijn op 27 oktober 2006 en 24 januari 2007 in voorlopig getuigenverhoor ten overstaan van de rechtbank Breda getuigen gehoord, onder wie [appellante] en [persoon 1] (producties 7 en 8 bij verzoekschrift d.d. 14 maart 2007).

[Geïntimeerde] heeft op 14 maart 2007 een verzoekschrift tot nihilstelling c.q. vermindering van partneralimentatie ingediend bij de rechtbank Breda. Daarin heeft hij, onder meer met een beroep op het hiervoor genoemde rapport en voorlopig getuigenverhoor, gesteld dat [appellante] sinds september 2004 samenleeft met [persoon 1] als waren zij gehuwd. Naast nihilstelling van de alimentatie heeft [geïntimeerde] in dat geding, stellende dat [appellante] onrechtmatig tegen hem heeft gehandeld door opzettelijk informatie achter te houden en geen volledige opening van zaken te geven, een schadevergoeding gevorderd bestaande uit de kosten van bureau Schalke & Partners (€ 16.852,39), kosten van de advocaat (€ 18.779,99), en griffierecht en deurwaarderskosten in verband met voorlopig getuigenverhoor.

Bij beschikking van 18 december 2007 (productie 7 in eerste aanleg) heeft (de familiekamer van) de rechtbank Breda een beschikking betreffende levensonderhoud gegeven, waarin is verstaan dat de verplichting van de man tot betaling van een onderhoudsbijdrage aan de vrouw per 1 november 2005 van rechtswege is geëindigd. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat - op grond van de observaties bij de woning van de vrouw en verklaringen van [appellante] en [persoon 1] als getuigen in het voorlopige getuigenverhoor voor de rechtbank - vast staat dat per 1 november 2005 sprake is van feitelijk structureel samenwonen en wederzijdse verzorging van de vrouw met [persoon 1]. Ter zake van de gevorderde schadevergoeding heeft de rechtbank geoordeeld dat moet worden vastgesteld dat deze vordering niet met een verzoekschrift doch met een dagvaarding had behoren te worden ingeleid, en dat de vordering daarmee dient te worden beoordeeld door team handel van de civiele sector van deze rechtbank Breda. De rechtbank heeft de beslissing omtrent de proceskosten voor zover het de behandeling bij de familiekamer betrof eveneens verwezen naar het team handel. Bij aanvullende beschikking d.d. 21 december 2007 (productie 7 in eerste aanleg) heeft de rechtbank het dictum van eerdergenoemde beschikking aangevuld met een (formele) verwijzing van de zaak ter verdere beslissing omtrent de gevorderde schade naar de terechtzitting van de sector civiel, team handelsrecht, van de rechtbank Breda.

Tegen deze beschikking is door [appellante] geen hoger beroep ingesteld.

Nadat [geïntimeerde] een nadere conclusie, tevens houdende vermeerdering van eis had genomen en [appellante] een conclusie van antwoord, heeft de rechtbank (sector civiel, team handelsrecht) bij vonnis van 9 april 2008 [appellante] veroordeeld aan [geïntimeerde] inzake de kosten van Schalke & Partners een bedrag te betalen van € 16.852,39 vermeerderd met wettelijke rente, en overigens het gevorderde afgewezen. De rechtbank heeft daarbij de proceskosten gecompenseerd, zowel in de procedure bij de familiekamer als in die bij de handelskamer.

De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen dat gelet op de inhoud van de eerdere beschikking het er voor moet worden gehouden dat [appellante] de relatie met [persoon 1] voor [geintimeerde] heeft willen verzwijgen en daarenboven ten onrechte heeft gesteld en volgehouden dat geen sprake was van een rechtens relevante relatie tussen haar en [persoon 1]. Naar het oordeel van de rechtbank was dit in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, en een toerekenbare onrechtmatige daad van [appellante] jegens [geïntimeerde]. Naar het oordeel van de rechtbank had [appellante] in ieder geval per 1 november 2005 aan [geïntimeerde] moeten melden dat sprake was van een relevante verandering in haar situatie, dit gelet op de mogelijke gevolgen voor de alimentatieverplichting van [geïntimeerde].

De rechtbank heeft vervolgens inzake de schadeposten overwogen dat buitengerechtelijke kosten in geval van vonniswijzen slechts op de voet van artikel 6:96 lid 2 in BW als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen voor zover die kosten betrekking hebben op andere verrichtingen dan die waarvoor de in artikel 241 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

De rechtbank heeft de kosten van het onderzoek van Schalke & Partners in volle omvang aangemerkt als redelijke kosten van vaststelling van aansprakelijkheid ex artikel 6:96 lid 2 onder b BW en niet vallend onder artikel 241 Rv. Ten aanzien van de andere kosten heeft zij geoordeeld dat het daarbij weliswaar gaat om kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW, maar dat het tevens gaat om werkzaamheden als bedoeld in artikel 241 Rv. Nu [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom die werkzaamheden geen kosten zijn als bedoeld in artikel 241 Rv heeft de rechtbank de vordering in zoverre afgewezen.

De rechtbank heeft vervolgens, nu beide partijen deels in het ongelijk waren gesteld, in de dagvaardingsprocedure de proceskosten gecompenseerd. De kosten die partijen hebben gemaakt in de procedure die heeft geleid tot de beschikking van de familiekamer zijn eveneens gecompenseerd, in dit geval omdat partijen gewezen echtelieden zijn.

De grieven in principaal en incidenteel appel stellen de beslissing van de rechtbank in volle omvang ter discussie. Het hof zal de grieven dan ook niet afzonderlijk behandelen.

Bij de beoordeling van de vraag of [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde] stelt het hof voorop dat de vrouw geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Breda van 18 december 2007. Daarom staat - zoals ook de rechtbank heeft beslist - deze beslissing tussen partijen vast en is deze ook voor het hof uitgangspunt bij hetgeen ter beslissing voorligt. Derhalve staat vast dat [appellante] sinds in november 2005 heeft samengewoond met een ander als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW, zodat vanaf die datum [geintimeerde] niet langer verplicht was aan [appellante] partneralimentatie te betalen.

Het hof vat, evenals de rechtbank, de vordering van [geïntimeerde] aldus op dat deze aan zijn vordering ten grondslag legt dat [appellante] gehouden was gedurende de periode waarin [geïntimeerde] alimentatie aan haar diende te betalen - eigener beweging - aan hem mee te delen dat er sprake was van een dergelijk samenwonen. Anders dan de rechtbank is het hof evenwel van oordeel dat een dergelijke verplichting tussen ex-echtgenoten in zijn algemeenheid niet kan worden aanvaard. Of een dergelijke mededelingsplicht bestaat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval (vgl. HR 31 maart 1978, NJ 1978, 363).

Indien de situatie aldus was geweest, dat [geïntimeerde] aan [appellante] daadwerkelijk de alimentatie betaalde die hij verschuldigd was, terwijl het voor [appellante] duidelijk was of redelijkerwijs moest zijn dat de omstandigheden op grond waarvan zij alimentatie ontving dusdanig waren gewijzigd dat zij niet langer op die alimentatie aanspraak kon maken, kan in beginsel worden aangenomen dat [appellante] verplicht was dit aan [geïntimeerde] mee te delen dan wel die betalingen te retourneren. Die situatie doet zich hier echter niet voor. Als niet weersproken staat vast dat [geïntimeerde] aan [appellante] al geruime tijd vóór 1 november 2005 geen alimentatie meer betaalde, en het enkele feit dat hij een alternatief voorstel heeft gedaan voor een betaling ineens neemt niet weg dat het niet meedelen door [appellante] niet tot gevolg heeft gehad dat [geïntimeerde] betalingen heeft verricht aan [appellante] die onverschuldigd bleken. Voorts is weliswaar door de beslissing van de rechtbank met terugwerkende kracht komen vast te staan dat [appellante] sinds 1 november 2005 samenleefde met een ander als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW, maar een dergelijke vaststelling door de rechter achteraf betekent niet dat het ook [appellante] dan vanaf dat tijdstip duidelijk moest zijn dat zich in haar geval de situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW voordeed. Ook zou het enkele feit dat [appellante] zich in rechte heeft verweerd tegen de vordering van [geïntimeerde] tot nihilstelling van de alimentatie, en dat zij daarbij in het ongelijk is gesteld, weliswaar grond kunnen geven voor een veroordeling van [appellante] in de proceskosten van [geïntimeerde] (zij het dat in dit geval die kosten zoals gebruikelijk zijn gecompenseerd, nu het hier ging om een geschil tussen ex-echtgenoten), maar dat feit is niet zonder meer voldoende grond om haar daarnaast te veroordelen in afzonderlijk gevorderde kosten van de procesvoering (HR 27 juni 1997, NJ 1997, 651).

Ten overvloede overweegt het hof nog als volgt. De door [geïntimeerde] geclaimde schade inzake de rapportage door Schalke & Partners is - zoals de rechtbank ook terecht heeft overwogen - schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b BW. Die bepaling biedt echter zelf geen grondslag voor een verplichting tot vergoeding van (enkel en alleen) de kosten die worden gemaakt om vast te stellen of iemand aansprakelijk is, maar veronderstelt juist dat er een wettelijke verplichting tot vergoeding van schade bestaat (HR 11 juli 2003, NJ 2003, 50). Dat er andere schade dan deze rechercheschade is geleden door [geïntimeerde] (afgezien van kosten in verband met het voeren van de procedure tot vergoeding van deze schade) is door [geïntimeerde] niet gesteld. Van de - in dit verband voor de hand liggende - schade doordat ten onrechte alimentatie is betaald is immers geen sprake.

Ook op die grond moet de vordering van [geïntimeerde] worden afgewezen.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de grieven van [geïntimeerde] falen en die van [appellante] slagen. Het hof zal dan ook het vonnis van de rechtbank vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] alsnog in volle omvang afwijzen. Dit is slechts anders ten aanzien van de beslissing van de rechtbank de kosten in de verzoekschriftprocedure te compenseren. Die beslissing zal op de door de rechtbank reeds aangevoerde gronden worden bekrachtigd. Het hof zal de kosten van de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg en in hoger beroep compenseren, nu het hier gaat om een geschil tussen ex-echtgenoten.

5. De uitspraak

Het hof:

op principaal appel:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Breda van 9 april 2008 voor zover daarbij de kosten in de verzoekschrift procedure tussen partijen zijn gecompenseerd;

vernietigt het vonnis van de rechtbank Breda van 9 april 2008 tussen partijen gewezen voor het overige;

en in zoverre opnieuw rechtdoende: wijst de vordering van [geïntimeerde] af;

op incidenteel appel:

wijst de gevorderde vernietiging af;

in principaal en incidenteel appel:

compenseert in de dagvaardingsprocedure de kosten in eerste aanleg en in hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Begheyn, Feddes en Riemens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op

22 december 2009.