Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK7953

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-09-2009
Datum publicatie
30-12-2009
Zaaknummer
HD 200.007.653
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art 7:900 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MdL

zaaknr. HD 200.007.653

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

tweede kamer, van 29 september 2009,

gewezen in de zaak van:

1. [APPELLANT SUB 1], h.o.d.n. [BEDRIJF 1],

wonende te [plaats],

2. [APPELLANT SUB 2],

gevestigd te [plaats],

appellanten bij exploot van dagvaarding van 5 juni 2008,

advocaat: mr. P.J.A.M. Baudoin,

tegen:

1. [GEINTIMEERDE SUB 1],

wonende te [plaats],

2. [GEINTIMEERDE SUB 2],

wonende te [plaats],

3. [GEINTIMEERDE SUB 3],

wonende te [plaats],

geïntimeerden bij gemeld exploot,

advocaat: mr. M.C. Oosterhuis-Smits,

op het hoger beroep van het door de rechtbank [plaats], sector kanton, gewezen vonnis van 19 maart 2008 tussen appellanten - tezamen [appellanten] en afzonderlijk respectievelijk [appellant sub 1] en [appellant sub 2] te noemen - als gedaagden en geïntimeerden - [geïntimeerden] - als eisers.

Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer: 399818 CV EXPL 06-4047)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane tussenvonnissen van 20 december 2006 en 5 september 2007.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven hebben [appellanten], onder overlegging een productie, vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, afwijzing alsnog van de vorderingen van [geïntimeerden] en veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten van het hoger beroep.

2.3. Hierna hebben [appellanten] nog een akte genomen en een productie overgelegd. [geïntimeerden] hebben daarop bij antwoordakte gereageerd.

2.4. Tot slot hebben de partijen de procesdossiers voor uitspraak overgelegd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de precieze inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1.1. De rechtbank heeft onder 3 van het tussenvonnis van 20 december (p. 2 t/m derde alinea p.3) een opsomming gegeven van de vaststaande feiten. De juistheid van die opsomming is in hoger beroep niet betwist, zodat ook in hoger beroep van die feiten kan worden uitgegaan.

4.1.2. Het gaat in deze zaak kort samengevat om het volgende:

[geïntimeerden] hebben via het internet reisbureau VakantieTours.nl een vakantie (vlucht + all inclusive hotel in Alanya, Turkije) geboekt voor zeven personen voor de periode van 2 tot 9 mei 2004; [geïntimeerden] boekten deze reis voor zichzelf, twee kinderen en hun (schoon)ouders, aan wie zij de reis aanboden als cadeau voor hun 40-jarig huwelijk.

[geïntimeerden] hebben van VakantieTours.nl een schriftelijke bevestiging van de reis ontvangen, gedateerd 20.04.04/31.03.04 (prod.1 inl.dagv.). De bevestiging vermeldt als klantnr.: 1004364 en als reserv.nr.: 0021604.

In de bevestiging zijn onder meer de vluchtnummers van de vluchten op 2 en 9 mei 2004 vermeld en de namen van de zeven passagiers, waarbij achter de naam van [geïntimeerde sub 2] is vermeld "INVALIDE". Verder is in de bevestiging vermeld: "INVALIDEROOM: HOTEL BANANA 4*, TRPL ROOM/A1" en "Opmerkingen: Let op !! Invalideplaats aub". In de bevestiging is voorts vermeld: "[opmerking]".

In de bevestiging is als totaal van de totale reissom vermeld € 3100.40, gevolgd door de woorden "reeds betaald: 3100.40". Onder "opmerkingen" is vermeld: "U wordt vriendelijk verzocht het totaalbedrag te voldoen op ABNAMRO nr. [rekeningnummer] t.n.v. Vakantie Tours te Bergen op Zoom", alsmede "07.04.04: 3100.40 EUR ontvangen".

Bij de bevestiging behoort een bijlage met het opschrift "Bijlage behorende bij uw reserveringsformulier Vakantie Tours" (prod. 2 inl. dagv.). In deze bijlage is onder het opschrift "Definitie" onder meer vermeld: "a. 'Reisbureau': Zaga Tours en/of VakantieTours" b. 'Reisovereenkomst': De overeenkomst waarbij Reisbureau zich jegens Reiziger verbindt tot het verschaffen van een door hem aangeboden van tevoren georganiseerde reis, overeenkomst het bepaalde in artikel 7:500 BW e. 'Reisorganisator': Organisator en/of Touroperator staan vermeld op voorzijde, onder het deel organisator/ operator".

De betaling van het bedrag van € 3.100,40 op 7 april 2004 heeft plaatsgevonden door overschrijving op de hiervoor genoemde rekening nr. [rekeningnummer]. Deze rekening is volgens het rekeningafschrift van [geïntimeerden] (prod. 15a bij antwoordakte [geïntimeerden] d.d. 14 maart 2007) gesteld op de naam "ON TIME ZAGA VAKANTIETOU".

Na aankomst van het reisgezelschap van [geïntimeerden] in het hotel in Alanya bleek het hotel niet te voldoen aan de rolstoelgeschiktheid die [geïntimeerden] was toegezegd. [geïntimeerden] hebben hun klacht gemeld aan de aan hen opgegeven, ter plaatse aanwezige, hostess [persoon 1]. De klacht is op schrift gesteld op een formulier dat door [persoon 1] onder het opschrift "naam van de reisleidster" (voor gezien) is ondertekend. De ondertekening van [persoon 1] is geplaatst onder de tekst: "De melding van de gebreken werd voor de eerste keer gemeld op 3/5/2004 bij [persoon 1] en bij Bananahotel op 2/5 2004. Dit afschrift is een in kennisneming en geen bevestiging en wordt voor een onderzoek die op korte termijn plaatsvindt gebruikt. Plaats, datum, tijd: Alanya, 7/5/'04." (prod. 10b bij repliek).

In een brief van 19 juli 2004 (prod. 6 inl. dagv.) aan [geïntimeerde sub 1], vermeldende: "betreft: Klachtbrief" en ondertekend door "[bedrijf 1], Serviceafdeling", is aan [geïntimeerde sub 1] bericht: "Uw brief is in behandeling genomen door onze serviceafdeling, waar de aard van de klacht is onderzocht. Wij betreuren, dat u tijdens uw vakantie op onvolkomenheden bent gestuit. Terugkerende op uw relaas wil ik u ten eerste onze welgemeende excuses aanbieden betreft de onduidelijkheid die ontstaan is over de geschiktheid voor gehandicapten in Club Hotel Banana. Bij vrijwel alle faciliteiten van Club Banana is er rekening gehouden met rolstoelgebruikers, maar helaas niet bij alle. .......... Om alles samen te vatten, kunnen wij u helaas niks restitueren. Daar wij het erg vervelend voor U vinden, willen wij van [bedrijf 1] U wel éénmalig korting geven op uw volgende reis. Wij kunnen U helpen bij het uitzoeken van een hotel wat geschikt is voor gehandicapten. .........".

Voormelde brief is gesteld op briefpapier dat aan de kop, stilistisch weergegeven, de naam [bedrijf 1]" draagt en waarop onder aan de pagina als inschrijvingsnummer bij de Kamer van Koophandel is vermeld: [nummer 1]. Onder dit nummer is blijkens een op 19-04-2006 gedateerd uittreksel(prod. 17 akte [geïntimeerden] d.d. 14 maart 2007) in het handelsregister ingeschreven: [bedrijf 1]. Vermeld is verder dat dit een op 4-12-2002 gevestigde onderneming is die sedert 23-05-2003 wordt gedreven voor rekening van [appellant sub 1], [adres 1] te [plaats] en die ten doel heeft: het bemiddelen en adviseren in reizen.

De afdeling rechtshulp van de ANWB heeft zich bij brief van 23 september 2004 van [persoon 2] op verzoek [geïntimeerde sub 1] gericht tot '[bedrijf 1], t.a.v. [appellant sub 1]', gericht met het verzoek om restitutie van de totale reissom van € 3.100,40 vanwege (a) de ongeschiktheid van het hotel voor een gehandicapte en (b) het feit dat het extra bed niet meer bleek te zijn dan een bank van 60 cm breed (prod. 11 bij repliek).

Bij brief van 7 januari 2005 heeft [persoon 2] wegens voormelde klachten Vakantietours.nl aangesproken. In die brief ontbindt [persoon 2] namens cliënte de overeenkomst en vordert zij restitutie van 50% van de reissom (prod. 12 bij repliek) en immateriële schadevergoeding van eenzelfde bedrag.

In een reactie op die brief antwoordt VakantieTours (Klantenservice) bij brief, (kennelijk abusievelijk) gedateerd 10 december 2004:"Ik heb uw brief van 7 januari jl. goed ontvangen, en bij deze zend ik u een reactie hierop. Ik zal uw documentatie doorsturen naar de touroperator waarbij de boeking was ondergebracht, namelijk [bedrijf 1]. Helaas kost het bij grote touroperators veel tijd om alles uit te zoeken, aangaande zulke zaken, dus vragen wij uw begrip dat het 6-10 weken kan duren ....".

[persoon 2] heeft zich hierop andermaal gericht tot [appellant sub 1] bij brief van 17 maart 2005. In die brief schrijft [persoon 2]:"Inzake bovengenoemde kwestie zond ik u 23 september 2004 een brief. Een kopie van genoemde brief treft u hierbij aan. Naar aanleiding van deze brief deelde u mij mee dat niet uw organisatie maar Vakantietours.nl als reisorganisator optrad. [persoon 3] van Vakantietours.nl deelde mij echter mee dat er sprake was van een miscommunicatie en dat uw organisatie wel degelijk de reisorganisator was. Derhalve handhaaf ik de vordering zoals gesteld in mijn brief van 23 september 2004. Mocht ik binnen 10 dagen na dagtekening van deze brief geen afdoende reactie van u hebben ontvangen, dan zal ik een gerechtelijke procedure starten. De wettelijke rente en kosten van rechtsbijstand zullen in dat geval als schadepost worden opgevoerd."

In de hiervoor genoemde brief,(kennelijk abusievelijk) gedateerd 10 december 2004 van Vakantietours.nl aan de afdeling rechtshulp van de ANWB is bij de adres- en andere gegevens van Vakantietours.nl onder aan de pagina onder meer vermeld: KvK nr: [nummer 2]. Volgens een door [geïntimeerden] overgelegd uittreksel d.d. 26-02-2007 uit het handelsregister (prod. 16 1 t/m 3) is onder dit dossiernummer ingeschreven de besloten vennootschap "On Time B.V." (in staat van faillissement verklaard 27-09-2005) waarvan enig aandeelhouder en bestuurder was: [appellant sub 1], een broer van [appellant sub 1]. Als adres van [appellant sub 1] is in voormeld uittreksel vermeld "[adres 1] te [plaats]", het adres waarop ook [appellant sub 1] ten tijde van de dagvaarding in eerste aanleg woonachtig was en dat als adres van [appellant sub 1] is vermeld in het hiervoor genoemde uittreksel van [bedrijf 1]. Uit de handelsregisterhistorie van het dossiernummer [nummer 2] blijkt voorts dat On Time BV een groot aantal handelsnamen heeft gevoerd, waaronder Vakantietours, Vakantie Tours, vakantietours.nl, Zaga Tours en On Time B.V.

4.1.3. [geïntimeerden] hebben in eerste aanleg gevorderd dat [appellanten] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 3.100,40 (ter restitutie van de helft van de reissom en vergoeding van eenzelfde bedrag als immateriële schadevergoeding), vermeerderd met de wettelijke rente daarover sedert 28 maart 2005. [geïntimeerden] hebben aan die vordering ten grondslag gelegd dat volgens de bevestiging [bedrijf 1] de touroperator van hun tevoren georganiseerde reis was en [bedrijf 1] daarom op grond van art. 7:507 BW aansprakelijk is voor het feit dat de reis niet heeft beantwoord aan hetgeen zij daarvan mochten verwachten. [geïntimeerden] stellen daartoe dat zowel volgens de Algemene Voorwaarden van VakantieTours als volgens die van [bedrijf 1] (art. 1 onder a, prod. 3a en 3b inl. dagv.) reisorganisator is de touroperator/airline die aan de voorzijde van de bevestiging staat vermeld bij "Operator". Zij hebben zowel [appellant sub 1] aangesproken als [appellant sub 2] omdat zij het aannemelijk achtten dat [appellant sub 1] de verplichtingen van zijn eenmanszaak in [appellant sub 2] had ingebracht.

4.1.4. [appellanten] hebben aanvankelijk betwist dat zij bekend waren met de door [geïntimeerden] genoemde brieven van 23 september 2004 en 17 maart 2005 en gesteld dat zij ook de als productie 6 bij de inleidende dagvaarding overgelegde brief van [bedrijf 1] van 19 juli 2004 niet kenden. Na overlegging van die stukken bij repliek en depot door [geïntimeerden] van het origineel van de brief van 19 juli 2004 hebben zij die betwisting en ontkenning echter verder niet meer gemotiveerd en als verweer tegen de vordering van [geïntimeerden] aangevoerd dat zij voor wat betreft de in het geding zijnde reis alleen als tussenpersoon zijn opgetreden door die reis voor VakantieTours te boeken bij de reisorganisator CNN Tours. Subsidiair hebben [appellanten] betwist dat er sprake is geweest van een tekortkoming in de uitvoering van de reisovereenkomst. [appellanten] hebben verder gesteld dat de eenmanszaak van [appellant sub 1] niet in [appellant sub 2] is ingebracht.

4.1.5. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 20 december 2006 onder meer overwogen (a) dat tussen partijen niet in geschil was dat het te dezen ging om een overeenkomst die betrekking had op een van tevoren georganiseerde reis in de zin van art. 7:500 BW en (b) dat [appellant sub 1] diende te worden aangemerkt als reisorganisator met betrekking tot de in het geding zijnde reis, tenzij zou komen vast te staan dat [appellant sub 1] bij de verkoop van deze reis aan Vakantietours.nl uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat niet [appellant sub 1] maar CNN Tours de organisator was van de aan [geïntimeerden] verkochte reis. De kantonrechter heeft bij het tussenvonnis van 20 december 2006 [appellant sub 1] toegelaten dit te bewijzen (bewijsopdracht A). Voorts droeg de kantonrechter [appellanten] op te bewijzen, kort gezegd, dat CNN Tours ten tijde van de verkoop van de reis op 31 maart 2004 al bestond (bewijsopdracht B).

4.1.6. Bij het eindvonnis van 19 maart 2008 heeft de kantonrechter overwogen dat uit de verklaringen van de getuigen niet geheel duidelijk was geworden of [appellant sub 1] vóór 31 maart 2004 (toev. hof: de datum van boeking van de reis door [geïntimeerden]) aan Vakantietours.nl al mededeling had gedaan dat CNN Tours de organisator was. De kantonrechter overwoog dat, indien er veronderstellenderwijs van werd uitgegaan dat dit het geval was geweest, dit [appellant sub 1] niet kon baten om de verdere in r.o. 2.4 van het eindvonnis aangegeven redenen, kort samengevat: de verzwijging van de nauwe samenwerking tussen de beide broers [appellant sub 1] jegens [geïntimeerden] en het pas in de loop van de procedure en na het faillissement van CNN Tours onthullen dat [geïntimeerden] bij CNN Tours moesten zijn. De kantonrechter achtte [appellant sub 1] om die redenen jegens [geïntimeerden] aansprakelijk voor eventuele tekortkomingen in de nakoming van de reisovereenkomst. De kantonrechter wees tegen hem de vordering van [geïntimeerden] toe tot een bedrag van € 1.860,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2005. Ten aanzien van [appellant sub 2] wees de kantonrechter de vordering van [geïntimeerden] af omdat niet vaststond dat [appellant sub 1] de verplichting tot schadeloosstelling in laatstgenoemde vennootschap had ingebracht.

4.2. Nu de vordering van [geïntimeerden] jegens [appellant sub 2] door de kantonrechter is afgewezen, heeft [appellant sub 2] bij het mede door haar ingesteld hoger beroep geen belang, zodat zij in haar hoger beroep niet ontvankelijk zal worden verklaard. Het hof zal de grieven verder alleen ten aanzien van [appellant sub 1] bespreken.

4.3. Grief 1 is gericht tegen de overweging van de kantonrechter (r.o. 2.2 laatste alinea vonnis 19 maart 2008) dat van betrokkenheid van [appellanten] bij CNN Tours niet is gebleken. [appellant sub 1] stelt in deze grief terecht dat deze vaststelling overbodig was. Nu de kantonrechter zijn beslissing niet op die vaststelling heeft doen steunen, is deze grief niet ter zake dienende en kan deze [appellant sub 1] niet baten.

4.4.1. De grieven 2 t/m 4 richten zich, kort samengevat, tegen de in r.o. 2.4 van het eindvonnis genoemde gronden waarop de kantonrechter tot zijn beslissing over de aansprakelijkheid van [appellant sub 1] is gekomen. Het hof zal deze grieven niet alle afzonderlijk bespreken nu deze grieven om de hierna te melden reden geen doel kunnen treffen.

4.4.2. Het hof is met [appellant sub 1] van oordeel dat, gegeven het feit dat [appellant sub 1] door [geïntimeerden] wordt aangesproken in zijn hoedanigheid van reisorganisator, het in deze procedure gaat om de vraag of [geïntimeerden] [appellant sub 1] al dan niet als de reisorganisator van de in het geding zijnde reis hebben mogen beschouwen. Dat was, naar het hof aanneemt, ook het uitgangspunt van het in het in hoger beroep niet bestreden tussenvonnis van 20 december 2006, waarin de kantonrechter overwoog dat in de aan [geïntimeerden] verstrekte bevestiging van de reis [bedrijf 1] (derhalve de eenmanszaak van [appellant sub 1]) als zodanig werd vermeld en waarin [appellant sub 1] werd toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij vóór de bevestiging van de reis aan [geïntimeerden] aan Vakantietours.nl had meegedeeld dat niet hij maar CNN Tours de organisator was. Op gezag van het reisbureau en de door het reisbureau aan hen verstrekte gegevens mochten [geïntimeerden] in beginsel aannemen dat de in de bevestiging vermelde touroperator de reisorganisator was tenzij de desbetreffende touroperator ten onrechte in de bevestiging als zodanig vermeld zou zijn geweest en hem van die onjuiste vermelding geen verwijt kan worden gemaakt.

4.4.3. Bij de beoordeling van de bewijsvoering ingevolge het tussenvonnis van 20 december 2006 gaat het derhalve niet alleen om de vraag of in de bevestiging van de reis aan [geïntimeerden] al dan niet terecht [appellant sub 1] als reisorganisator is vermeld maar ook om de vraag of, indien [appellant sub 1] niet de reisorganisator zou zijn geweest, de onterechte vermelding in de bevestiging aan [geïntimeerden] al dan niet aan [appellant sub 1] zelf kan worden toegerekend, met andere woorden de vraag of hij in dat geval niet zelf de schijn heeft gewekt dat hij de organisator van die reis was. Het hof zal de bewijsvoering in dat licht beschouwen.

4.4.4. Voor dat bewijs heeft [appellant sub 1] zich in de eerste plaats beroepen op een bevestiging zijnerzijds aan VakantieTours van de boeking van die reis door zijn eenmanszaak (prod. 2 bij concl.v.dupliek). In die bevestiging - bestaande uit een tweetal bevestigingen, voor respectievelijk vier en drie personen - is onder meer vermeld:"Oper. CNNTOURS". De echtheid van die stukken is echter door [geïntimeerden] gemotiveerd betwist. Zij stellen die stukken nooit eerder te hebben gezien en wijzen onder meer op de datering van die stukken - 16.05.06 -, de onduidelijkheid van wie die stukken afkomstig zijn (TRAVELX MAX) en het feit dat in die stukken geheel andere reserveringsnummers worden genoemd dan in de door VakantieTours aan hen toegezonden bevestiging.

4.4.5. Het hof deelt het standpunt van [geïntimeerden] dat de door hen aangevoerde argumenten grote twijfel oproepen ten aanzien van de vraag of in 2004 daadwerkelijk sprake is geweest van een bevestiging van [appellant sub 1] aan VakantieTours als door hem in het geding gebracht. Naast de door [geïntimeerden] genoemde datering van de bevestiging die het vermoeden van een constructie achteraf rechtvaardigt, valt aan het door [appellant sub 1] overgelegde stuk voorts op dat dit is geadresseerd aan een adres van VakantieTours ([adres 2]) dat in elk geval niet op de in deze procedure overgelegde brieven van VakantieTours.nl/ Vakantietours als adresgegeven van VakantieTours.nl ([adres 3]) is vermeld. Het hof acht dit des te opmerkelijker nu door [appellant sub 1] bij zijn verhoor als getuige bovendien expliciet is verklaard dat On Time B.V., die onder meer handelde onder de naam Vakantietours.nl, in 2004 was gevestigd aan [adres 3].

4.4.6. Bij zijn verhoor als getuige heeft [appellant sub 1] verklaard dat voormelde bevestiging van zijn bedrijf afkomstig is. [appellant sub 1] erkende dat uit het overgelegde stuk niet bleek dat het van hem afkomstig was. Uit het originele stuk zou dat volgens hem wel blijken. Daarop staat volgens hem de naam van zijn bedrijf genoemd en verdere gegevens zoals het adres en het telefoonnummer. Een origineel van de bevestiging is door [appellant sub 1] echter niet in het geding gebracht. Evenmin heeft [appellant sub 1] gerespondeerd op de door [geïntimeerden] aangevoerde gronden voor hun twijfel aan de echtheid van het door hem overgelegde stuk. Naar het oordeel van het hof kan daarom aan de door [appellant sub 1] bij dupliek overgelegde kopie van een (uit twee delen bestaande) bevestiging van een reservering van deze reis met vermelding van "CNN" Tours als reisorganisator geen betekenis worden toegekend voor het door [appellant sub 1] te leveren bewijs.

4.4.7. [appellant sub 1] heeft daarnaast een brochure van CNN Tours overgelegd en een uittreksel uit het handelsregister betreffende CNN Tours met historische gegevens. Deze gegevens zijn echter alleen van belang voor de bewijsopdracht onder B van het tussenvonnis van 20 december 2006 en kunnen niet bijdragen tot het bewijs van de bewijsopdracht onder A.

4.4.8. Het hof acht tot slot ook de verklaringen van [appellant sub 1] en [appellant sub 1], ook bezien in samenhang met de door [appellant sub 1] overgelegde producties, ontoereikend voor het door [appellant sub 1] te leveren bewijs onder A. Voor de verklaring van [appellant sub 1] geldt dat deze op grond van het bepaalde in art. 164 lid 2 Rv alleen tot het bewijs kan bijdragen indien er aanvullend bewijs voorhanden dat zodanig sterk is en zodanige essentiële punten betreft dat dat dit de getuigenverklaring van de partijgetuige voldoende geloofwaardig maakt. Dergelijk bewijs is naar het oordeel van het hof niet voorhanden. Voor wat betreft de door [appellant sub 1] overgelegde bevestiging verwijst het hof naar r.o. 4.4.6.

4.4.9. Het hof acht voorts ook de verklaring van [appellant sub 1] daarvoor onvoldoende. [appellant sub 1] verklaarde als getuige wel dat hij zijn broer zou hebben gevraagd of hij de desbetreffende reis kon boeken bij een reisorganisator, dat zijn broer hem terug had gebeld en dat hem was gebleken dat zijn broer de reis had geboekt bij de reisorganisator CNN Tours doch die verklaring staat haaks op de mededeling in de op 10 december 2004 gedateerde brief van VakantieTours aan de afdeling rechtshulp van de ANWB, waarin wordt meegedeeld dat [bedrijf 1] de touroperator was waarbij de boeking was ondergebracht. Voorts staat tegenover de verklaring van [appellant sub 1], dat op de bevestiging aan [geïntimeerden] CNN Tours niet als reisorganisator kon worden genoemd omdat de software van het computerprogramma dat niet toeliet, de verklaring van de in contra-enquête gehoorde getuige [getuige 1]. Deze getuige, die in de periode 1995-2005 werkzaam is geweest als directeur van de reisorganisatiegroep van Hotelplan B.V., verklaarde dat de in de branche gebruikelijke software zonder meer toeliet dat de werkelijke touroperator in een bevestiging wordt vermeld. Bovendien valt naar het oordeel van het hof niet in te zien waarom in de door [appellant sub 1] geschetste situatie de werkelijke touroperator niet op andere wijze aan de klant bekend had kunnen worden gemaakt. Gezien het belang van de klant om te weten met welke touroperator hij in zee zou gaan, had dat toch op zijn minst voor de hand gelegen. Het hof acht, gelet op het voorgaande, de verklaring van [appellant sub 1] onvoldoende geloofwaardig om tot bewijs te kunnen strekken. Aan de geloofwaardigheid van de beide getuigenverklaringen wordt naar het oordeel van het hof bovendien afbreuk gedaan door het feit dat door [geïntimeerden] onder 5 van de dagvaarding in eerste aanleg is gesteld dat zij zich tot [persoon 1] hebben gewend omdat dit de door [appellanten] aangegeven hostess was. Die stelling is door [appellanten] niet betwist, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Het hof acht ook die gang van zaken niet te rijmen met de verklaringen van [appellant sub 1] en [appellant sub 1] dat [bedrijf 1] niet de reisorganisator was. Dit geldt temeer nu in de hiervoor gerelateerde brief van [bedrijf 1] van 19 juli 2004 (prod. 6 inl. dagv.) door de serviceafdeling van [bedrijf 1] uitgebreid wordt ingegaan op de klacht van [geïntimeerden] In die brief geeft [bedrijf 1] er alles behalve blijk dat zij niet de organisator van die reis zou zijn geweest.

4.4.10. Gelet op het voorgaande acht het hof [appellant sub 1] niet geslaagd in het hem opgedragen bewijs dat niet hij maar CNN Tours de reisorganisator was van de aan [geïntimeerden] verkochte reis en dat hij dit tijdig aan VakantieTours.nl heeft laten weten. Dit betekent dat de grieven 2 t/m 4 falen.

4.5.1. Nu [appellant sub 1] verder geen grieven heeft aangevoerd tegen het oordeel van de kantonrechter dat in rechte van een tekortkoming (in de nakoming van de reisovereenkomst) moet worden uitgegaan en dat de schade van [geïntimeerden] op een bedrag van € 1.860,= moet worden bepaald, vloeit uit het voorgaande voort dat het vonnis van de kantonrechter waarvan beroep (het eindvonnis van 19 maart 2008) zal worden bekrachtigd. [appellant sub 1] heeft wel gesteld dat hij met de grieven het geschil in volle omvang opnieuw aan het hof beoogt voor te leggen maar die enkele stelling kan niet tot gevolg hebben dat ook geschilpunten waartegen geen concrete bezwaren zijn aangevoerd door het hof opnieuw worden beoordeeld.

4.5.2. [appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant sub 2] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

bekrachtigt het vonnis van 19 maart 2008;

veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden worden begroot op € 254,= aan verschotten en op € 948,= aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schaik-Veltman,

Venhuizen en Vriezen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 september 2009.