Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK7292

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-12-2009
Datum publicatie
22-12-2009
Zaaknummer
20-000684-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplichting m.b.t. vrachtwagenladingen electronica; "koppelritten".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000684-09

Uitspraak : 3 december 2009

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 februari 2009 in de strafzaak met parketnummer 01-889044-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1963],

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij:

- verdachte werd vrijgesproken van het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde;

- verdachte ter zake van "medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd" en "Overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd" werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 115 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 90 dagen hechtenis;

- aan de verdachte is opgelegd de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 62.716,14 subsidiair 327 dagen hechtenis;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is toegewezen tot een bedrag van EUR 62.716,14, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum delict tot aan de dag der algehele voldoening;

- diverse administratieve bescheiden verbeurd werden verklaard.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot hetgeen aan de verdachte onder 1. en 3. is bewezen verklaard.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de verdachte voor de onder 1. subsidiair en 3. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- aan de verdachte zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 62.716,14, te vermeerderen met de wettelijke rente, subsidiair 327 dagen hechtenis;

- de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van EUR 62,716,14, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- de in beslag genomen diverse administratieve bescheiden verbeurd zal verklaren.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij in of omstreeks de periode van 21 november 2007 tot en met 18 december 2007, op na te noemen plaatsen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen op na te noemen tijdstippen, na te noemen goederen:

- (zaaksdossier 11/delict 7O-045-BZ) in of omstreeks de periode van 28 november 2007 tot en met 30 november 2007 te Eindhoven, althans in Nederland, (een lading inhoudende) [bedrijf 2] apparatuur/consumentenelektronica (waaronder LCD-televisies, DVD-spelers en digitale telefoons) toebehorende aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of

- (zaaksdossier 11/delict 7O-044-LN) op of omstreeks 22 november 2007 tot en met 29 november 2007 te Venray, althans in Nederland, (een lading inhoudende) 934, althans een aantal, Hewlett Packard (HP) printers (types LJ1022 en LJ3050) toebehorende aan [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of

- (zaaksdossier 11/delict 7O-056-MW) op of omstreeks 18 december 2007 te Tilburg, althans in Nederland, (een lading inhoudende) 147, althans een aantal, LCD-televisies toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [bedrijf 5];

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 22 november 2007 tot en met 12 mei 2008, in na te noemen plaatsen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) zich toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid voorgedaan als (werkzaam zijnde bij een) bonafide transporteur en/of afgesproken om een transport te verzorgen naar een door na te noemen benadeelde(n) bepaalde bestemming,

na te noemen benadeelde(n) heeft bewogen tot afgifte van na te melden goederen:

- (zaaksdossier 11 / delict 7O-45-BZ) in of omstreeks de periode van 28 november 2007 tot en met 30 november 2007 te Eindhoven, althans in Nederland, [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] van (een lading inhoudende) [bedrijf 2] apparatuur / consumentenelektronica (waaronder LCD-televisies, DVD-spelers en digitale telefoons), door zich voor te doen als (zijnde werkzaam bij) [bedrijf 6] en/of

- (zaaksdossier 11 / delict 7O-044-LN) op of omstreeks 22 november 2007 tot en met 29 november 2007 te Venray, althans in Nederland, [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] van (een lading inhoudende) 934, althans een aantal, Hewlett Packard (HP) printers (types LJ1022 en LJ3050), door zich voor te doen als (zijnde werkzaam bij) [bedrijf 7] en/of

- (zaaksdossier 11 / delict 7O-056-MW) op of omstreeks 18 december 2007 te Tilburg, althans in Nederland, [benadeelde 1] en/of [bedrijf 5] van (een lading inhoudende) 147, althans een aantal, LCD-televisies, door zich voor te doen als (zijnde werkzaam bij) [bedrijf 8];

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 november 2007 tot en met 18 december 2007 te Valkenswaard en/of Eindhoven en/of Tilburg en/of Venray, althans in Nederland, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten voor alle categorieën, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op diverse wegen in bovengenoemde plaatsen, als bestuurder een motorrijtuig, te weten een vrachtwagen (met oplegger), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. In deze weergave van de tenlastelegging zijn de door de eerste rechter aangebrachte verbeteringen begrepen. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het onder 1. subsidiair ten laste gelegde heeft het hof ter wille van de leesbaarheid op een enkel punt verbeterd gelezen; dat betreft verbeteringen van lay-out-aard. Ook daardoor is de verdachte in de verdediging niet geschaad.

Vrijspraak

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Het overweegt daartoe dat wettig bewijs dat de in de tenlastelegging genoemde goederen zijn weggenomen, ontbreekt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. subsidiair en 3. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 22 november 2007 tot en met 18 december 2007 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen,

hebbende verdachte en zijn mededaders zich toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid voorgedaan als (werkzaam zijnde bij een) bonafide transporteur en/of afgesproken om een transport te verzorgen naar een door na te noemen benadeelden bepaalde bestemming,

na te noemen benadeelden heeft bewogen tot afgifte van na te melden goederen:

- op 28 november 2007 [bedrijf 1] van een lading inhoudende [bedrijf 2] apparatuur/consumentenelektronica (waaronder LCD-televisies, DVD-spelers en digitale telefoons), door zich voor te doen als (zijnde werkzaam bij) [bedrijf 6] en

- op of omstreeks 22 november 2007 [bedrijf 3] van een lading inhoudende 934 Hewlett Packard (HP) printers (types LJ1022 en LJ3050), door zich voor te doen als (zijnde werkzaam bij) [bedrijf 7] en

- op of omstreeks 18 december 2007 [benadeelde 1] en [bedrijf 5] van een lading inhoudende 147 LCD-televisies, door zich voor te doen als (zijnde werkzaam bij) [bedrijf 8];

3.

hij op tijdstippen in de periode van 22 november 2007 tot en met 18 december 2007 te Eindhoven en Tilburg en Venray terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten voor alle categorieën, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op diverse wegen in bovengenoemde plaatsen, als bestuurder een motorrijtuig, te weten een vrachtwagen (met oplegger), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen worden in het geval van beroep in cassatie vermeld in de aanvulling als bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering, welke aanvulling in dat geval aan het arrest wordt gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

B.

i.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij van het hem onder 1. subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat het hem ontbrak aan het vereiste opzet. Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat hij te goeder trouw heeft gehandeld en het bij hem heeft ontbroken aan wetenschap van het feit dat de lading niet op de plaats van bestemming zou aankomen. De feiten waarvan hij wordt verdacht betreffen namelijk zogeheten "koppelritten", een bekend fenomeen in de vervoerssector, inhoudende kort gezegd dat in verband met de rijtijdenwet het laden en lossen van de vrachtwagen wordt uitbesteed aan een ander dan de chauffeur die het eigenlijke transport gaat verrichten. Voorts week de gang van zaken daarbij niet af van hetgeen te doen gebruikelijk is. De raadsman heeft erop gewezen dat er zelfs uitzendbureaus bestaan, die gespecialiseerd zijn in het verrichten van dergelijke koppelritten.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

ii.

Het hof stelt voorop dat het verdachte houdt aan zijn bij de politie op 27 mei 2008 afgelegde verklaring, inhoudende dat medeverdachte [medeverdachte] degene is geweest die hem telkens heeft benaderd om de transporten te verrichten. Dat verdachte zich dit "off the record" heeft laten ontvallen, doet aan de betrouwbaarheid van de verklaring niet af. Dat geldt evenmin voor de omstandigheid dat verdachte deze verklaring nadien terug heeft willen nemen. Uit het verhandelde ter terechtzitting zijn namelijk geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die het hof aanleiding geven te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de gegispte verklaring, te meer niet nu zij steun vindt in de in deze gebezigde bewijsmiddelen in onderling (tijds)verband en samenhang bezien.

Dienaangaande is van belang, dat uit het verhandelde ter terechtzitting geen aanwijzingen zijn te ontlenen dat medeverdachte [medeverdachte] een ondernemer was die zich bezig hield met (internationale) transporten dan wel op andere wijze werkzaamheden in/voor de transportbranche verrichtte. Verdachte heeft evenmin verklaard dat hij daarvan uitging. Hij heeft slechts verklaard dat [medeverdachte] schuin tegenover hem woonde, dat het een goede bekende van hem was en dat hij af en toe met hem optrok.

iii.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen komt voorts naar voren dat verdachte, hoewel hij in werkelijkheid door [medeverdachte] voor de onderhavige transporten was aangezocht, het telkens heeft doen voorkomen alsof hij chauffeur was van een bepaalde transporteur - niet zijnde [medeverdachte] - ,waarvan de gegevens op de transportbescheiden waren vermeld, zomede alsof hij de lading naar de plaats van bestemming zou vervoeren. Aldus heeft de verdachte welbewust van valse documenten gebruik gemaakt.

iv.

Aan het verweer voor zover inhoudend dat verdachte meende dat er sprake was van zogeheten "koppelritten" gaat het hof voorbij. Wat er zij van de juistheid van hetgeen nopens koppelritten in het algemeen is betoogd, is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat er in de onderhavige gevallen daadwerkelijk sprake was van zodanige ritten, en evenmin dat de verdachte op grond van de omstandigheden aan heeft kunnen nemen dat daar sprake van was. Integendeel, is in het onderhavige geval juist gebleken van omstandigheden die tot een geheel andere conclusie nopen, waaronder de hiervoor onder ii. en iii. omschreven omstandigheden alsmede de plaats en wijze waarop de verdachte een waardevolle lading soms al na een rit van enige minuten achterliet.

v.

Gelet op het vorenoverwogene kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat verdachte wist dat de benadeelden door - kort gezegd - een onjuiste voorstelling van zaken bewogen werden om ladingen aan hem af te gegeven en tevens dat deze ladingen vervolgens niet op de overeengekomen plaats van bestemming zouden aankomen.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

C.

Het hof stelt vast dat - kort gezegd - [bedrijf 2] aan [bedrijf 9] de opdracht heeft gegeven voor het transport van de lading inhoudende Philips apparatuur/consumentenelektronica van Eindhoven naar Zwitserland. [bedrijf 9] heeft daarop [bedrijf 1] opdracht gegeven dit transport uit te voeren, waarna [bedrijf 1] het transport op "Teleroute" heeft aangeboden. Via "Teleroute" zijn verdachte en zijn mededaders tot overeenstemming met [bedrijf 1] gekomen dat het bedrijf [bedrijf 6] het transport van de goederen naar Zwitserland zou uitvoeren. De goederen dienden geladen te worden bij [bedrijf 9] in Eindhoven. Daartoe was benodigd dat de chauffeur die de goederen zou laden beschikte over de ladinggegevens, waaronder het/de departurenummer(s) van de lading. [bedrijf 1] heeft deze gegevens aan verdachte en zijn mededaders verstrekt.

Uit vorenstaande gang van zaken volgt, naar het oordeel van het hof, dat [bedrijf 1] de beschikkingsmacht had over de goederen in kwestie - nu zonder de door dit bedrijf te verstrekken gegevens de goederen niet afgegeven zouden worden - en dat derhalve verdachte en zijn mededaders door de in de bewezenverklaring weergegeven oplichtingsmiddelen, [bedrijf 1] hebben bewogen tot afgifte van de goederen.

Het hof stelt voorts vast dat [bedrijf 4] aan [bedrijf 3] te Stuttgart de opdracht heeft gegeven voor het transport van de lading inhoudende HP printers van Venray naar Rusland. [bedrijf 3] voornoemd heeft het transport op "Teleroute" aangeboden. Via "Teleroute" zijn verdachte en zijn mededaders tot overeenstemming met [bedrijf 3] gekomen dat het [bedrijf 7] het transport van de goederen naar Rusland zou uitvoeren. De goederen dienden geladen te worden bij [bedrijf 10] in Venray. Daartoe was benodigd dat [bedrijf 10] de beschikking had over de naam van de chauffeur die de goederen zou laden en het kenteken van diens vrachtauto. [bedrijf 3] heeft deze gegevens aan [bedrijf 10] verstrekt.

Uit vorenstaande gang van zaken volgt, naar het oordeel van het hof, dat [bedrijf 3] de beschikkingsmacht had over de goederen in kwestie - nu zonder de door dit bedrijf aan [bedrijf 10] te verstrekken gegevens de goederen niet afgegeven zouden worden - en dat derhalve verdachte en zijn mededaders door de in de bewezenverklaring weergegeven oplichtingsmiddelen, [bedrijf 3] hebben bewogen tot afgifte van de goederen.

Het hof stelt ten slotte vast dat [bedrijf 5] aan [benadeelde 1] de opdracht heeft gegeven voor het transport van de lading inhoudende LCD televisies van Tilburg naar Keulen. [benadeelde 1] voornoemd heeft het transport op "Teleroute" aangeboden. Via "Teleroute" zijn verdachte en zijn mededaders tot overeenstemming met [benadeelde 1] gekomen dat het transportbedrijf [bedrijf 8] het transport van de goederen naar Keulen zou uitvoeren. De goederen dienden geladen te worden bij [bedrijf 5] in Tilburg. Daartoe was benodigd dat [bedrijf 5] de beschikking had over het ordernummer. [benadeelde 1] heeft deze gegevens aan verdachte en zijn mededaders verstrekt.

Uit vorenstaande gang van zaken volgt, naar het oordeel van het hof, dat - naast [bedrijf 5], die feitelijk tot afgifte van de goederen is overgegaan - [benadeelde 1] de beschikkingsmacht had over de goederen in kwestie - nu zonder de door dit bedrijf aan [bedrijf 5] te verstrekken gegevens de goederen niet afgegeven zouden worden - en dat derhalve verdachte en zijn mededaders door de in de bewezenverklaring weergegeven oplichtingsmiddelen - naast [bedrijf 5] - [benadeelde 1] hebben bewogen tot afgifte van de goederen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1. is telkens als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 326 iuncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1., van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 3. is telkens als misdrijf voorzien bij artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en strafbaar gesteld bij artikel 176, derde lid, van deze wet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan - kort weergegeven - het medeplegen van oplichting met betrekking tot een drietal vrachtwagenladingen en het meermalen besturen van een vrachtwagen terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake van die feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 115 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de tijd van 8 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat verdachte en zijn mededaders, door zich valselijk en listiglijk voor te doen als werkzaam bij bona fide transportondernemingen, heeft bewerkstelligd dat bedrijven bewogen werden om aan verdachte ladingen met telkens een aanzienlijke waarde af te geven; het vertrouwen in transportondernemingen is dusdoende ernstig geschonden;

- de mate waarin het bewezen verklaarde tot financiële schade heeft geleid voor de gedupeerden;

- de omstandigheid dat verdachte kennelijk slechts heeft gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin;

- de mate waarin door het onder 3. bewezen verklaarde de verkeersveiligheid in gevaar is gebracht; de verdachte was immers niet bevoegd om als bestuurder van een motorrijtuig aan het verkeer deel te nemen en moet derhalve worden geacht niet capabel te zijn geweest om op veilige wijze een motorrijtuig, laat staan een trekker met oplegger, te besturen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 september 2009, waaruit blijkt dat hij reeds eerder ter zake van vermogensmisdrijven door de strafrechter is veroordeeld;

- het hem betreffend voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 22 juli 2008;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof verder acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten, die met de onderhavige (grosso modo) vergelijkbaar zijn. Aan de hand daarvan heeft het hof een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden tot uitgangspunt genomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet van feiten en omstandigheden gebleken die aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken. Gelet daarop kan niet worden volstaan met straffen als opgelegd door de eerste rechter en geëist door de advocaat-generaal.

Beslag

De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder 1. ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan of voorbereid, terwijl niet is kunnen worden vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoren.

Maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [benadeelde 1] (gemachtigde: [gemachtigde], wonende te [woonplaats], [adres]), als gevolg van het bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 62.716,14, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep nog gesteld - zakelijk weergegeven - dat verdachte thans geen middelen van bestaan heeft, zodat op voorhand duidelijk is dat verdachte nimmer in staat zal zijn voornoemd bedrag te betalen.

Het hof wijst die stelling evenwel van de hand, zijnde die niet nader geadstrueerd, terwijl er evenmin overigens - verdachtes leeftijd mede in aanmerking genomen - aan het onderzoek ter terechtzitting aanwijzingen voor zijn te ontlenen.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer een bedrag van EUR 62.716,14 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij

[benadeelde 1] (gemachtigde: [gemachtigde], wonende te [woonplaats], [adres]) heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van EUR 62.716,14, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening

De voeging duurt, nu de vordering door de eerste rechter geheel is toegewezen, van rechtswege geheel voort in hoger beroep.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is betwist. Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat de vordering niet van eenvoudige aard is. Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat niet duidelijk is of een verzekering de schade heeft vergoed aan de benadeelde partij.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting acht het hof de vordering echter wel van eenvoudige aard, zodat zij zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij kan daarin dan ook worden ontvangen. Voorts overweegt het hof dat de vordering wordt gestaafd door een bijlage bij het voegingsformulier, terwijl door de benadeelde partij op het voegingsformulier is ingevuld dat de schade niet (gedeeltelijk) door bijvoorbeeld een verzekering is vergoed.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De vordering zal tot dat beloop worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

De proceskosten van de benadeelde partij worden ten laste van de verdachte gebracht, doch tot op heden begroot op nihil.

En ten aanzien van de evenvermelde schadevergoedingsmaatregel en vordering:

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer komt daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre te vervallen).

Het hof zal voorts bepalen dat indien en voor zover een mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, onderscheidenlijk aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 33, 33a, 36f, 47, 57, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1. primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1. subsidiair en onder 3. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1. Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

2. Overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde 1] (gemachtigde: [gemachtigde], wonende te [woonplaats], [adres]), aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 62.716,14 (tweeënzestigduizend zevenhonderdzestien euro en veertien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 327 (driehonderdzevenentwintig) dagen hechtenis.

Verklaart verbeurd: diverse administratieve bescheiden, BRZ55.H11.2100.03.02.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (gemachtigde: [gemachtigde], wonende te [woonplaats], [adres]) toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 62.716,14 (tweeënzestigduizend zevenhonderdzestien euro en veertien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde 1] (gemachtigde: [gemachtigde], wonende te [woonplaats], [adres]) gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

En ten aanzien van de evenvermelde schadevergoedingsmaatregel en vordering:

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover hij aan de hem opgelegde verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover hij aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan.

Bepaalt dat indien en voor zover een mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat indien en voor zover een mededader van verdachte de benadeelde partij schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Aldus gewezen door

mr. H.D. Bergkotte, voorzitter,

mr. A.J.M. van Gink en mr. A.M.G. Smit,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 3 december 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.