Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK7273

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
22-12-2009
Zaaknummer
HD 200.003.569
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nalatenschap. Verwerping en plaatsvervulling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. SH

zaaknr. HD 200.003.569

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 15 december 2009,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 12 maart 2008,

advocaat: mr. A.A.J. Immink,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Roemond gewezen vonnissen van 8 augustus 2007 en 12 december 2007 tussen appellante - [X.] – (alsmede [Z.]) als eisers en geïntimeerde – [Y.] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer 73431/HA ZA 06-332)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar de daaraan voorafgaande (incidentele) vonnissen van 12 juli 2006 en 4 oktober 2006.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [X.] is van het tussenvonnis van 8 augustus 2008 en het eindvonnis van 12 december 2007 tijdig in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft [X.] zeven grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog toewijzing van haar vorderingen.

2.2 Bij memorie van antwoord heeft [Y.] de grieven bestreden.

2.3 Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 De vaststelling van de feiten in het tussenvonnis van 8 augustus 2007 onder 2. is niet bestreden zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat.

4.2 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

[X.] en [Z.] zijn kinderen van [A.], broer van [Y.].

De moeder van [Y.] en [A.], mevrouw [B.] (verder: de erflaatster) is op 19 april 2003 overleden met achterlating van een testament d.d. 31 januari 2002.

Bij dit testament is [Y.] benoemd tot enig erfgenaam en executeur. [X.] en [Z.] zijn hierbij van erfopvolging uitgesloten. Aan ieder der kleinkinderen van erflaatster, waaronder [X.] en [Z.], is € 4.500,= gelegateerd.

[Y.] heeft de benoeming tot executeur aanvaard. De waarde van de goederen van de nalatenschap is € 180.957,=, de schulden € 4.930,= en een gift aan [A.] € 8.517,=.

Bij schriftelijke overeenkomst van 22 december 1993 hebben [A.] en zijn toenmalige echtgenote voor ƒ 150.000,=

(€ 68.067,=) van zijn ouders gekocht (de aandelen in) [C.] Beheer en Beleggingsmaatschappij BV, waartoe behoort [D.] Schoonmaakbedrijf De Lelie BV. De koopsom is onbetaald gebleven. Bij akte van 18 februari 1994 zijn de desbetreffende aandelen geleverd en is de koopsom omgezet in een lening. Dit bedrag is nooit terugbetaald.

Op [A.] is de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard; deze is bij beslissing van de rechtbank Roermond van 27 september 2000 beëindigd met toekenning van “een schone lei”.

[A.] is op 28 december 2000 overleden. Zijn nalatenschap is door [X.] verworpen en door [Z.] beneficiair aanvaard.

4.3 In deze procedure beroept [X.] zich bij plaatsvervulling op de legitieme portie uit de nalatenschap van erflaatster. Vanwege de onterving betreft dit de helft van haar erfdeel bij versterf ofwel één achtste deel van de nalatenschap. Uitgaande van de hiervoor vermelde bedragen (r.o. 4.2 sub d) berekent zij het haar toekomende bedrag op € 14.309,=. Dit bedrag vordert zij, vermeerderd met rente en (buitengerechtelijke) kosten.

4.4 In eerste aanleg heeft [Z.] een incidentele vordering tot tussenkomst ingesteld die bij vonnis van 4 oktober 2006 is toegewezen. Hij heeft op dezelfde gronden als zijn zus een bedrag van € 14.309,= gevorderd. [Y.] heeft de vorderingen gemotiveerd bestreden, waarop de rechtbank deze heeft afgewezen. Alleen [X.] is in hoger beroep gekomen, zodat de vordering van [Z.] hierin niet aan de orde is.

4.5 Met de rechtbank neemt het hof tot uitgangspunt dat de verwerping door [X.] van de nalatenschap van haar vader niet meebrengt dat zij thans niet bij plaatsvervulling kan beroepen op de legitieme. Haar vader is overleden voordat de nalatenschap waar het in deze procedure om gaat is opengevallen door het overlijden van erflaatster. Het aandeel van haar vader in die nalatenschap maakte daarom geen deel uit van diens eigen nalatenschap zodat de verwerping van die nalatenschap door [X.] niet van invloed is op haar beroep op de legitieme ten aanzien van de nalatenschap van erflaatster.

4.6 De berekening die [X.] aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd is op zichzelf door [Y.] niet bestreden, zodat ervan uitgegaan kan worden dat de legitieme waar [X.] zich op beroept in beginsel het door haar gevorderde bedrag van € 14.309,= beloopt. Vervolgens is de vraag of op deze legitieme een bedrag moet worden geïmputeerd in verband met de transacties rond de onderneming in 1993/94 (artikel 4:70 BW).

4.7 De discussie tussen partijen betreft op dit punt twee onderwerpen die naar het oordeel van het hof onderscheiden dienen te worden, namelijk enerzijds de vraag of sprake is een schuld van [A.] aan erflaatster vanwege de koopsom die in een lening is omgezet en anderzijds de vraag of de verkoop van de onderneming kan worden gezien als (materiële) gift. Met betrekking tot de lening is niet gesteld of gebleken dat deze is kwijtgescholden, zodat ten aanzien van dat bedrag een eventuele gift niet aan de orde is.

4.8 [Y.] heeft zich in zijn conclusie van dupliek op het standpunt gesteld dat bij de transactie in 1993/94 praktisch het gehele vermogen van erflaatster en haar echtgenoot, met uitzondering van hun echtelijke woning, aan [A.] en diens echtgenote werd overgedragen tegen de verplichting om een relatief zeer bescheiden bedrag aan hen te vergoeden. Het verschil tussen de waarde van het bedrijf in het economisch verkeer en de verkoopprijs is volgens [Y.] te beschouwen als een materiële schenking.

4.9 [Y.] heeft dit standpunt onderbouwd met het gegeven dat de activa van [D.] Schoonmaakbedrijf De Lelie BV (exclusief kantooruitrusting en de contractuele verplichtingen exclusief pensioen- en stamrechtverplichtingen) een jaar later, per 1 november 1994, voor ƒ 600.000,= (€ 272.268,=) zijn verkocht. Het bedrijfspand is op 19 juli 1995 voor ƒ 200.000,=

(€ 90.756,=) verkocht. [Y.] heeft bij gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg verder gewezen op een rapport d.d. 8 april 1992 van het Advies Centrum Midden- en Kleinbedrijf.

Dit rapport bevat een aantal bevindingen en aanbevelingen met betrekking tot de bedrijfsvoering van het schoonmaakbedrijf en eindigt met de volgende conclusie:

“Onze eindconclusie is, dat Schoonmaakbedrijf De Lelie B.V. nog springlevend is, doch dat het management zich te veel heeft laten leiden door ad-hoc beslissingen. Bovendien werden de – in principe reeds verdeelde – taken niet naar behoren uitgevoerd.”

Deze gegevens en bevindingen zijn door [X.] niet voldoende gemotiveerd betwist, zodat van de juistheid ervan uitgegaan wordt.

4.10 [X.] heeft aangevoerd dat uit de door [Y.] overgelegde jaarrekeningen blijkt dat het schoonmaakbedrijf in 1991 en 1992 verlies leed. Verder heeft zij erop gewezen dat de verkoop van het schoonmaakbedrijf niet de beoogde opbrengst heeft opgeleverd omdat de koper kort daarna is gefailleerd. [Y.] heeft een en ander niet bestreden, maar er van zijn kant op gewezen dat het schoonmaakbedrijf over de eerste zes periodes van 1993 weer wel winst maakte en dat het gaat om de waarde van de onderneming ten tijde van de verkoop ervan aan [A.].

4.11 Het hof sluit zich bij dit laatste aan: voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een materiële schenking van de kant van erflaatster aan [A.] die van invloed is op de legitieme waar [X.] zich op beroept, gaat het om de situatie rond de verkoop en overdracht van de onderneming in 1993/94 en niet om de gang van zaken in 1991/92 of om de situatie ná de verkoop van de onderneming.

4.12 [Y.] beroept zich op het bestaan van een materiële schenking zodat op hem de stelplicht en bewijslast daarvan rust. Daaraan heeft hij naar het oordeel van het hof voldaan. Uit de hiervoor onder 4.9 weergegeven gegevens blijkt naar het oordeel van het hof dat de onderneming in 1993/94 levensvatbaar was en een aanzienlijk hogere waarde vertegenwoordigde dan het bedrag van ƒ 150.000,= dat als koopprijs was aangehouden. De negatieve resultaten over 1991 en 1992 doen daar niet aan af, nu die zijn gevolgd door een positief resultaat in de periode die daarop volgde en die is gelegen kort voor de verkoop en overdracht. [X.] heeft voor het overige de stellingen van [Y.] in algemene termen betwist, maar nagelaten deze betwisting met concrete feiten en/of met bescheiden te onderbouwen. Daarmee is haar betwisting onvoldoende gemotiveerd, zodat het ervoor gehouden dient te worden dat de (aandelen in de) onderneming ten tijde van de verkoop en overdracht ervan in 1993/94 aanzienlijk meer waard was dan de tegenprestatie die [A.] en zijn toenmalige echtgenote dienden te leveren. Daarmee staat tevens vast dat sprake is van een verrijking van [A.] ten koste van het vermogen van erflaatster.

4.13 De volgende vraag die beantwoord dient te worden is of bij de transactie in 1993/94 bij erflaatster (en haar echtgenoot) een bevoordelingbedoeling aanwezig was. Hierbij gaat het erom of zij de verrijking van hun wederpartij hebben gewild; het achterliggende motief speelt geen rol bij het – geobjectiveerd - vaststellen van een schenking (HR 11 april 2003, LJN: AF3410). Door [Y.] is in dit verband, met name bij gelegenheid van de comparitie van partijen, gedetailleerd aangegeven dat en waarom zijn broer door hun ouders op verschillende momenten financieel werd geholpen. Uit hetgeen in dit verband naar voren is gebracht is naar het oordeel van het hof af te leiden dat ook bij de transactie waar het hier om gaat [A.] bewust is bevoordeeld. Door [X.] zijn bij de comparitie van partijen en nadien in hoger beroep geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die als een voldoende gemotiveerde betwisting van de stellingen van [Y.] op dit punt kunnen worden aangemerkt. Dit betekent dat de vraag die hier aan de orde is bevestigend wordt beantwoord.

4.14 Een en ander leidt tot de slotsom dat [Y.] zijn stelling dat sprake is van een materiële schenking voldoende heeft onderbouwd en dat daartegenover het verweer van [X.] als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd wordt. Dit brengt mee dat bewijslevering als door haar aangeboden niet aan de orde komt.

4.15 Met de rechtbank (eindvonnis r.o. 2.10) neemt het hof tot uitgangspunt dat de waarde van de gift ingebracht dient te worden. Met betrekking tot de bepaling van de waarde daarvan in dit geval overweegt het hof het volgende. De omvang van de legitieme waarop [X.] zich beroept bedraagt, zoals hiervoor aangegeven, € 14.309,=. De (helft van de) meerwaarde van de onderneming ten opzichte van de uiteindelijke tegenprestatie (hiervoor onder 4.12 nader aangegeven) overstijgt volgens [Y.] ruimschoots dit bedrag. Hij wordt daarbij gesteund door de prijs die bij de doorverkoop in 1994 kennelijk bedongen kon worden. Uitgaande van dat gegeven is het zonneklaar dat de (helft van de) materiële schenking de legitieme verre te boven gaat. Door [X.] is wel gesteld dat de onderneming destijds weinig waard was, maar dit verweer heeft zij niet met concrete feiten en/of bescheiden onderbouwd zodat het als onvoldoende gemotiveerd wordt gepasseerd. Bij deze stand van zaken is ook op dit punt bewijslevering als door [X.] aangeboden niet aan de orde.

4.16 Een en ander leidt tot de slotsom dat de vordering van [X.] niet voor toewijzing in aanmerking komt. Dit betekent dat de grieven, die verder geen afzonderlijke behandeling behoeven, worden verworpen en dat de vonnissen voor zover daarvan beroep worden bekrachtigd.

4.17 Gelet op de familierelatie van partijen worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen voor zover daarvan beroep;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Meulenbroek en Den Hartog Jager en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 december 2009.