Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK7229

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
21-12-2009
Zaaknummer
08/00409
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2008:BD5668, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende oefent een tandartsenpraktijk uit; in 2004 is de inspecteur met een boekenonderzoek begonnen. Door pensionering van de controlerend ambtenaar is deze vervangen door een andere controlerend ambtenaar en hierdoor nam de controle zoveel tijd dat de wettelijke termijn voor het opleggen van een aanslag dreigde te verstrijken. De inspecteur stuurt belanghebbende een brief waarin hij een akkoordverklaring van belanghebbende verzoekt om de aanslagen met betrekking tot de jaren 1999 en 2001 tot uiterlijk 31-12-2005 te mogen opleggen en dat belanghebbende geen beroep zal doen op een verjaringstermijn. De directeur grootaandeelhouder ondertekent betreffend schrijven voor akkoord en de inspecteur legt de aanslag vennootschapsbelasting 2001 op, gedagtekend 24 december 2005. Het Hof oordeelt, aan de hand van de tekst van de geretourneerde brief dat deze niet slechts ziet op naheffings- en navorderingsaanslagen. Het Hof hecht geloof aan de verklaring van de inspecteur dat indien er tijdens een controle aanslagtermijnen dreigen te verlopen er altijd met belastingplichtigen afspraken worden gemaakt teneinde te voorkomen dat er, ter behoud van rechten, hoge aanslagen moeten worden opgelegd. Uit de feitelijke gang van zaken oordeelt het Hof tenslotte dat belanghebbende , na overleg met zijn adviseur het aanbod van de inspecteur heeft aanvaard en dat de inspecteur dus gerechtigd was de betreffende aanslag op te leggen. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010/453 met annotatie van Sitsen
FutD 2010-0021

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00409

Uitspraak op het hoger beroep van

X B.V.,

gevestigd te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 7 mei 2008, kenmerk AWB 07/1739 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.412.353 (€ 642.259), welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.337.286 (€ 606.833).

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 285.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 216.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 11 september 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de directeur van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.7. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Op 3 augustus 2004 is in opdracht van de Inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek begonnen naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 1999 tot en met 2002. Dit boekenonderzoek is aangevangen onder leiding van de heer A (hierna: de heer A); de heer B (hierna: de heer B) stond hem aanvankelijk bij als stagiaire. Doordat de heer A gedurende het boekenonderzoek de pensioengerechtigde leeftijd bereikte werd het onderzoek uiteindelijk door de heer B afgemaakt.

2.2. De heer A heeft met dagtekening 17 september 2004 een brief (hierna: de brief) opgesteld, gericht aan de heer C, directeur-grootaandeelhouder van belanghebbende (hierna: de heer C). De inhoud van deze brief luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Betreft

verjaringstermijnen t.a.v. inkomstenbelasting, omzetbelasting en vennootschapsbelasting

Geachte heer C ,

Gezien de voortgang van het lopende boekenonderzoek bij X B.V. en D B.V.. is het niet waarschijnlijk dat de aanslagen inkomstenbelasting, omzetbelasting en vennootschapsbelasting vóór het einde van dit jaar kunnen worden opgelegd. De bevoegdheid tot navordering inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting alsmede tot naheffing omzetbelasting vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

Ik verzoek u mij vóór 27 september a.s. te bevestigen dat u met betrekking de jaen 1999 en 2001 geen beroep zult doen op de verjaringstermijnen tot uiterlijk 31-12-2005.

Ondergetekende, verklaart geen beroep te zullen doen op de verjaringstermijnen t.a.v. inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting en omzetbelasting met betrekking tot de jaren 1999 en 2001 tot uiterlijk 31-12-2005."

2.3. De heer C heeft bij brief van 24 september 2004 de Inspecteur bericht dat hij de brief heeft doorgezonden naar zijn adviseur. Hij schrijft hierin tevens dat de adviseur op vakantie is zodat het antwoord op de brief later volgt.

2.4. De adviseur van belanghebbende was op vakantie in Zuid-Amerika van 19 september tot en met 5 oktober 2004.

2.5. Een exemplaar van de brief is met dagtekening 1 oktober 2004 door de heer C ondertekend en op 12 oktober per post bij de Belastingdienst binnengekomen. Hierop is door de heer A geschreven: "13/10-04 kopie verzonden aan E". De heer E is werkzaam op de administratie Vennootschapsbelasting.

2.6. Met dagtekening 24 december 2005 heeft de Inspecteur een primitieve aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2001 opgelegd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Verhindert de door de heer C ondertekende brief een geslaagd beroep op artikel 11, derde lid, van de AWR?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de gedingstukken in hoger beroep, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende (gemachtigde)

- Het feitencomplex is niet beschreven in de brief. Daarmee bedoel ik dat wanneer sprake zou zijn van vastlegging van een eerdere mondelinge overeenkomst, zoals de Inspecteur stelt, daar, op grond van het Besluit van 1 december 1997, in de brief naar had moeten worden verwezen. Overigens ben ik niet op de hoogte van eerdere mondelinge afspraken.

- Conversie is niet mogelijk omdat dan sprake is van een ambtelijk verzuim van de Inspecteur.

Belanghebbende (de heer C)

- Er is met mij van te voren niet gesproken over uitstel van de aanslagtermijnen.

- Mijn assistentes hebben de heer B op 1 oktober 2004 ook in de praktijk gezien. Ik heb er in overleg met de gemachtigde van afgezien hen mee te brengen naar de zitting.

- Ik moest de brief vlug ondertekenen, want ik zat op dat moment met een volle wachtkamer.

- Hetgeen bij de Belastingdienst is binnengekomen op 12 oktober 2004 door middel van de retourenveloppe, waarbij op de achterzijde mijn adresgegevens staan, betreft inderdaad de door mij ondertekende brief. Dat is de andere. Of er dan twee exemplaren van die brief waren of dat er een kopie van is gemaakt of iets dergelijks, ik weet het niet.

De Inspecteur

- Het Besluit van 1 december 1997 (V-N 1997, blz. 4702, punt 9) ziet niet op een vaststellingsovereenkomst als de onderhavige. Het betreft hier een overeenkomst waarbij één partij afziet van zijn recht op beroep op verjaringstermijnen.

- (De heer B:) In eerste instantie assisteerde ik bij het boekenonderzoek. De heer A had de leiding. Als ik, zoals belanghebbende stelt, de brief op 1 oktober bij de directeur van belanghebbende zou hebben gehaald, dan had ik dat aan de heer A gemeld en zou het bij de afdeling administratie van de Belastingdienst zijn geregistreerd. Dat is niet het geval. In het dossier ligt alleen de ondertekende brief die later, op 12 oktober 2004, per post is binnengekomen en waarvan een kopie naar de afdeling administratie Vennootschapsbelasting is gestuurd.

Uit de door mij ingediende reisdeclaratie is op te maken dat ik op 1 oktober niet bij belanghebbende ben geweest. Dan had er namelijk moeten staan: Woonadres-Y-F-G-Woonadres. De tandartspraktijk ligt niet op de route naar F. Het is de andere richting uit gezien vanaf mijn woonadres.

Als ik al op 1 oktober 2004 bij belanghebbende zou zijn geweest, quod non, dan zou ik ook een goede uitgebreide uitleg hebben gegeven over het doel van mijn bezoek. Ik heb een uitgebreide controle-ervaring. Ik ben mij er terdege van bewust dat je altijd een goede uitleg moet geven; je wilt niemand onder druk zetten iets te ondertekenen.

Toen mevrouw H mij de eerste keer vroeg of ik daar op 1 oktober 2004 was geweest, was mijn eerste reactie: nee, ik ben daar op 1 oktober niet geweest. Ik was toen ook helemaal niet de verantwoordelijke.

- De heer A heeft van te voren met de adviseur van belanghebbende, de heer J, besproken dat een uitstelverklaring wordt opgesteld. Dit ter voorkoming van een aanslag ter behoud van rechten. Dit is de gebruikelijke gang van zaken.

- Het jaar 2000 is niet in de brief opgenomen omdat er al een primitieve aanslag was opgelegd. Dus een navorderingsaanslag zou kunnen worden opgelegd tot 31 december 2005. Een uitstelverklaring voor dat jaar was dan ook niet nodig. Dit in tegenstelling tot het jaar 1999: daar was wel een uitstelverklaring voor nodig omdat de navorderingstermijn op 31 december 2004 verliep.

- Ik beroep mij alsnog op conversie voor het geval het Hof belanghebbende in gelijk stelt. Er moet dan sprake zijn van een nieuw feit of kwader trouw van belanghebbende. Ik stel in dat geval dat belanghebbende te kwader trouw was.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de aanslag. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Anders dan belanghebbende meent, volgt uit de tekst van de brief niet dat deze alleen ziet op navorderings- en naheffingsaanslagen. In de brief wordt (de directeur-grootaandeelhouder van) belanghebbende immers gevraagd te bevestigen dat "met betrekking de ja(r)en 1999 en 2001" geen beroep zal worden gedaan op de verjaringstermijnen. De beperkte lezing van de brief die belanghebbende bepleit, berust op de verwijzing naar de vijfjaarstermijn voor navordering en naheffing die elders in de brief is opgenomen. Die enkele verwijzing en het achterwege blijven van een verwijzing naar de driejaarstermijn voor oplegging van primitieve aanslagen betekent naar het oordeel van het Hof echter niet dat het in de brief neergelegde verzoek, dat partijen kennelijk hebben opgevat als een aanbod tot het sluiten van een overeenkomst, geacht moet worden alleen betrekking te hebben op navorderings- en naheffingsaanslagen. Dit oordeel vindt bevestiging in de aanhef van de brief waarin wordt vermeld dat die brief betreft: "verjaringstermijnen t.a.v. inkomstenbelasting, omzetbelasting en vennootschapsbelasting" en de openingszin van de brief waarin staat dat het "niet waarschijnlijk [is] dat de aanslagen (cursivering Hof) inkomstenbelasting, omzetbelasting en vennootschapsbelasting vóór het einde van dit jaar kunnen worden opgelegd". De omstandigheid dat in het controlerapport van 9 november 2005, kennelijk per abuis, gewag wordt gemaakt van een navorderingsaanslag voor het onderhavige jaar, acht het Hof van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen.

4.2. De Inspecteur heeft voorts onweersproken gesteld dat, ingeval tijdens een boekenonderzoek de aanslagtermijn dreigt te verlopen voordat het boekenonderzoek is afgerond, de gebruikelijke gang van zaken is dat eerst met de belastingplichtige wordt besproken dat, ter voorkoming van het opleggen van aanslagen ter behoud van rechten, de belastingplichtige geen beroep zal doen op de wettelijke aanslagtermijnen, waarna een en ander schriftelijk wordt vastgelegd. Het Hof acht aannemelijk de stelling van de Inspecteur dat in het onderhavige geval de brief, zoals te doen gebruikelijk, een schriftelijke vastlegging betreft van eerder gemaakte mondelinge afspraken met de adviseur van belanghebbende. Dat er in de brief niet is gerefereerd aan deze eerder gemaakte mondelinge afspraken acht het Hof van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen.

4.3.1. Belanghebbende stelt dat de heer C de brief op 1 oktober 2004 heeft ondertekend zonder dat gelegenheid is geboden tot overleg met de adviseur. De heer C heeft dienaangaande verklaard dat B hem op 30 september 2004 telefonisch mededeelde dat hij de volgende ochtend om 08:00 uur op het adres van belanghebbende (de tandartspraktijk) zou langskomen voor ondertekening van de brief. Voorts heeft de heer C verklaard dat hij die bewuste ochtend ten overstaan van de heer B, terwijl op dat moment een volle wachtkamer met patiënten op hem wachtte, de brief vlug heeft ondertekend zonder uitleg te hebben gekregen over de inhoud van de brief. Belanghebbende heeft een kopie van een gedeelte van het patiëntenboek van de praktijk in het geding gebracht.

4.3.2. De Inspecteur betwist dat de heer B op 1 oktober 2004 bij belanghebbende is geweest en heeft ter ondersteuning een kopie van de door de heer B ingediende reisdeclaratie in het geding gebracht. De heer B heeft aangaande het door belanghebbende gestelde bezoek op 1 oktober 2004 ter zitting een verklaring afgelegd, zoals weergegeven onder 3.2.

4.3.3. Het voorgaande afwegende, acht het Hof niet aannemelijk geworden dat de heer B op 1 oktober 2004 bij belanghebbende langs is geweest. De omstandigheid dat de heer C bij zijn akkoordverklaring de datum 1 oktober 2004 heeft geplaatst en de vermelding in het patiëntenboek "dhr. B brief ophalen" bij de afspraken voor 1 oktober 2004, acht het Hof tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur en de verklaring van de heer B van onvoldoende gewicht om aannemelijk te achten dat de heer B op 1 oktober bij de praktijk een door de heer C ondertekend exemplaar van de brief heeft afgehaald.

4.3.4. Het Hof acht aannemelijk de stelling van de Inspecteur dat de heer C de brief heeft doorgestuurd aan zijn adviseur en dat hij die brief eerst na overleg met die adviseur, die tot en met 5 oktober op vakantie was, één of enkele dagen vóór 12 oktober 2004 ondertekend per post heeft verzonden naar de Inspecteur. Het Hof stoelt dit oordeel op de brief van de heer C van 24 september 2004, waarin hij schrijft dat hij de brief direct heeft doorgestuurd naar zijn adviseur en dat gezien de vakantie van de adviseur het antwoord op die brief wat later komt. Voorts stoelt het Hof dit oordeel op de door de Inspecteur overgelegde kopie van de retourenveloppe. Op basis van deze enveloppe en de op de brief geplaatste aantekening als vermeld in 2.5 acht het Hof aannemelijk dat de door de heer C voor akkoord ondertekende brief door de heer C - wiens adresgegevens immers op de achterzijde van de enveloppe zijn ingevuld als aanduiding van de afzender - is verzonden één of enkele dagen vóór de op die enveloppe gestempelde ontvangstdatum 12 oktober 2004. Daar komt bij dat de heer C ter zitting heeft bevestigd dat in de bedoelde retourenveloppe de door hem ondertekende brief zat.

4.4. Nu ervan moet worden uitgegaan dat belanghebbende het aanbod van de Inspecteur, neergelegd in de brief, pas heeft aanvaard door inzending van de brief, en na overleg met zijn adviseur, moet de kennis van de adviseur worden toegerekend aan belanghebbende. Deze adviseur moet doel en strekking van het aanbod hebben begrepen, mede gelet op de omstandigheid zoals het Hof in 4.2 heeft overwogen, dat een en ander door de Inspecteur van te voren met de adviseur is besproken.

4.5. Belanghebbende heeft nog gesteld dat de inhoud van de brief niet voldoet aan de eisen die zijn gesteld in het Besluit van 1 december 1997, VN 1997/4702. Ook al zou dit Besluit van toepassing zijn op een overeenkomst zoals de onderhavige en ook al zou de vastlegging door de Inspecteur niet voldoen aan de kaders gegeven in dit Besluit, dan nog neemt dat naar het oordeel van het Hof niet weg dat belanghebbende gebonden is aan die overeenkomst.

4.6. Het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag is aan de Inspecteur. Het hoger beroep van belanghebbende dient ongegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep ongegrond

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank

Aldus gedaan op 13 november 2009 door R.J. Koopman, voorzitter, P.A.G.M. Cools en J.Th. Simons, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.