Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK7200

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-10-2009
Datum publicatie
21-12-2009
Zaaknummer
08/00151
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende exploiteerde in het onderhavige tijdvak een taxibedrijf. Bij controle komt vast te staan dat de rittenadministratie niet deugt en dat de gegevens van de taxameter niet bewaard zijn gebleven. De inspecteur weigert toepassing van de taxivrijstelling en legt een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting met een boete op. De klacht van belanghebbende dat het boekenonderzoek gericht was op de BPM en dus niet gebruikt mocht worden voor de MRB verwerpt het Hof. Op belanghebbende rust de bewijslast aannemelijk te maken dat zij aan de voorwaarden van de vrijstelling voldeed en de inspecteur heeft dus terecht gevraagd naar de rittenstaten. Het stond de inspecteur naar het oordeel van het Hof ook vrij om slechts aan een deel van het wagenpark naheffingsaanslagen op te leggen. Ook verwerpt het Hof het beroep op avas: belanghebbende moest weten dat de vrijstelling alleeen van toepassing was als zij kon bewijzen dat de auto uitsluitend of nagenoeg uitsluitend voor taxivervoer was gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 101 met annotatie van Rolleman
FutD 2010-0011

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00151

Uitspraak op het hoger beroep van

X VOF, gevestigd te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 31 januari 2008, nummer AWB 07/1832 in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur van de Belastingdienst/Z, hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting en na te noemen boetebeschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 0000.00.000.Y3.90001 over het tijdvak 29 maart 2003 tot en met 28 maart 2004 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 2.338 aan belasting, alsmede bij beschikking een boete van € 2.338. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende geen griffierecht geheven. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard voor zover het de boete betreft, de uitspraak op bezwaar in zoverre vernietigd, de boete verminderd tot € 1.134 en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende geen griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 25 juni 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de Inspecteur.

Tijdens het onderzoek ter zitting zijn de volgende zaken van belanghebbende, bij het Hof bekend onder kenmerken 08/00152, 08/00153 en 08/00154, gelijktijdig met onderhavige zaak behandeld.

1.5. Belanghebbende noch haar gemachtigde zijn verschenen. De griffier heeft belanghebbendes gemachtigde vlak voor de aanvang van de zitting gebeld en een bericht op diens antwoordapparaat achtergelaten. Belanghebbendes gemachtigde heeft korte tijd later in reactie op het bericht telefonisch contact gehad met de griffie. Hij heeft daarbij niet verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling.

1.6. De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij op 15 mei 2009, met nummer 3SRGHR4955068, aangetekend met Handtekening Retourkaart naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting.

Tot de stukken van het geding behoort de op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende ondertekende Handtekening Retourkaart.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1. Belanghebbende exploiteerde tot 14 juni 2004 een taxibedrijf en had in dat verband onder meer de beschikking over twee personenauto's met de kentekens XX-XX-00 en 00-XX-XX. Belanghebbende had voor deze auto's een geldige vergunning als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000.

2.2. De Inspecteur heeft in het kader van de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) een boekenonderzoek bij belanghebbende ingesteld. Tijdens het onderzoek is onder meer het volgende gebleken:

- de rittenstaten werden per persoon bijgehouden, maar niet per auto;

- de rittenstaten waren niet in alle gevallen zorgvuldig ingevuld;

- er werd niet in alle gevallen een rittenstaat aangelegd;

- de hoedanigheid van de ritten bleek niet uit de staten.

2.3. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de Inspecteur naheffingsaanslagen BPM aan belanghebbende opgelegd. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar en beroep aangetekend. In de beroepsfase heeft de Inspecteur deze naheffingsaanslagen vernietigd. Belanghebbende heeft als gevolg daarvan het beroep ingetrokken.

2.4. Naar aanleiding van het boekenonderzoek zijn ook de volgende naheffingsaanslagen MRB en boetebeschikkingen opgelegd:

Kenteken XX-XX-00

- naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 30 november 2001 (aanslagnummer 0000.00.000.Y1.90001), nageheven belasting € 1.757, boete € 1.757.

Kenteken 00-XX-XX

- naheffingsaanslag over het tijdvak 29 maart 2001 tot en met 28 maart 2002 (aanslagnummer 0000.00.000.Y1.90002), nageheven belasting € 2.336, boete € 2.336;

- naheffingsaanslag over het tijdvak 29 maart 2002 tot en met 28 maart 2003 (aanslagnummer 0000.00.000.Y2.90001), nageheven belasting € 2.317, boete € 2.317;

- naheffingsaanslag over het tijdvak 29 maart 2003 tot en met 28 maart 2004 (aanslagnummer 000.00.000.Y3.90001),nageheven belasting € 2.338, boete € 2.338.

2.5. Belanghebbende heeft de gegevens van de taxameter niet bewaard.

2.6. Belanghebbende heeft eerst na afronding van het boekenonderzoek en het controlerapport de rittenstaten aan de Inspecteur ter inzage gegeven. Deze heeft een aantal, door hem representatief geachte, rittenstaten bekeken, gekopieerd en gearchiveerd. Vervolgens heeft de Inspecteur de rittenstaten aan belanghebbende teruggestuurd.

Tevens zijn in hoger beroep voor het Hof de volgende feiten komen vast te staan:

2.7. Bij het bezoek van de controlerend ambtenaar in het kader van bovenvermeld boekenonderzoek waren 11 voertuigen aanwezig. Van deze 11 voertuigen waren er 6 vrij van BPM (3-jaarstermijn verstreken), 1 voertuig kwam niet voor in het bestand van de Inspectie voor Verkeer en Waterstaat en 1 voertuig lag stil in verband met een APK-keuring. Er zijn daarom 3 van de 11 voertuigen beoordeeld. Lopende het onderzoek is door de controlerend ambtenaar mondeling aan belanghebbende medegedeeld dat het onderzoek ook gevolgen zou kunnen hebben voor de motorrijtuigenbelasting.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de bestreden naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting terecht werd opgelegd. In het bijzonder gaat het om de vraag of belanghebbende voldoet aan de voorwaarden van de vrijstelling als bedoeld in artikel 72, eerste lid, onderdeel n, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) (de taxivrijstelling). Belanghebbende meent dat de taxivrijstelling van toepassing is en de naheffingsaanslag en boete ten onrechte werden opgelegd. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen wordt verzonden met deze uitspraak.

3.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de Inspecteur en vernietiging van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ambtshalve en vooraf

4.1. Blijkens de onder 1.6. vermelde stukken is de aldaar genoemde uitnodiging uitgereikt. Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van het geschil

4.2. Belanghebbende klaagt dat het voor haar niet kenbaar was dat het boekenonderzoek (dat blijkens het rapport gericht was op aanvaardbaarheid van de teruggaven BPM) tevens gevolgen zou hebben voor de motorrijtuigenbelasting. Zij concludeert hieruit dat de Rechtbank in overweging 2.7 ten onrechte heeft vastgesteld dat belanghebbende niet, althans niet tijdig, aan het verzoek van de Inspecteur tot overlegging van de rittenstaten heeft voldaan. Deze constatering moge juist zijn voor de BPM, zij is, althans volgens belanghebbende, niet juist voor de motorrijtuigenbelasting, nu het verzoek van de Inspecteur immers niet in het kader van een onderzoek naar de motorrijtuigenbelasting werd gedaan. De Rechtbank heeft derhalve, aldus belanghebbende, ten onrechte tot omkering van de bewijslast geconcludeerd.

4.3. Belanghebbende doet beroep op een vrijstelling van belasting, en zij is degene die moet (stellen en) aannemelijk maken dat zij aan de voorwaarden van de vrijstelling voldeed en gedurende het betreffende tijdvak bleef voldoen. De bewijslast voor het recht op vrijstelling rust derhalve op belanghebbende (vergelijk arrest van de Hoge Raad van 29 november 2000, nr. 35862, LJN: AA8605). Reeds hierom kan geen sprake zijn van een omkering en verzwaring van de bewijslast op de grond dat belanghebbende niet, althans niet tijdig, aan een verzoek van de Inspecteur tot overlegging van de rittenstaten zou hebben voldaan (zie arrest Hoge Raad van 3 februari 2006, nr. 41.814, LJN: AV0826 en van 3 februari 2006, 41.329, LJN: AV0821). In het midden kan dan ook blijven of de Inspecteur een dergelijk verzoek voor de motorrijtuigenbelasting heeft gedaan.

4.4. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldeed aan de voorwaarden voor de taxivrijstelling. Daargelaten de vraag of belanghebbende kon volstaan met het registreren van de ritten per persoon in plaats van per auto, is - mede gelet op het ontbreken van de gegevens van de taxameter - de administratie kennelijk zodanig ingericht, dat daaruit niet aan de hand van redelijk objectiveerbare gegevens op verifieerbare wijze kan worden afgeleid of belanghebbende voldeed aan voornoemde voorwaarden. In het midden kan dan ook blijven of de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard op grond van het niet voldoen aan de in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgenomen administratieplicht.

4.5. Het Hof verwerpt belanghebbendes stelling, dat de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking dienen te worden vernietigd, nu zij gebaseerd zouden zijn op hetzelfde boekenonderzoek (c.q. dezelfde feiten en omstandigheden) als de naheffingsaanslagen BPM. Belanghebbende miskent dat de naheffingsaanslagen BPM niet zijn vernietigd omdat het vermelde in het controlerapport onjuist zou zijn, maar omdat zij - naar de stand van de toenmalige jurisprudentie - in strijd met artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) zouden zijn opgelegd, omdat het ambtshalve teruggaven betrof. Deze strijd doet zich bij de onderhavige naheffingsaanslag echter niet voor. Daarnaast is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Inspecteur het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt, dat ook de onderhavige naheffingsaanslag en boetebeschikking zouden worden vernietigd, in het bijzonder gelet op hetgeen belanghebbende vermeldt onder punt 5 van de nadere motivering van het beroepschrift in hoger beroep, waaruit volgt dat belanghebbende expliciet is medegedeeld dat vernietiging van de naheffingsaanslagen BPM niet automatisch tot vernietiging van de naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting zou leiden.

4.6. Voor zover belanghebbende met haar klacht, dat het haar niet kenbaar was dat het boekenonderzoek ook gevolgen kon hebben voor de motorrijtuigenbelasting, mede bedoelt te stellen, dat zij zich niet behoefde te realiseren dat er van haar werd gevraagd bewijs te leveren dat zij (ook) voor die belasting voldeed aan de voorwaarden van de taxivrijstelling, faalt de klacht eveneens. Na ontvangst van het controlerapport en van de naheffingsaanslagen had belanghebbende zich moeten realiseren, dat dit bewijs van haar gevraagd werd en dat de door haar overgelegde administratie (c.q. rittenstaten) onvoldoende bewijs vormde. Zij heeft het van haar te verlangen bewijs niet geleverd, noch in de bezwaarfase bij de Inspecteur, noch voor de Rechtbank, noch voor het Hof.

4.7. Hof verwerpt voorts belanghebbendes klacht, dat de Inspecteur in strijd zou hebben gehandeld met beginselen van gelijkheid, rechtszekerheid en belangenafweging door niet voor alle taxi's een naheffingsaanslag op te leggen. Het stond de Inspecteur vrij zijn onderzoek te beperken tot een deel van het wagenpark. De door de Inspecteur gegeven verklaring, die het Hof aannemelijk acht, geeft geen blijk van willekeur of schending van enig ander beginsel van behoorlijk bestuur. Ten slotte valt niet in te zien op welke wijze belanghebbende door de handelwijze van de Inspecteur in haar belangen is geschaad.

4.8. Met betrekking tot de boete heeft belanghebbende in hoger beroep gesteld, dat haar geen enkele blaam treft. Naar het Hof begrijpt stelt belanghebbende in hoger beroep dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. Naar het oordeel van het Hof kon belanghebbende redelijkerwijs weten dat zij alleen dan recht op een vrijstelling had als zij kon bewijzen dat de auto gedurende desbetreffende periode geheel of nagenoeg geheel voor taxivervoer was gebruikt. Mitsdien is geen sprake van afwezigheid van alle schuld. Uit hetgeen boven is overwogen volgt dat de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Derhalve heeft de Inspecteur terecht op de voet van artikel 77 in samenhang met artikel 37 van de Wet MRB een verzuimboete opgelegd. Deze boete is echter te hoog in het licht van het feit, dat aan belanghebbende vier naheffingsaanslagen zijn opgelegd. Het Hof is van oordeel dat alle vier boetes in totaal dienen te worden beperkt tot het in artikel 67c van de AWR genoemde maximum van € 4.537. Een boete van € 1.134 acht het Hof in het onderhavige geval passend en geboden.

4.9. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van gronden.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

* bevestigt de uitspraak van de Rechtbank

Aldus gedaan op: 2 oktober 2009 door P. Fortuin voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en J.G. Verseput, leden, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.