Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK7065

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-12-2009
Datum publicatie
18-12-2009
Zaaknummer
20-000584-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2008:BD9366, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2009:BH2459, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BR2841, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BR2841
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moord en brandstichting te Oploo.

De verdachte heeft samen met zijn toenmalige vriendin de vader van zijn vriendin vermoord door hem te verstikken en te wurgen. Om de dood van het slachtoffer op een ongeluk dan wel zelfmoord te laten lijken hebben verdachte en zijn vriendin brand gesticht in de slaapkamer waarin het lichaam van het slachtoffer zich bevond.

Het hof verwerpt de verweren dat er geen sprake is geweest van voorbedachte raad en het verbranden van een lijk als bedoeld in artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht. Ook het beroep op psychische overmacht en ontoerekenbaarheid wordt verworpen.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 15 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000584-09

Uitspraak: 18 december 2009

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 februari 2009 in de strafzaak met parketnummer 01-849349-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1983],

wonende te [woonplaats], [adres verdachte],

thans verblijvende in Vught PPC te Vught,

waarbij verdachte ter zake van:

1. medeplegen van moord;

2. medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

3. medeplegen van een lijk verbranden met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhelen;

werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 dag voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, en waarbij een last tot terbeschikkingstelling met voorwaarden werd gegeven, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] in hun vorderingen tot schadevergoeding.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte ter zake van het onder 1 (impliciet primair), 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Omvang van het hoger beroep

Bij het beroepen vonnis zijn de vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet toegewezen. Deze benadeelde partijen hebben zich niet opnieuw in hoger beroep gevoegd. De in het vonnis gegeven beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen zijn derhalve niet aan het oordeel van het hof onderworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat hij:

1.

in of omstreeks de periode van 15 mei 2007 tot en met 16 mei 2007 te Oploo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en/of met voorbedachten rade een persoon genaamd [J] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en/of na kalm beraad en rustig overleg

- een capuchon (van een regenjas) gepakt en/of deze capuchon op/over de mond en/of neus, althans over het gezicht en/of hoofd van deze [J] geplaatst en/of (met kracht) aangetrokken, en/of deze capuchon (gedurende enige tijd) op deze wijze vastgehouden, en/of

- (met kracht) met een of meer hand(en) de hals van deze [J] dichtgeknepen, althans samendrukkend geweld gebruikt op de hals van deze [J], en/of

- (met kracht) een kussen op het gezicht van deze [J] gedrukt,

tengevolge waarvan deze [J] is overleden;

2.

in of omstreeks de periode van 15 mei 2007 tot en met 16 mei 2007 te Oploo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning gelegen aan de [adres], immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk, in een slaapkamer van die woning

- een of meer brandbare (vloei)stof(fen) gesprenkeld op en/of nabij een of meer voorwerp(en) en/of de vloer(bedekking) van die slaapkamer, en/of op en/of nabij het in de slaapkamer gelegen stoffelijk overschot van [J], en/of

- een raam van die slaapkamer opengezet, en/of

- (met behulp van een aansteker) de in die slaapkamer aanwezige televisie en/of gordijnen en/of vloerbedekking en/of bed, althans een of meer (besprenkelde) voorwerp(en), en/of het stoffelijk overschot van [J] in brand gestoken,

althans open vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen) en/of (een) brandbare voorwerp(en), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten die (gehele) woning en de daarin aanwezige goederen, te duchten was;

3.

in of omstreeks de periode van 15 mei 2007 tot en met 16 mei 2007 te Oploo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [J], heeft verbrand, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) in een slaapkamer van de woning aan de [adres], alwaar zich het stoffelijk overschot van [J] bevond

- een of meer brandbare (vloei)stof(fen) gesprenkeld op en/of nabij een of meer voorwerp(en) en/of de vloer(bedekking) van die slaapkamer, en/of op en/of nabij het in de slaapkamer gelegen stoffelijk overschot van [J], en/of

- een raam van die slaapkamer opengezet, en/of

- (met behulp van een aansteker) de in die slaapkamer aanwezige televisie en/of gordijnen en/of vloerbedekking en/of bed, althans een of meer (besprenkelde) voorwerp(en), en/of het stoffelijk overschot van [J] in brand gestoken,

althans open vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen) en/of (een) brandbare voorwerp(en), ten gevolge waarvan het stoffelijk overschot van deze [J] (gedeeltelijk) is verbrand.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Vaststaande feiten

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

• de melding van de brand

Op woensdag 16 mei 2007 om 01.27 uur meldt verdachte telefonisch bij de brandweer dat hij en zijn medeverdachte [L], zijn toenmalige vriendin, bij de woning aan de [adres] te Oploo zijn, dat er brand in die woning is en dat de vader van zijn medeverdachte nog in die woning aanwezig is.

Toen de gealarmeerde brandweer kort daarna ter plaatse kwam, zag de bevelvoerder dat achter een raam op de begane grond, naar later bleek van de slaapkamer, vlammen zichtbaar waren. De brandweerlieden hebben de woning betreden op zoek naar de bewoner. Op enig moment komen twee brandweerlieden (in het verslag van de bevelvoerder aangeduid als “nummers 1 en 2”) uit de woning om de bevelvoerder te vertellen dat zij voor in het pand veel vuur zien, maar door de hitte niet verder kunnen gaan. Nadat er ventilatie wordt gestart om de rookgassen en de temperatuur uit het pand te drijven, gaan de “nummers 1 en 2” wederom de woning binnen. Zij komen vrijwel direct weer naar buiten en delen mede dat zij een slachtoffer gevonden hebben, door hen omschreven als zwartgeblakerd en er uitziend als een mummie. De bevelvoerder heeft twee andere brandweerlieden (“nummers 3 en 4”) gevraagd te gaan assisteren bij het blussen van de brand. Nadat het sein brandmeester werd gegeven, werd een naverkenning uitgevoerd. Tijdens die naverkenning concludeerde de bevelvoerder dat er in de slaapkamer een heftige brand had plaatsgevonden. Het stukadoorswerk was plaatselijk van de muur afgesprongen en er was sprake van roetvorming op de ramen en op de muren.

In de woning in een slaapkamer waar de brand heeft gewoed, wordt het deels verkoolde lichaam aangetroffen van een persoon. Op 16 mei 2007 na 01.30 uur heeft de arts Bleeker van de traumahelikopter door het raam van de slaapkamer op de benedenverdieping gekeken. De arts zag daar een verbrand en verkoold stoffelijk overschot liggen. Gezien de staat waarin dat lichaam verkeerde, is door de arts de dood van die persoon geconstateerd. Op 16 mei 2007 werd omstreeks 02.05 uur het stoffelijk overschot in beslag genomen.

Verdachte en de medeverdachte [L] worden diezelfde nacht omstreeks 03.30 uur als getuigen gehoord.

Verdachte verklaart daarbij dat hij samen met [L] op 15 mei 2007 omstreeks 23.00 uur de woning van de vader van de medeverdachte heeft verlaten en dat zij met de auto naar de woning van verdachte in Eindhoven zijn gegaan. Omdat zij echter hondenvoer waren vergeten, zijn zij vervolgens teruggekeerd naar de woning in Oploo, waar zij omstreeks 01.15 uur arriveerden en merkten dat er brand woedde. Ook in de telefonische melding van de brand om 01.27 uur had verdachte reeds gesteld dat zij naar zijn woning in Eindhoven waren gegaan en vervolgens waren teruggekeerd naar Oploo omdat zij de hondenbrokken waren vergeten.

De medeverdachte verklaart in gelijke zin, namelijk dat zij samen met verdachte op 15 mei 2007 de woning van haar vader heeft verlaten en dat zij naar de woning van verdachte in Eindhoven zijn gegaan. Omdat zij hondenbrokken waren vergeten, zijn zij vervolgens teruggekeerd naar de woning in Oploo, waar zij merkten dat er brand woedde. De medeverdachte heeft voorts verklaard dat haar vader het kozijn van de slaapkamer wilde gaan schilderen en dat zij op 15 mei 2007 heeft gezien dat er schilderspullen op de slaapkamer van haar vader stonden, zoals terpentine en spiritus.

• de identiteit van het slachtoffer

Het stoffelijk overschot was ernstig verbrand en verkoold. Teneinde aan de hand van het gebit de identiteit van de overledene vast te stellen, heeft op 16 mei 2007 forensisch odontologisch onderzoek plaatsgevonden op het stoffelijk overschot. Na vergelijking van de ante mortem en post mortem gebitsgegevens kwam de forensisch odontoloog J.H. Weijmar tot de conclusie dat het slachtoffer geïdentificeerd kan worden als [J], geboren op [1955].

Voluit heet het slachtoffer [volledige naam] (roepnaam [J]). Hij is de vader van de medeverdachte [L].

• het onderzoek naar brandversnellende middelen

Door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van brandversnellende middelen in de slaapkamer waar het slachtoffer werd aangetroffen.

Daarbij werd onder meer het volgende onderzoeksmateriaal onderzocht:

- brandresten, bestaande uit een deels verbrand stuk textiel, aangetroffen onder het lichaam van het slachtoffer op de plaats delict (referentie [bm-02]);

- brandresten, bestaande uit twee stukken zwart verbrand textiel, aangetroffen op het lichaam van het slachtoffer tijdens de schouw (referentie [bm-03]);

- een deels gesmolten blauwe kunststof brandspiritusfles, aangetroffen op de vloer van de slaapkamer (referentie [bm-04]);

- een deels gesmolten wit kunststof flesje, aangetroffen op de vloer van de slaapkamer (referentie [bm-05]).

De conclusie van dat onderzoek luidt dat in de brandresten [bm-02] en [bm-03] een aardolieproduct is aangetoond, waarvan de samenstelling duidt op een product van de subklasse terpentine. In de brandrest [bm-02] zijn tevens stoffen aangetoond die afkomstig kunnen zijn van brandspiritus. Voorts zijn in de brandspiritusfles [bm-04] stoffen aangetoond die afkomstig kunnen zijn van brandspiritus. In het flesje [bm-05] is een aardolieproduct aangetoond, waarvan de samenstelling duidt op een product van de subklasse terpentine. Uit het onderzoek is tenslotte gebleken dat de brandresten [bm-02] en [bm-03] en het flesje [bm-05] restanten bevatten van een soortgelijk product.

• het toxicologisch onderzoek

Door het NFI is toxicologisch onderzoek verricht aan lichaamsmateriaal van het slachtoffer.

Daarbij is in het bloed van het slachtoffer koolmonoxide aangetoond in een concentratie van 7%. Dit is geen hoge concentratie. Een dergelijke concentratie komt ook voor bij (zware) rokers. Bij rokers kunnen namelijk percentages tot 12% voorkomen. Het slachtoffer stond bekend als een straffe roker.

In het bloed van het slachtoffer is geen aanwijzing aangetroffen voor de aanwezigheid van cyanide. Deze stof kan vrijkomen bij de verbranding van kunststoffen.

In het bloed zijn voorts geen lichaamsvreemde vluchtige stoffen aangetoond. Op grond van de resultaten van het toxicologisch onderzoek kan het overlijden van het slachtoffer niet worden verklaard. De resultaten van koolmonoxide, cyanide en vluchtige stoffen passen bij het niet meer in leven zijn ten tijde van de brand.

• de lijkschouwing

Op het lichaam van het slachtoffer is op 18 mei 2007 een lijkschouwing verricht.

Bij de lijkschouwing, waarbij ook de resultaten van voornoemd toxicologisch onderzoek zijn betrokken, is onder meer het volgende gebleken.

1. Er is sprake van een sterk verkoold lichaamsoppervlak met voornamelijk aan de linker lichaamszijde verbranding van delen van borst- en buikwand en delen van inwendige organen, alsmede uitgebreide beschadiging van weefsels tengevolge van hitte-inwerking.

2. Het CO-gehalte in het bloed was 7%. Er is geen cyanide in het bloed aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen voor inademing van roet.

3. Er is sprake van een breuk van beide grote hoornen van het strottenhoofd en een breuk van de grote hoorn van het tongbeen links.

4. Er is sprake van bloeduitstortingen in de weke delen rond de grote hoornen van het strottenhoofd.

5. Er zijn geen ziekelijke orgaanafwijkingen die het overlijden zouden kunnen verklaren.

Het obductieverslag houdt als wetenschappelijke beschouwing ten aanzien van de hiervoor genoemde bevindingen onder meer het volgende in.

Bij de sectie werd een sterk verkoold lichaam gezien van een man (sub 1). Er waren geen aanwijzingen voor ziekelijke orgaanafwijkingen die het intreden van de dood zouden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest zouden kunnen zijn (sub 5). De bevindingen sub 3 en 4 waren het gevolg van bij leven opgetreden uitwendig mechanisch samendrukkend of botsend geweld op de hals, zoals kan optreden bijvoorbeeld door wurghandelingen of een val of een slag op de hals. De bevindingen sub 2 tonen aan dat het slachtoffer ten tijde van de brand niet ademde en dus niet in leven was. Het is vrijwel zeker dat het slachtoffer ten tijde van het uitbreken van de brand reeds was overleden.

Het is niet aan te geven hoe lang vóór het overlijden het geweld op de hals heeft plaatsgevonden, waarbij de mogelijke tijdspanne maximaal uren bedraagt. In het algemeen leidt botsend geweld op de hals (bijvoorbeeld een val of een slag) eventueel wel tot letsels maar niet tot overlijden. Samendrukkend geweld op de hals (een wurghandeling) kan leiden tot het overlijden door belemmering van zuurstoftoevoer aan onder andere de hersenen. Het is in het voorliggende geval niet aan te geven welk type geweld op de hals heeft plaatsgevonden en of dit geweld tot het overlijden heeft geleid. Gezien echter het ontbreken van een andere, mogelijke doodsoorzaak is het zeer wel mogelijk dat dit geweld het overlijden heeft veroorzaakt.

Als conclusie houdt het obductieverslag in dat bij de sectie op het lichaam van [J], geboren op [1955], geen anatomische en geen toxicologische doodsoorzaak werd gevonden. Verstikking ten gevolge van samendrukkend geweld op de hals (wurging) dient echter als doodsoorzaak te worden overwogen, aldus het verslag.

• de gang van zaken vóór de brand

Op 15 mei 2007 bevonden verdachte en de medeverdachte zich in de woning aan de [adres] te Oploo. [J] was toen, zoals vaak het geval was, dronken. Het bleek dat hij bierflesjes tegen de computer had stukgeslagen of -gegooid. Toen zij hem daarop aanspraken, pakte hij de medeverdachte bij de keel. Dit was overigens de eerste keer dat haar vader op die manier fysiek agressief was tegen haar. Voor verdachte en de medeverdachte was de maat vol en zij wensten dat [J] onmiddellijk in een kliniek zou worden opgenomen voor zijn drankgebruik. Om die reden werd de dienstdoende arts van de huisartsenpost te Boxmeer gebeld. Omstreeks 22.20 uur à 22.30 uur arriveerden de arts en haar chauffeur bij de woning in Oploo.

De arts vertelde dat een opname van [J] niet meteen geregeld kon worden, gelet op de staat waarin hij verkeerde. Hij moest nuchter en helder zijn om opgenomen te kunnen worden. De arts heeft [L] geadviseerd niet te veel te reageren op haar vader en hem uit de weg te gaan. Zij kreeg tevens van de arts het advies zich terug te trekken op haar slaapkamer of naar haar vriend te gaan. Verdachte stelde toen voor dat [L] en hij, wanneer er weer iets met [J] zou voorvallen, naar zijn woning in Eindhoven konden gaan.

Uit de verklaring van de chauffeur, inhoudende dat de arts en hij kort na 23.00 uur terug waren in Boxmeer en dat de rit van Boxmeer naar Oploo ongeveer 10 minuten duurt, blijkt dat de arts en de chauffeur omstreeks 22.50 uur de woning hebben verlaten.

Omstreeks 23.15 uur heeft de arts nog telefonisch aan de medeverdachte medegedeeld dat uit contact met de GGZ was gebleken dat, indien [J] nuchter was, hij de volgende morgen kon praten over een opname.

Na het vertrek van de arts bevonden verdachte, zijn medeverdachte en [J] zich in de keuken. De medeverdachte zei tegen haar vader dat zij en verdachte hem zelf naar een kliniek zouden brengen. [J] zei toen onder meer: “Niemand krijgt mij daarheen, want ik ben machtiger dan iedereen.” Vervolgens ging hij naar zijn slaapkamer.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

• de verdere gebeurtenissen in de keuken en in de slaapkamer

Het hof constateert – evenals de rechtbank – dat door verdachte en de medeverdachte vele uiteenlopende en wisselende verklaringen zijn afgelegd met betrekking tot hetgeen zich in de avond en nacht van 15 op 16 mei 2007 daadwerkelijk heeft afgespeeld rondom en na de dood van het slachtoffer. Het hof zal zich derhalve eerst dienen uit te laten welke verklaringen van verdachte en de medeverdachte voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

[L] heeft in haar hoedanigheid van verdachte met betrekking tot de feiten in totaal acht verklaringen afgelegd bij de politie. Verdachte is in totaal twaalf maal in zijn hoedanigheid van verdachte verhoord door de politie. In eerste instantie heeft [L] verklaard dat de dood van haar vader een ongeluk was. Naarmate de verhoren vorderden heeft zij steeds meer openheid van zaken gegeven; zij ontkende echter in eerste instantie haar betrokkenheid bij de dood van haar vader. Verdachte heeft zich aanvankelijk grotendeels beroepen op zijn zwijgrecht of de feiten ontkend. Ook hij heeft pas in een later stadium meer openheid van zaken willen geven.

Naar het oordeel van het hof bevatten de in het eerdere stadium afgelegde verklaringen veel tegenstrijdigheden en is er voorts door verdachte en de medeverdachte een aantal aantoonbare onjuistheden verteld. Deze verklaringen zijn naar het oordeel van het hof dusdanig inconsequent en tegenstrijdig dat het hof deze verklaringen ongeloofwaardig acht.

Verdachte en de medeverdachte zijn op 12 en 13 november 2007 voor de laatste keer bij de politie verhoord. In tegenstelling tot hun eerdere verklaringen acht het hof deze verklaringen, voor zover hierna weergegeven, consistent en betrouwbaar ten aanzien van hetgeen zich in de keuken en de slaapkamer heeft afgespeeld. Deze verklaringen van verdachte en de medeverdachte stemmen namelijk op essentiële punten met elkaar overeen – daarin worden afzonderlijk en spontaan opvallende details genoemd – en zij vinden voorts steun in de hiervoor genoemde resultaten van het technisch onderzoek. Gelet daarop, alsmede het feit dat zowel verdachte als de medeverdachte in die verklaringen ook zichzelf belasten, ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die verklaringen. Het hof gaat derhalve – evenals de rechtbank – uit van de juistheid daarvan en zal die verklaringen bezigen voor het bewijs van alle ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van de verdere gebeurtenissen in de keuken en in de slaapkamer heeft de medeverdachte op 13 november 2007 het volgende verklaard:

“Ik was nog steeds in de keuken en [verdachte] kwam toen vanuit de computerkamer. Hij kwam naar mij toe en toen vertelde ik tegen [verdachte] dat ik het echt spuugzat was zoals ons pap tegen mij reageerde. Dit was constant en al maanden iedere keer zo, terwijl ik hem ook hielp. Ik zei toen tegen [verdachte]: “Als ons pap denkt dat hij zo machtig is, dan kan hij zijn strijd voor mijn part met God beginnen.”

[verdachte] vroeg mij wat ik hiermee bedoelde. Ik zei tegen [verdachte] dat ik hiermee bedoelde dat die vent echt kapot moest en dat ik het echt zat was. (..) Ik heb toen tegen [verdachte] gezegd dat het echt afgelopen moest zijn met ons pap. (..) [verdachte] zei toen tegen mij dat hij dan misschien wel een idee had hoe we dat konden doen. (..)

Ik ben toen naar de slaapkamer van ons pap gegaan. (..) Ik heb toen wat broeken en blouses in die tas gegooid. Ons pap zat toen op zijn knieën voor de tas met een fles jonge jenever in de hand, waar hij uit zat te drinken. Hij heeft helemaal niets gedaan om te helpen de tas in te pakken. Hij zat alleen maar constant te zeiken dat het toch geen zin had en dat hij toch niet meeging naar de Korsakov-kliniek.

In de tussentijd was [verdachte] op de slaapkamer gekomen. Hij vertelde toen dat hij van de regenjas, de capuchon had afgescheurd. [verdachte] vertelde dit fluisterend tegen mij, ik weet niet of ons pap dit heeft gehoord. Ik heb toen de toiletspullen van ons pap in de Samsonite gegooid en toen vertelde ik tegen ons pap dat we zouden gaan. Hierop begon ons pap weer te tieren. Op dat moment zat [verdachte] achter ons pap, op het bed.

Pap riep dat hij absoluut niet meeging, het toch geen zin had en dat hij niet mee zou gaan. Hij had mijn hulp niet nodig, zei hij. Op dat moment hebben [verdachte] en ik oogcontact. Met dit oogcontact bedoelden wij eigenlijk van doen we het nu wel of doen we het nu niet. Hier bedoel ik mee dat wij ons pap nu wel wilden vermoorden of niet wilden vermoorden. Op dat moment schuift [verdachte] de capuchon over ons pap heen. [verdachte] zat gewoon op het bed en schoof de capuchon over het hoofd van ons pap heen. Op dat moment zei ons pap: “Wat doen jullie?” of “Wat gebeurt er?“ of zoiets in die richting. Ons pap was toen eigenlijk vrij snel weg. Ik bedoel hiermee dat hij dat zei en toen zuchtte en daarna weg was. Ik zag in ieder geval dat hij niet meer bewoog. Toen heb ik een kussen van het bed gepakt, dit was gewoon een kussen waar je op ligt, een hoofdkussen. Ik heb toen plus minus 30 seconden het kussen op de mond van ons pap gedrukt. Op dat moment had [verdachte] nog steeds de capuchon vast en ik drukte daarover het kussen op de mond van ons pap. (..)

Ik heb vervolgens het kussen teruggelegd op bed. [verdachte] heeft hierna de capuchon weggehaald van het hoofd van ons pap. [verdachte] had op dat moment ons pap vast.”

Over het gesprek met verdachte in de keuken heeft zij in datzelfde verhoor ook als volgt verklaard:

“In de keuken, toen die huisarts weg was en ons pap in de slaapkamer was, hebben wij erover gesproken. Ik zei tegen [verdachte]: “Als hij dan toch zo graag een strijd aangaat met God, dan kan hij maar beter weg zijn omdat hij zoveel mensen verdriet doet.”

Wij, [verdachte] en ik, kwamen uiteindelijk overeen dat het beter was als ons pap dood zou zijn. [verdachte] zei toen dat hij misschien wel een idee zou hebben.”

Het verbatim verslag van het verhoor van de medeverdachte d.d. 12 november 2007 houdt voorts (woordelijk) de volgende passages in:

“Verdachte: Toen hebben [verdachte] en ik overlegd.

Verbalisant: Wa[t] heb je overlegd?

Verdachte: Dat wij ons pap iets zou[d]en doen.

Verbalisant: En wat zou je doen dan?

Verdachte: Nou [verdachte] pakte die, scheurde die capuchon van mijn regenjas. En daar zou [verdachte] ons pap mee laten stikken. En dat hebben we ook gedaan.

Verbalisant: En hoe hedde dat toen gedaan?

Verdachte: Die tas hadden we al ingepakt. We deden ons pap laten geloven dat ie dan wel naar de korzakov (het hof begrijpt: naar de Korsakov-kliniek) toe ging.”

“Verbalisant: En wa[t] hebben jullie toen gezegd toen die arts weg was?

Verdachte: Toen hebben we dus besproken dat we dan wel iets zou[d]en doen.

Verbalisant: En ook wat je zou doen dan.

Verdachte: Nee [verdachte] zei van em, toen pakte hij die capuchon toen zei die van, hier moet dat wel mee lukken. En dat duurde best wel… Ons pap die zat daar eigenlijk. En het was eigenlijk van ja doen we het nou wel of doen we het nou eigenlijk nie[t]. En dat heeft eigenlijk heel lang geduurd en op een gegeven moment was eigenlijk… we keken elkaar aan, we hadden zoiets van ja, we doen het toch. En toen is het ook gebeurd.”

Verdachte heeft op 13 november 2007 het volgende verklaard:

“De eerste keer dat ik en [L] het erover hadden dat wij van [J] afwilden, was in de keuken voordat wij naar de slaapkamer van [J] gingen op 15 mei 2007. (..)

Op dinsdag 15 mei 2007 werd [L] door de arts teruggebeld. Dit was de arts die [J] eerder deze avond bezocht had. [L] vertelde mij toen dat de arts had gezegd dat [J] niet opgenomen kon worden. (..) Ik en [L] hadden toen in de keuken overlegd of wij hem zouden brengen. [J] was op dat moment in zijn slaapkamer. [L] zei tegen mij dat [J] weg moest, dat hij dood moest. (..)

[L] zei tegen mij dat zij voor altijd bij mij zou blijven als [J] weg was. Het is voor mij heel belangrijk dat [L] voor altijd bij mij zou blijven. Zij is gewoon het lichtpuntje in mijn leven. [L] liep vervolgens naar de slaapkamer van [J]. Ik zei tegen [L] dat zij [J] daar moest houden. (..) Ik liep naar het halletje bij de achterdeur. (..) Wij wilden [J] dus eerst laten stikken. (..) Ik wilde iets van de kapstok pakken wat stevig was en geen lucht doorliet. Ik pakte een capuchon van een regenjas en maakte deze los van de jas. (..) Ik liep vervolgens naar de slaapkamer van [J]. Ik zie dat [L] op het bed zit, aan het hoofdeinde. Ik zie dat zij aan de linkerzijde van het bed zit, gezien vanaf de hal. Ik zag dat [J] [zich] aan de linkerzijde naast het bed [bevindt]. (..) Ik zie dat het gezicht van [J] gericht is in de richting van [L]. Ik liep om [J] heen en ging op de bedrand zitten aan het voeteinde. Ik keek [L] aan en ik zag dat zij met haar ogen gebaarde dat ik met [J] moest doen wat wij eerder afgesproken hadden. Hiermee bedoel ik dat zij met haar ogen seinde en van mij naar [J] keek. Ik wist dat zij hiermee bedoelde dat ik [J] moest laten stikken. Ik hoorde dat [L] toen tegen mij zei: “Denk eraan, ik blijf voor altijd bij je!” of iets dergelijks. (..)

Ik pakte de capuchon met beide handen vast en sloeg de capuchon vanaf de achterzijde van het hoofd van [J] over zijn hoofd en over zijn gezicht. Ik trok vervolgens de capuchon stevig naar achteren, waardoor [J] naar achteren tussen mijn benen viel. Ik zat op dat moment op mijn hurken. Ik hield de capuchon met mijn beide handen achter het hoofd van [J] vast. Ik wilde op deze manier [J] laten stikken zodat hij geen lucht meer kreeg. (..)

Ik hoorde dat [L] tegen mij zei: “Hou hem goed vast!” of iets dergelijks. Ik hoorde dat [J] zei: “[verdachte], [L]!”. Ik weet niet meer precies wanneer hij dat zei. Ik zag dat hij een arm omhoog bracht in mijn richting. Ik voelde dat [J] met zijn hand mijn schouder licht aanraakte. Ik voelde en zag dat zijn hand van mijn schouder afgleed. (..)

Op een gegeven moment heb ik de capuchon losgelaten. De reden waarom ik dat deed was dat hij geen kik meer gaf. Hij deed dit eigenlijk de hele tijd al niet. Ik hoorde dat er nog lucht in [J] kwam. Ik hoorde een zuigend geluid. Op dat moment dacht ik dat [J] nog ademde. Ik pakte daarna de keel van [J] met mijn rechterhand vast bij zijn strottenhoofd en kneep deze dicht. [J] zat op dat moment nog steeds tussen mijn benen, terwijl ik gehurkt achter hem zat.

[L] had ook nog met een hoofdkussen van het bed op het gezicht van [J] gedrukt. Ik weet niet meer wanneer zij dit gedaan had; of zij dit deed toen ik de capuchon nog op [J] zijn gezicht had of op het moment dat ik zijn keel dichtkneep. Toen ik merkte dat [J] niets meer deed, legde ik zijn hoofd op de grond neer.”

• de brandstichting en het creëren van een alibi

Nadat het slachtoffer op de grond lag, zei [L] tegen verdachte dat zij het op een zelfmoord konden laten lijken. Omdat het slachtoffer rookte op de slaapkamer, stelde [L] voor om een gedeelte van de slaapkamer in brand te steken, zodat het erop zou lijken dat het slachtoffer een sigaret zou hebben laten vallen. Verdachte vond dat een goed idee.

Uit de verklaring van verdachte d.d. 13 november 2007 blijkt dat het volgende zich vervolgens heeft afgespeeld.

Verdachte heeft jonge jenever in de mond van het slachtoffer gegoten. [L] heeft ongeveer zes pilletjes van het slachtoffer gepakt. Eén van hen heeft die in de mond van het slachtoffer gedaan. Verdachte is naar de badkamer gelopen om aftershave te pakken. Hij pakte de aftershave, omdat daar alcohol in zit en het daarom brandbaar is. Met de aftershave heeft hij op de televisie gesproeid met de bedoeling om die in brand te steken. Beiden hebben vervolgens in de keuken, het waslokaal en de schuur gezocht naar andere brandbare stoffen, te weten terpentine en wasbenzine. In het waslokaal vonden zij twee of drie witte flessen met een brandbare stof. In de schuur heeft verdachte nog een fles gevonden en [L] heeft daar verfrollen en kwasten gepakt voor hun alibi. Zij wilden het verhaal gebruiken dat die spullen op de slaapkamer stonden omdat het slachtoffer zijn slaapkamer wilde schilderen. Nadat zij de spullen uit de schuur hadden gepakt, zijn zij teruggegaan naar de slaapkamer. Daar heeft verdachte met de flessen gesprenkeld bij de kast, op de grond bij de televisie, op de grond midden in de slaapkamer, op het bed en op en rondom het lichaam van het slachtoffer. Zij hebben de flessen met brandbare stof, de verfrollen en de kwasten in de slaapkamer achtergelaten.

Verdachte heeft vervolgens een raampje in de slaapkamer opengezet, opdat er voldoende zuurstof was voor de brand. Hij heeft met een aansteker de televisie, de gordijnen bij het raam achter de televisie, de vloerbedekking in het midden van de slaapkamer en het bed, een en ander rondom het slachtoffer, in brand gestoken. Hij had die aansteker van [L] gekregen om de slaapkamer in brand te steken. Zij hebben een sigaret op de buik van het slachtoffer gelegd om het op een ongeluk te laten lijken. Toen de slaapkamer in brand stond, heeft verdachte de deur van de slaapkamer dichtgedaan om de brand te beperken tot de slaapkamer. Omdat de woning te koop stond, wilde hij de schade voor de rest van de woning beperken. Beiden hebben vervolgens de woning verlaten door de achterdeur. Zij deden de achterdeur op slot voor hun alibi. Zij wilden de brand namelijk op een zelfmoord laten lijken en doen voorkomen alsof het slachtoffer hen om die reden uit de woning wilde hebben en zelf de deur op slot had gedaan. Wanneer het slachtoffer de deur afsloot, deed hij dit altijd met de sleutel, omdat hij moeilijk bij de knip kon. Vervolgens heeft verdachte de capuchon weggestopt tussen snoeiafval op een aanhangwagen. Deze aanhangwagen heeft hij ongeveer een week later geleegd op een vuilstort.

Verdachte en zijn medeverdachte zijn na de brandstichting in de buurt gaan rondrijden in de auto van verdachte. In de auto hebben zij hun alibi besproken. Zij hebben toen onder meer afgesproken dat verdachte de woning weer in zou gaan, zodat het leek alsof hij het slachtoffer probeerde te redden. Na enige tijd zijn beiden teruggekeerd bij de woning. Verdachte is de woning binnengegaan om te kijken of het slachtoffer er nog lag en of het nog brandde. [L] bleef buiten wachten. Toen verdachte de slaapkamerdeur opende, zag hij dat het slachtoffer nog lag op de plaats waar zij hem hadden achtergelaten. Hij zag dat de plekken die hij in brand had gestoken nog steeds brandden. Met zijn mobiele telefoon heeft hij een foto en een filmpje van de brand gemaakt. Vervolgens heeft hij de slaapkamerdeur weer gesloten. Bij het verlaten van de woning heeft hij de achterdeur weer op slot gedaan.

Nadat beiden wederom hebben rondgereden in de buurt van Oploo, zijn zij weer naar de woning gegaan. Verdachte heeft de achterdeur weer opengemaakt met de sleutel en is de woning binnengegaan. Hij deed dit voor het alibi, namelijk om te kunnen zeggen dat hij heeft geprobeerd het slachtoffer te redden. Hij pakte een doek en hield die voor zijn mond om geen rook in te ademen. Toen hij de slaapkamerdeur opende, zag hij een vlammenzee en hij rook een vieze lucht, volgens hem de lucht van een brandend lijk. Hij heeft toen de woning weer verlaten via de achterdeur.

Uit de verklaring van verdachte d.d. 13 november 2007 blijkt voorts dat, toen [L] en hij na de brand aan het rondrijden waren, zij het verhaal hebben verzonnen dat zij naar de woning van verdachte in Eindhoven waren gegaan en dat zij zijn teruggekeerd naar de woning in Oploo omdat zij de hondenbrokken waren vergeten. Uit die verklaring blijkt tevens dat verdachte en zijn medeverdachte tijdens één van de keren dat zij na de brand terugkeerden bij de woning, samen rond die woning hebben gelopen voor het geval de buren dit zouden zien. In dat geval zouden zij zeggen dat zij buiten naar het slachtoffer aan het zoeken waren.

De verklaring van verdachte d.d. 13 november 2007 vindt op belangrijke onderdelen steun in de verklaring van [L] van diezelfde datum.

Laatstgenoemde verklaring houdt onder meer in dat verdachte en [L] na de dood van het slachtoffer naar de schuur zijn gegaan. Verdachte heeft een fles terpentine gepakt en [L] heeft verfblikken en een plastic bak gepakt. In de slaapkamer van haar vader heeft [L] die bak met verfblikken aan verdachte gegeven, die de verfblikken in de slaapkamer heeft gezet. Hierna heeft verdachte op de kast en bij de televisie terpentine gesprenkeld. Omdat [L] zich op enig moment heeft omgedraaid, heeft zij niet alles kunnen zien wat verdachte in de slaapkamer deed. Toen verdachte de slaapkamer uitliep, hebben beiden even in de hal gewacht tot zij zeker wisten dat het vuur brandde.

Zij hebben de woning verlaten en zijn met de auto van verdachte rond gaan rijden. Vervolgens zijn zij teruggekeerd naar de woning, omdat verdachte wilde kijken of het vuur nog brandde. Hij ging de woning in, terwijl zij in de auto bleef zitten. Toen hij terugkwam, zei hij dat het vuur in de slaapkamer nog brandde.

[L] heeft op enig moment tegen verdachte gezegd dat zij de brand moesten melden, omdat anders het hele huis zou afbranden. Uiteindelijk heeft verdachte de brandweer gebeld. Toen beiden tussen de brandstichting en de melding van de brand in de auto rondreden, hebben zij overleg gepleegd over het verhaal dat zij bij de politie zouden vertellen. Daarbij hebben zij afgesproken dat zij zouden zeggen dat zij naar Eindhoven (het hof begrijpt: naar de woning van verdachte) waren geweest.

• de doodsoorzaak

Het hof stelt vast dat het bij het strottenhoofd vastpakken en dichtknijpen van de keel van het slachtoffer, waarover verdachte heeft verklaard, past bij de hiervoor weergegeven bevindingen sub 3 en 4 van het obductieverslag, alsmede dat wurging blijkens het obductieverslag als doodsoorzaak moet worden overwogen.

Uit de resultaten van het toxicologisch onderzoek en de lijkschouwing leidt het hof voorts af dat het slachtoffer reeds was overleden ten tijde van het uitbreken van de brand.

Op grond van de verklaringen van de verdachte en de medeverdachte, bezien in samenhang met de resultaten van de lijkschouwing, acht het hof bewezen dat het slachtoffer om het leven is gekomen tengevolge van (het geheel van) de in de tenlastelegging omschreven verstikkings- en wurghandelingen.

• voorbedachte raad

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 (impliciet primair) ten laste gelegde moord, nu er geen sprake is van voorbedachte raad.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad – in de tenlastelegging nader uitgedrukt met de woorden "na kalm beraad en rustig overleg" – is voldoende dat komt vast te staan dat verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat verdachte over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Uit de hiervoor weergegeven verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte blijkt dat zij na het vertrek van de arts in de keuken overleg hebben gevoerd. Daarbij is het voornemen om het slachtoffer te doden ontstaan en dit voornemen is tussen hen besproken. Verdachte zei toen dat hij wel een idee had. Besproken is de wijze waarop dit zou plaatsvinden. Vervolgens is eerst [L] en daarna verdachte naar de slaapkamer gegaan waar het slachtoffer zich bevond. Verdachte heeft, voordat hij de slaapkamer betrad, een capuchon gehaald met de bedoeling het slachtoffer daarmee te laten stikken. In de slaapkamer heeft verdachte – nadat hij fluisterend tegen [L] had gezegd dat hij een capuchon van een regenjas had afgescheurd – op het bed plaatsgenomen achter het slachtoffer. Op enig moment was er oogcontact tussen verdachte en zijn medeverdachte, waarbij het in de keuken besproken voornemen werd bevestigd en waarbij werd beslist dat voornemen ten uitvoer te brengen. Vervolgens werd het slachtoffer door beiden van het leven beroofd.

Uit deze gang van zaken volgt dat de levensberoving niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging, maar dat voor verdachte de gelegenheid heeft bestaan als hiervoor bedoeld. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat er niet alleen tijd is verstreken tussen de totstandkoming van het voornemen van de levensberoving in de keuken en het moment waarop verdachte in de slaapkamer arriveerde, maar dat er – blijkens het hiervoor weergegeven gedeelte van het verbatim verslag van het verhoor van [L] d.d. 12 november 2007 – ook in de slaapkamer zelf nog de nodige tijd is verstreken alvorens het slachtoffer van het leven werd beroofd.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte zich bevond in een gemoedstoestand die geen enkele gelegenheid gaf tot rationeel nadenken en daarmee tot kalm beraad en rustig overleg.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de gedragingen van verdachte duidelijk getuigen van rationeel handelen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat hij na het overleg in de keuken, een capuchon van een regenjas heeft afgescheurd. De keuze voor de capuchon was een bewuste met het oog op de voorgenomen daad: verdachte wilde iets pakken wat stevig was en geen lucht doorliet. Het feit dat verdachte in de slaapkamer zijn medeverdachte fluisterend heeft verteld dat hij een capuchon had gepakt geeft eveneens blijk van rationeel handelen: het slachtoffer mocht kennelijk niet merken dat verdachte in het bezit was van de capuchon. Vervolgens heeft verdachte plaatsgenomen achter het slachtoffer, kennelijk bewust teneinde het slachtoffer van achteren te kunnen verstikken.

Hetgeen de raadsman overigens heeft aangevoerd brengt het hof niet tot een ander oordeel.

Het verweer wordt verworpen.

• het verbranden van een lijk

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde. Daartoe is – op gronden als vervat in de pleitnota – aangevoerd dat er geen sprake is van verbranding in de zin van artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht, nu daaronder slechts volledige verbranding dient te worden volstaan. In dit verband is onder meer aangevoerd dat aan de term verbranden in die wetsbepaling dezelfde betekenis toekomt als aan de term verbranden in de Wet op de Lijkbezorging, derhalve de betekenis van cremeren oftewel het tot as reduceren van een stoffelijk overschot. Aangezien het stoffelijk overschot in deze zaak nog als menselijk lichaam herkenbaar was en de doodsoorzaak nog kon worden vastgesteld zonder dat de door de brand veroorzaakte beschadigingen dit belemmerden, was er geen sprake van (volledige) verbranding in de zin van genoemde wetsbepaling, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat het onder 3 ten laste gelegde is toegesneden op artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht, zodat de in de tenlastelegging voorkomende term ‘verbranden’ geacht wordt aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel.

Zoals hiervoor weergegeven, houdt het obductieverslag in dat bij de sectie een sterk verkoold lichaam van een man werd gezien, alsmede dat er sprake was van een sterk verkoold lichaamsoppervlak met voornamelijk aan de linker lichaamszijde verbranding van delen van borst- en buikwand en delen van inwendige organen, alsmede uitgebreide beschadiging van weefsels tengevolge van hitte-inwerking.

In dit verband wordt onder meer melding gemaakt van de volgende bevindingen bij uitwendige schouwing van het lichaam:

• De lengte van het lijk kon niet worden bepaald i.v.m. sterke verkoling van het lichaam. Er was verkoling van vrijwel het gehele lichaamsoppervlak, met uitzondering van een klein huiddeel op de rug. Voorts was er sprake van volledige verbranding van de gehele huid, met uitzondering van de borstkas voornamelijk rechts, het hoofd, de hals en de rechterarm. Er waren bovendien uitgebreide verbrandingen van delen van ribben, de borst- en buikwand links en extremiteiten en er was zicht op inwendige organen. Er was verkoling en verbranding van delen van het kniegewricht rechts. (punt 1 van het verslag)

• Het gelaat was verkoold. Het hoofdhaar was grotendeels verbrand; op het achterhoofd waren kleine resten. Het aspect was niet te beoordelen i.v.m. brandschade. De hals, borstkas, buik, armen, benen en nek waren sterk verbrand. (punt 3)

• Littekens en tatoeages waren niet te beoordelen i.v.m. verbranding. (punt 7)

Bij inwendige schouwing bleek voorts het volgende:

• Het middenrif ontbrak aan de linkerzijde grotendeels ten gevolge van verbranding, waardoor de stand van het middenrif links niet was te beoordelen. (punt 9 en 14)

• De afstand van de longranden was niet te bepalen i.v.m. thermische beschadiging van de linkerlong. De linkerlong toonde ook tekenen van verbranding. Het hartzakje was links verbrand. (punt 10)

• De spierwand van de linkerkamer van het hart toonde uitgebreide thermische beschadiging van de voor- en zijwand van de linkerkamer en er was thermische beschadiging van het tussenschot. Het hartoppervlak toonde tekenen van thermische beschadiging ter plaatse van de voor- en zijwand van de linkerkamer. Ook de hartspier was thermisch beschadigd. (punt 11)

• Het gewicht van de milt was niet te bepalen. Er werd slechts een klein deel van de milt gevonden. Het weefsel toonde tekenen van uitgebreide thermische beschadiging. (punt 15)

• Het vetkapsel van de linkernier was deels verbrand en het oppervlak van de linkernier toonde verbranding en thermische beschadiging. De nierbekkens links waren niet te beoordelen i.v.m. hitte-inwerking. (punt 20)

• Het hersenvocht was niet te beoordelen i.v.m. hitte-inwerking. De grote en kleine hersenen en de hersenstam toonden tekenen van hitte-inwerking. (punt 29)

• Het halspreparaat was aan de voorzijde verkoold en de weke delen toonden sterke thermische beschadiging. (punt 30)

• Delen van de ribben links waren verbrand. (punt 32)

Bij microscopisch onderzoek bleek tevens dat er bij de weke delen van de hals rechts sprake was van zeer voortgeschreden thermische beschadiging, waardoor beoordeling van dit materiaal zwaar werd bemoeilijkt. (punt 35)

Het slachtoffer was bovendien, zoals hiervoor overwogen, dermate ernstig verbrand en verkoold dat de identificatie van het slachtoffer diende plaats te vinden door middel van gebitsvergelijking.

Artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht stelt onder meer strafbaar het begraven, verbranden, vernietigen, verbergen, wegvoeren of wegmaken van een lijk met het oogmerk de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman, omdat de daaraan ten grondslag liggende opvatting geen steun vindt in het recht. Daarbij neemt het hof zowel de inhoud als de strekking van artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht in aanmerking.

Die wetsbepaling stelt naast het verbranden ook het vernietigen van een lijk strafbaar. Indien verbranden in de beperkte betekenis van volledig verbranden (in de zin van tot as reduceren) zou dienen te worden uitgelegd, zou aan verbranden, naast het vernietigen, geen zelfstandige betekenis toekomen. De door de raadsman voorgestane uitleg van de term verbranden ligt derhalve niet in de rede.

Van belang is voorts dat artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht ertoe strekt handelingen tegen te gaan die – voor zover hier van belang – de doodsoorzaak beogen te verhelen. Dat oogmerk kan ook worden bereikt door middel van verbranding die niet bestaat uit volledige verbranding of vernietiging van het lichaam.

Het verbranden van een lichaam, waarbij weliswaar geen volledige verbranding plaatsvindt maar delen van het lichaam wel zijn verbrand en er voorts sprake is van sterke verkoling van het lichaam, is een handeling die in het algemeen zeer wel geschikt is om de doodsoorzaak te verhelen. Gelet op de mate waarin het lichaam in deze zaak is verbrand, is er derhalve sprake van verbranden in de zin van artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht.

Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat de omstandigheid dat de doodsoorzaak ondanks de verbranding toch kon worden vastgesteld, niet in de weg staat aan voornoemd oordeel. Voldoende is dat het verbranden is geschied met het oogmerk de doodsoorzaak te verhelen. Niet is vereist dat verdachte in dat oogmerk is geslaagd.

Hetgeen de raadsman overigens aan het verweer ten grondslag heeft gelegd brengt het hof niet tot een ander oordeel.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen – waarbij elk bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft – in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof het onder 1 (impliciet primair), 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat verdachte:

1.

in de periode van 15 mei 2007 tot en met 16 mei 2007 te Oploo tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [J] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

- een capuchon van een regenjas gepakt en deze capuchon over het gezicht en hoofd van deze [J] geplaatst en met kracht aangetrokken en deze capuchon gedurende enige tijd op deze wijze vastgehouden, en/of

- met een hand de hals van deze [J] dichtgeknepen, en/of

- een kussen op het gezicht van deze [J] gedrukt,

tengevolge waarvan deze [J] is overleden;

2.

in de periode van 15 mei 2007 tot en met 16 mei 2007 te Oploo tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres], immers hebben verdachte en zijn mededader toen aldaar opzettelijk, in een slaapkamer van die woning

- een of meer brandbare vloeistoffen gesprenkeld op en nabij voorwerpen en de vloer van die slaapkamer en op en nabij het in de slaapkamer gelegen stoffelijk overschot van [J], en

- een raam van die slaapkamer opengezet, en

- met behulp van een aansteker de in die slaapkamer aanwezige televisie en gordijnen en vloerbedekking en bed en het stoffelijk overschot van [J] in brand gestoken,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en de daarin aanwezige goederen, te duchten was;

3.

in de periode van 15 mei 2007 tot en met 16 mei 2007 te Oploo tezamen en in vereniging met een ander, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [J], heeft verbrand, met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers hebben verdachte en zijn mededader in een slaapkamer van de woning aan de [adres], alwaar zich het stoffelijk overschot van [J] bevond,

- een of meer brandbare vloeistoffen gesprenkeld op en nabij voorwerpen en de vloer van die slaapkamer en op en nabij het in de slaapkamer gelegen stoffelijk overschot van [J], en

- een raam van die slaapkamer opengezet, en

- met behulp van een aansteker de in die slaapkamer aanwezige televisie en gordijnen en vloerbedekking en bed en het stoffelijk overschot van [J] in brand gestoken,

ten gevolge waarvan het stoffelijk overschot van deze [J] is verbrand.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 2 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 157, aanhef en onder 1°, juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 3 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 151 juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft – op gronden als vervat in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota – betoogd dat verdachte ter zake van alle ten laste gelegde feiten dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, primair omdat hij uit psychische overmacht zou hebben gehandeld en subsidiair omdat het bewezen verklaarde niet aan hem zou kunnen worden toegerekend wegens een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

• psychische overmacht

Van psychische overmacht is sprake indien het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Het hof acht aannemelijk dat [L] door de problematische thuissituatie in de woning aan de [adres] een drang heeft ervaren om een einde te maken aan de situatie waarin zij verkeerde en dat verdachte een drang heeft ervaren om haar daarbij te helpen.

Naar het oordeel van het hof had verdachte echter aan die drang, voor zover die bestond uit het om het leven willen brengen van het slachtoffer, redelijkerwijze weerstand kunnen en ook moeten bieden. Verdachte had immers een duidelijk en veel minder vergaand alternatief voor de levensberoving van de vader van zijn toenmalige vriendin. Hij en zijn medeverdachte hadden de mogelijkheid de woning van het slachtoffer te verlaten en weg te gaan naar de woning van verdachte in Eindhoven.

Verdachte moet zich ten tijde van de ten laste gelegde feiten bewust zijn geweest van dat alternatief. Kort vóór het overleg in de keuken waarbij het voornemen om het slachtoffer van het leven te beroven tot stand is gekomen, heeft de bezoekende arts de medeverdachte immers nog nadrukkelijk geadviseerd haar vader uit de weg te gaan, bijvoorbeeld door naar de woning van verdachte te gaan. Verdachte heeft toen zelf voorgesteld dat de medeverdachte en hij, wanneer er weer iets met de vader van de medeverdachte zou voorvallen, naar de woning van verdachte in Eindhoven konden gaan.

Dat verdachte en zijn medeverdachte zich ten tijde van het ten laste gelegde bewust waren van de mogelijkheid om naar de woning van verdachte te gaan, blijkt naar het oordeel van het hof ook uit het feit dat die woning een centrale rol speelde in het alibi dat verdachte en zijn medeverdachte direct na de brandstichting hebben gecreëerd. Dat alibi hield immers in dat zij vanuit de woning van het slachtoffer naar de woning van verdachte in Eindhoven waren gegaan en vervolgens waren teruggekeerd naar de woning in Oploo omdat zij de hondenbrokken waren vergeten.

Hetgeen de raadsman in de pleitnota onder 5.2 tot en met 5.22 heeft aangevoerd ten aanzien van de persoonlijkheid van verdachte is naar het oordeel van het hof niet van dien aard dat geoordeeld moet worden dat voor verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten een bewuste keuze voor een alternatieve handelwijze niet meer openstond. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat er zich tijdens de feiten geen situatie voordeed waarin rationeel denken voor verdachte onmogelijk was. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor is overwogen onder het kopje “voorbedachte raad” ten aanzien van de rationele gedragingen van verdachte kort vóór de levensberoving. Het hof neemt voorts in aanmerking dat verdachte ook direct na de levensberoving blijk heeft gegeven van het vermogen om rationeel te handelen. Verdachte en zijn medeverdachte hebben in het kader van een geraffineerd alibi diverse rationele handelingen verricht teneinde de moord te verhullen. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor is overwogen onder het kopje “de brandstichting en het creëren van een alibi”.

Het beroep op psychische overmacht wordt verworpen.

• ontoerekenbaarheid

Ten aanzien van verdachte is door drs. R.H.P. Schlösser, psychiater en gerechtelijk deskundige, een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van verdachte dat heeft geresulteerd in een rapportage d.d. 5 april 2008 en een aanvullende rapportage d.d. 7 juli 2008. Door drs. B.Y. van Toorn, psycholoog en gerechtelijk deskundige, is eveneens een dergelijk onderzoek ingesteld, hetgeen heeft geleid tot een rapportage d.d. 16 april 2008 en een aanvullende rapportage d.d. 9 juli 2008.

De psychiater Schlösser concludeert in zijn rapportage d.d. 5 april 2008 tot een verminderde tot sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid bij verdachte. De psycholoog Van Toorn concludeert in haar rapportage d.d. 16 april 2008 tot een sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. De aanvullende rapportages bevatten geen wijziging in hun respectievelijke conclusies.

Ter terechtzitting d.d. 2 en 4 december 2009 heeft het hof op verzoek van de verdediging onder meer deze beide deskundigen gehoord.

Schlösser heeft bij die gelegenheid verklaard dat bepaalde rationele handelingen van verdachte (het openen van het slaapkamerraam om de brand van zuurstof te voorzien, het leggen van een sigaret op de buik van het slachtoffer, het sluiten van de slaapkamerdeur teneinde de brand te beperken en het op slot doen van de achterdeur met het oog op het alibi) niet passen bij een psychotische toestand of een volledige derealisatie. Uit die handelingen blijkt van een bewustheid bij verdachte van zijn handelen. Schlösser sluit een “full blown psychotische decompensatie” bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde uit. Verdachte beschikte tijdens het plegen van de feiten over een zekere mate van wilsvrijheid. Gelet op genoemde rationele beslissingen acht Schlösser het uitgesloten dat verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde volledig ontoerekeningsvatbaar was.

Van Toorn heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde in een bepaalde gradatie verminderd toerekeningsvatbaar was. Volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte is in de visie van Van Toorn echter uitgesloten. Verdachte heeft tijdens de feiten niet de grip op de werkelijkheid verloren en hij was niet psychotisch; van een psychotische decompensatie was ten tijde van het ten laste gelegde geen sprake. Er was evenmin sprake van een volledige derealisatie bij verdachte, aldus Van Toorn.

Het hof volgt de deskundigen in hun conclusies dat verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde niet volledig ontoerekeningsvatbaar was en legt die ten grondslag aan zijn beslissing.

Het beroep op ontoerekenbaarheid wordt verworpen.

Er zijn ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De eerste rechter heeft verdachte ter zake van het onder 1 (impliciet primair), 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 dag voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de eerste rechter een last tot terbeschikkingstelling van verdachte gegeven en daarbij voorwaarden betreffende het gedrag gesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door de rechtbank bewezen verklaarde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft bepleit dat het hof aan verdachte een gevangenisstraf zal opleggen, waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, in combinatie met een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Indien het hof dat standpunt niet zou volgen, heeft de raadsman bepleit dat een op te leggen gevangenisstraf in duur zal worden beperkt en dat geen terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal worden gelast.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf of maatregel heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte, zijn (toenmalige) vriendin, de vader van zijn vriendin vermoord door hem te verstikken en te wurgen. Voorts heeft hij samen met de medeverdachte brand gesticht in de slaapkamer van de woning en het lichaam van het slachtoffer verbrand, teneinde de moord te verhullen.

Het hof zal eerst de vraag onder ogen zien of de terbeschikkingstelling van verdachte dient te worden gelast. Een last tot terbeschikkingstelling kan slechts worden gegeven indien de algemene veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

Schlösser beschrijft in zijn psychiatrische rapportage d.d. 5 april 2008 dat er bij de inschatting van het recidiverisico relationele en situationele factoren spelen. Vanuit het risicotaxatieinstrument HKT-30 bezien zijn er vooral historische risicofactoren. Klinische en toekomstige situatieve risico-indicatoren zijn maar beperkt aanwezig. Schlösser concludeert voorts dat verdachtes relatie met [L] – welke relatie ten tijde van de rapportage nog bestond – een risicofactor is, alsmede dat er specifieke stresserende omstandigheden bestonden die in de toekomst geen aanleiding zijn voor een verhoogd recidiverisico.

Ter terechtzitting van het hof heeft Schlösser verklaard dat het recidiverisico is gerelateerd aan de persoon van verdachte en dat het verbreken van de relatie tussen verdachte en [L] naar zijn inschatting de kans op toekomstig gewelddadig gedrag verkleint.

Van Toorn concludeert in haar psychologische rapportage d.d. 16 april 2008 dat er bij verdachte in de toekomst wederom sprake kan zijn van grensoverschrijdend en schadelijk gedrag, maar het is niet gezegd dat verdachte wederom over zal gaan tot een geweldsdelict.

Ter terechtzitting van het hof heeft Van Toorn verklaard dat, uitgaande van de persoon van verdachte, het recidiverisico voor de in deze zaak bewezen verklaarde feiten klein is. De kans op herhaling van een geweldsdelict in het algemeen is volgens Van Toorn moeilijk in te schatten, omdat die kans afhankelijk is van de omstandigheden waarin verdachte zich bevindt. Indien verdachte zich in een stabiele omgeving zal bevinden, is de recidivekans op een geweldsdelict klein. Van Toorn heeft tevens verklaard dat de invloed van [L] op verdachte een belangrijke risicofactor is geweest en dat, nu de relatie tussen beiden is verbroken, de recidivekans in zoverre is afgenomen.

Uit genoemde rapportages en de door de deskundigen ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaringen leidt het hof af dat het gevaar voor herhaling van een geweldsdelict sterk relationeel en situationeel is bepaald. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de relatie tussen verdachte en [L] is verbroken. Blijkens mededeling van de raadsman van verdachte is de echtscheidingsprocedure inmiddels afgerond. Nu aannemelijk is dat verdachte zich niet meer zal bevinden in de (gezins)situatie waarin het bewezen verklaarde zich heeft afgespeeld en er onvoldoende grond is voor de aanname dat verdachte zich wederom in een vergelijkbare situatie zal bevinden, is het hof van oordeel dat niet is voldaan aan het hiervoor genoemde gevaarscriterium dat geldt als basisvoorwaarde voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling. Anders dan de rechtbank komt het hof derhalve niet tot het opleggen van die maatregel, nog daargelaten de vraag of de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden – gelet op de in combinatie daarmee maximaal op te leggen gevangenisstraf voor de duur van drie jaren – voldoende recht zou doen aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten.

Ten aanzien van de op te leggen straf overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij het bepalen van de duur van de straf heeft het hof acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten, die met het onderhavige geval (grosso modo) vergelijkbaar zijn. Aan de hand daarvan heeft het hof voor moord een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren als uitgangspunt genomen. Aan dit uitgangspunt ligt ten grondslag dat moord algemeen wordt beschouwd als het ernstigste commune delict, nu het met voorbedachten raden benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven, is.

Het hof neemt de navolgende strafverzwarende omstandigheden in aanmerking.

• Verdachte heeft de vader van zijn toenmalige vriendin in diens eigen woning, waar hij zich bij uitstek veilig behoort te kunnen voelen, tezamen en in vereniging met een ander vermoord.

• Het slachtoffer werd door verdachte onverhoeds van achteren benaderd en verkeerde op het moment van de moord bovendien in vergaande staat van dronkenschap, waardoor hij niet in staat was zich te verdedigen tegen verdachte en zijn medeverdachte.

• Waar op grond van de jurisprudentie reeds van voorbedachte raad sprake kan zijn indien voor een verdachte gedurende een korte tijd de gelegenheid heeft bestaan over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven (het tegenovergestelde van handelen vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling), heeft er in de onderhavige zaak daadwerkelijk “kalm beraad en rustig overleg” plaatsgevonden aan de keukentafel, waar het plan om het slachtoffer om het leven te brengen door verdachte en zijn medeverdachte werd besproken. De uitvoering van de moord na deze daadwerkelijke overlegsituatie tussen de verdachte en de medeverdachte getuigt van een hoge mate van kilheid en koelbloedigheid.

• Nadat verdachte en zijn medeverdachte het slachtoffer in koelen bloede hadden vermoord, hebben zij niet geschroomd om de slaapkamer van het slachtoffer en het zich daarin bevindende stoffelijk overschot in brand te steken. Niet alleen zijn dit twee afzonderlijke strafbare feiten – reeds daarom vormen zij grond voor strafverhoging – maar verdachte en de medeverdachte hebben daarmee ook blijk gegeven van de wens en het vermogen om een geraffineerd alibi te ensceneren teneinde de moord te verhullen. Zij hebben in en om de woning diverse rationele handelingen verricht om de dood van het slachtoffer op een zelfmoord of een ongeluk te laten lijken. Zij hebben voorts in de auto hun verklaringen op elkaar afgestemd om straffeloosheid te bereiken. Bovendien zijn zij nog bij de woning teruggekeerd om zich ervan te verzekeren dat de brand nog woedde. Nadat het door hen beoogde doel leek te zijn bereikt – middels brand in de slaapkamer de doodsoorzaak verhullen – hebben zij de brand gemeld met de bedoeling de rest van de woning van het vuur te redden, nu die woning te koop stond.

Anderzijds heeft het hof rekening gehouden met de hiervoor genoemde conclusies van de gedragsdeskundigen Schlösser en Van Toorn in hun rapportages ten aanzien van de mate waarin het bewezen verklaarde aan verdachte kan worden toegerekend. Op grond daarvan komt het hof tot het oordeel dat het bewezen verklaarde in verminderde tot sterk verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte openheid van zaken heeft gegeven en spijt heeft betuigd over hetgeen gebeurd is. De raadsman heeft bepleit dat het hof daarmee in strafmatigende zin rekening zal houden.

Het hof overweegt dienaangaande dat verdachte zich in zijn verhoren bij de politie aanvankelijk grotendeels heeft beroepen op zijn zwijgrecht of de feiten heeft ontkend. Eerst na ongeveer een half jaar heeft hij openheid van zaken gegegeven. Vervolgens heeft hij zich zowel ter terechtzitting van de rechtbank als van het hof beroepen op zijn zwijgrecht.

Aan verdachte komt het recht toe zich te beroepen op zijn zwijgrecht en zelfs om leugenachtig te verklaren omtrent hetgeen hem ten laste wordt gelegd. Het hof zal die procesopstelling dan ook niet in strafverhogende zin meewegen. Anderzijds ziet het hof – anders dan door de raadsman is bepleit – in de procesopstelling van verdachte evenmin een strafverlagende omstandigheid. Door zich ter terechtzitting op zijn zwijgrecht te beroepen heeft verdachte het hof onvoldoende in staat gesteld inzicht te verkrijgen in de beweegredenen van verdachte, zodat het hof die niet in strafmatigende zin zal meewegen.

Alles overziende acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 57, 151, 157 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 (impliciet primair), 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1.

Medeplegen van moord.

2.

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

3.

Medeplegen van een lijk verbranden met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J.M.W.M. van den Elzen, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. J.F. Dekking,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 18 december 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.M.W.M. van den Elzen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.