Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK6933

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
17-12-2009
Zaaknummer
HV 200.030.540
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

3.10. Zoals ter zitting met partijen is besproken dient voor de vaststelling van de bijdragen van partijen eerst bezien te worden wie een onderhoudsverplichting jegens de kinderen heeft. Hiervoor dienen in het onderhavige geval verschillende juridische situaties in ogenschouw genomen te worden.

3.10.1. De eerste situatie betreft de periode vanaf 1 januari 2008 tot 12 november 2008. Op grond van artikel 1:394 BW is de man die de verwekker is van het kind maar geen juridisch vader als ware hij juridisch ouder verplicht tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Voorts staat vast dat de vrouw in 2008 ook inkomen uit arbeid heeft gegenereerd, waardoor ook zij dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding. Het hof zal derhalve voor deze situatie, nu zowel de man als de vrouw inkomen hebben, middels een draagkrachtvergelijking bezien wie met welk aandeel kan bijdragen.

3.10.2. Tweede situatie betreft de periode van 12 november 2008 tot 6 mei 2009. De vrouw is op 12 juli 2008 in Servië gehuwd en op 12 november 2008 is de echtgenoot met de vrouw en de drie kinderen gaan samenwonen in Nederland. Op het moment van deze samenwoning is naast de onderhoudsverplichting van de man en de vrouw op grond van artikel 1:395 BW een onderhoudsverplichting voor de echtgenoot van de vrouw ontstaan uit hoofde van stiefvaderschap, nu hij vanaf dat moment met de vrouw en de drie kinderen een gezin vormde. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij op grond van de IND-richtlijnen gehouden was om haar echtgenoot te onderhouden, nu hij met een verblijfsdocument van één jaar niet in aanmerking kwam voor een uitkering. Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar echtgenoot in de eerste periode van het huwelijk/samenwoning niet in eigen levensonderhoud kon voorzien en derhalve als stiefouder niet mede kon bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Om vast te stellen met welk aandeel ieder in deze periode in de kosten van de kinderen moet bijdragen zal het hof voor wat betreft de becijfering van de draagkracht van de vrouw in die situatie derhalve uitgaan van een Wwb-norm voor een echtpaar met het daarbij behorende percentage (45%) van de draagkrachtruimte, zoals hierna zal blijken en op deze wijze haar draagkracht vergelijken met die van de man.

3.10.3. De derde situatie is die waarin de stiefouder de drie kinderen heeft erkend, en wel vanaf 6 mei 2009. Het gevolg van de erkenning is dat de heer [A.] juridisch ouder is geworden. Een juridische ouder is verplicht om in het levensonderhoud van de kinderen te voorzien. De verplichting voor de biologische ouder komt hiermee in beginsel te vervallen. De hoofdregel dat zodra het kind een vader in juridische zin heeft, de onderhoudsverplichting van de biologische vader vervalt, kan bij wijze van uitzondering worden doorbroken door de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende positieve verplichting om het kind aanspraak op levensonderhoud jegens zijn biologische vader toe te kennen. Dit doet zich met name voor in het geval dat blijkt dat de juridische vader niet in staat is om in het levensonderhoud van het kind te voorzien of dat zulks op andere grond in rechte niet kan worden afgedwongen dan wel dat van de moeder redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat zij de juridisch vader ter zake aanspreekt. Deze uitzondering geldt alleen als tussen de biologische vader en de kinderen family life bestaat. In het onderhavige geval is sprake van family life, nu de man tot vorig jaar regelmatig omgang met de kinderen heeft gehad. Het hof verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 26-4-1996, LJN AD2542 met annotatie van JdB.

De vraag is vervolgens of vanaf de erkenning door de heer [A.] sprake is van een “noodsituatie” waarin hij als juridisch vader samen met de vrouw niet in staat was om in het levensonderhoud van de kinderen te voorzien.

Ten aanzien hiervan oordeelt het hof als volgt. De vrouw heeft ter zitting onweersproken gesteld dat haar echtgenoot geen recht had op een uitkering, omdat hij een verblijfsvergunning voor de duur van één jaar heeft ontvangen; met ingang van 12 november 2009 is deze verblijfsvergunning verlengd met vijf jaar. Volgens de vrouw heeft haar echtgenoot gedurende zijn eerste jaar in Nederland wel gesolliciteerd, maar werd hij steeds afgewezen omdat hij de Nederlandse taal niet machtig was.

Met ingang van 15 oktober 2009 heeft de echtgenoot via een uitzendbureau een baan, waar hij 37,5 uur per week werkt tegen een uurtarief van € 8,61 bruto. Dit is niet weersproken.

Het hof is op grond hiervan van oordeel dat vanaf 15 oktober 2009 in ieder geval geen sprake meer is van een noodsituatie en zal met ingang van die datum de onderhoudsverplichting van de man ten aanzien van de kinderen op nihil stellen.

Zoals hierna zal blijken is er - naar het oordeel van het hof - in de periode vanaf de erkenning tot aan het moment dat de echtgenoot van de vrouw inkomen is gaan verwerven (de periode van 6 mei 2009 tot 15 oktober 2009) geen sprake van een noodsituatie waarin de heer [A.] tezamen met de vrouw niet in staat was om in het levensonderhoud van de kinderen te voorzien. In de hierna genoemde r.o 3.16. blijkt immers dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van de vrouw met haar echtgenoot in de betreffende periode € 2.085,00 per maand bedroeg, hetgeen beduidend ligt boven de bijstandsnorm voor een gezin in 2009 ad € 1.295,00 netto per maand.

3.10.4. Naar aanleiding van de ter zitting besproken situaties heeft de man zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij nihilstelling verzoekt vanaf de erkenning door de echtgenoot van de vrouw dan wel vanaf het moment dat er geen sprake meer is van een “noodsituatie” zoals hiervoor besproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

SBW

16 december 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer: HV 200.030.540/01

Zaaknummer eerste aanleg: 181034 / FA RK 08-5043

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.I. Tonk,

t e g e n

[Y.] (voorheen genaamd [Z.]),

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P. Bonthuis.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 december 2008.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 april 2009, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de bijdrage in kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen van partijen op nihil wordt gesteld, althans te bepalen op een door het hof in goede justitie te vermenen bedrag.

2.2. De man is tijdig in hoger beroep gekomen nu pas op 13 januari 2009 de beschikking van de rechtbank aan de man betekend is, welk betekeningsexploot hersteld is op 27 januari 2009.

2.3. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 juni 2009, heeft de vrouw verzocht de grieven van de man ongegrond te verklaren en hetgeen door hem in appel is verzocht af te wijzen en de man te veroordelen in de kosten van dit geding.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 november 2009. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. Tonk,

- de vrouw, bijgestaan door mr. Bonthuis.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 17 april 2009;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 12 juni 2009;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 18 juni 2009;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 18 augustus 2009;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 21 oktober 2009.

3. De beoordeling

3.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Op 1 juni 2002 hebben partijen hun samenwoning beëindigd.

Uit deze relatie zijn drie minderjarige kinderen geboren:

- [dochter BZ.], op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats], thans genaamd: [dochter BY.],

- [zoon CZ.], op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats], thans genaamd [zoon CY.];

- [zoon DZ.], op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats], thans genaamd [zoon DY.].

De man is de verwekker van deze minderjarigen. Hij heeft de minderjarigen niet erkend.

Op 8 april 2003 zijn partijen een geregistreerd partnerschap aangegaan, welk partnerschap op 10 september 2003 is beëindigd door de inschrijving van de ontbindingsovereenkomst in de registers van de burgerlijke stand.

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2. De vrouw is op 12 juli 2008 in Montenegro gehuwd met de heer [A.]. De vrouw was met de drie minderjarigen in Nederland woonachtig en is dat ook na het huwelijk gebleven. Op 12 november 2008 heeft de heer [A.] zich in Nederland gevestigd en is vanaf die datum gaan samenwonen met de vrouw en de drie minderjarige kinderen in [woonplaats]. De vrouw heeft ter zitting van het hof gemeld dat uit dit huwelijk op [geboortedatum] 2009 [zoon EY.] is geboren.

Uit de door de vrouw overgelegde brief van de gemeente [gemeentenaam] van 5 november 2008 blijkt dat door het huwelijk haar achternaam [Z.] is gewijzigd in [Y.] en dat hierdoor ook de achternaam van de minderjarigen is gewijzigd nu kinderen in beginsel door afstamming hun achternaam aan de moeder van de kinderen ontlenen.

3.3. Op 6 mei 2009 heeft de heer [A.] [dochter B.], [zoon C.] en [zoon D.] erkend, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde brief van de gemeente [gemeentenaam] van 24 juni 2009.

3.4. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van bovengenoemde kinderen moet voldoen een bedrag van € 175,00 per kind per maand met ingang van 1 januari 2008, zulks overeenkomstig het verzoek van de vrouw.

De man was niet ter zitting verschenen en had geen verweer gevoerd.

3.5. De man kan zich met voormelde beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6. De grieven van de man betreffen -zakelijk weergegeven - :

- zijn draagkracht (grieven I, III, IV en V);

- de draagkracht van de vrouw, dan wel de draagkracht van de vrouw en haar nieuwe echtgenoot (grief II).

Ingangsdatum

3.7. De ingangsdatum van de vastgestelde onderhoudsbijdrage ten behoeve van de drie genoemde kinderen, zijnde 1 januari 2008, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangs¬punt zal nemen.

Behoefte kinderen

3.8. Ter zitting van het hof heeft de vrouw gesteld dat de behoefte van de kinderen gelijk is aan de vastgestelde onderhoudsbijdrage ad € 175,00 per kind per maand, hetgeen de man heeft betwist.

3.9. Het hof oordeelt als volgt.

Uit de door de man overgelegde draagkrachtberekening (productie 1 bij brief van 12 juni 2009) blijkt dat het netto gezinsinkomen van partijen voor scheiding € 3.000,00 per maand bedroeg, welk bedrag partijen ter zitting niet hebben weersproken. Gezien dit netto gezinsinkomen is de behoefte van de kinderen aan een onderhoudsbijdrage op grond van ‘tabel eigen aandeel kosten van kinderen’ als gehanteerd door de Werkgroep Alimentatienormen in ieder geval de door de vrouw gestelde behoefte van € 175,00 per kind per maand.

Onderhoudsverplichting biologische vader/stiefvader/juridische vader

3.10. Zoals ter zitting met partijen is besproken dient voor de vaststelling van de bijdragen van partijen eerst bezien te worden wie een onderhoudsverplichting jegens de kinderen heeft. Hiervoor dienen in het onderhavige geval verschillende juridische situaties in ogenschouw genomen te worden.

3.10.1. De eerste situatie betreft de periode vanaf 1 januari 2008 tot 12 november 2008. Op grond van artikel 1:394 BW is de man die de verwekker is van het kind maar geen juridisch vader als ware hij juridisch ouder verplicht tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Voorts staat vast dat de vrouw in 2008 ook inkomen uit arbeid heeft gegenereerd, waardoor ook zij dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding. Het hof zal derhalve voor deze situatie, nu zowel de man als de vrouw inkomen hebben, middels een draagkrachtvergelijking bezien wie met welk aandeel kan bijdragen.

3.10.2. Tweede situatie betreft de periode van 12 november 2008 tot 6 mei 2009. De vrouw is op 12 juli 2008 in Servië gehuwd en op 12 november 2008 is de echtgenoot met de vrouw en de drie kinderen gaan samenwonen in Nederland. Op het moment van deze samenwoning is naast de onderhoudsverplichting van de man en de vrouw op grond van artikel 1:395 BW een onderhoudsverplichting voor de echtgenoot van de vrouw ontstaan uit hoofde van stiefvaderschap, nu hij vanaf dat moment met de vrouw en de drie kinderen een gezin vormde. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij op grond van de IND-richtlijnen gehouden was om haar echtgenoot te onderhouden, nu hij met een verblijfsdocument van één jaar niet in aanmerking kwam voor een uitkering. Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar echtgenoot in de eerste periode van het huwelijk/samenwoning niet in eigen levensonderhoud kon voorzien en derhalve als stiefouder niet mede kon bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Om vast te stellen met welk aandeel ieder in deze periode in de kosten van de kinderen moet bijdragen zal het hof voor wat betreft de becijfering van de draagkracht van de vrouw in die situatie derhalve uitgaan van een Wwb-norm voor een echtpaar met het daarbij behorende percentage (45%) van de draagkrachtruimte, zoals hierna zal blijken en op deze wijze haar draagkracht vergelijken met die van de man.

3.10.3. De derde situatie is die waarin de stiefouder de drie kinderen heeft erkend, en wel vanaf 6 mei 2009. Het gevolg van de erkenning is dat de heer [A.] juridisch ouder is geworden. Een juridische ouder is verplicht om in het levensonderhoud van de kinderen te voorzien. De verplichting voor de biologische ouder komt hiermee in beginsel te vervallen. De hoofdregel dat zodra het kind een vader in juridische zin heeft, de onderhoudsverplichting van de biologische vader vervalt, kan bij wijze van uitzondering worden doorbroken door de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende positieve verplichting om het kind aanspraak op levensonderhoud jegens zijn biologische vader toe te kennen. Dit doet zich met name voor in het geval dat blijkt dat de juridische vader niet in staat is om in het levensonderhoud van het kind te voorzien of dat zulks op andere grond in rechte niet kan worden afgedwongen dan wel dat van de moeder redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat zij de juridisch vader ter zake aanspreekt. Deze uitzondering geldt alleen als tussen de biologische vader en de kinderen family life bestaat. In het onderhavige geval is sprake van family life, nu de man tot vorig jaar regelmatig omgang met de kinderen heeft gehad. Het hof verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 26-4-1996, LJN AD2542 met annotatie van JdB.

De vraag is vervolgens of vanaf de erkenning door de heer [A.] sprake is van een “noodsituatie” waarin hij als juridisch vader samen met de vrouw niet in staat was om in het levensonderhoud van de kinderen te voorzien.

Ten aanzien hiervan oordeelt het hof als volgt. De vrouw heeft ter zitting onweersproken gesteld dat haar echtgenoot geen recht had op een uitkering, omdat hij een verblijfsvergunning voor de duur van één jaar heeft ontvangen; met ingang van 12 november 2009 is deze verblijfsvergunning verlengd met vijf jaar. Volgens de vrouw heeft haar echtgenoot gedurende zijn eerste jaar in Nederland wel gesolliciteerd, maar werd hij steeds afgewezen omdat hij de Nederlandse taal niet machtig was.

Met ingang van 15 oktober 2009 heeft de echtgenoot via een uitzendbureau een baan, waar hij 37,5 uur per week werkt tegen een uurtarief van € 8,61 bruto. Dit is niet weersproken.

Het hof is op grond hiervan van oordeel dat vanaf 15 oktober 2009 in ieder geval geen sprake meer is van een noodsituatie en zal met ingang van die datum de onderhoudsverplichting van de man ten aanzien van de kinderen op nihil stellen.

Zoals hierna zal blijken is er - naar het oordeel van het hof - in de periode vanaf de erkenning tot aan het moment dat de echtgenoot van de vrouw inkomen is gaan verwerven (de periode van 6 mei 2009 tot 15 oktober 2009) geen sprake van een noodsituatie waarin de heer [A.] tezamen met de vrouw niet in staat was om in het levensonderhoud van de kinderen te voorzien. In de hierna genoemde r.o 3.16. blijkt immers dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van de vrouw met haar echtgenoot in de betreffende periode € 2.085,00 per maand bedroeg, hetgeen beduidend ligt boven de bijstandsnorm voor een gezin in 2009 ad € 1.295,00 netto per maand.

3.10.4. Naar aanleiding van de ter zitting besproken situaties heeft de man zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij nihilstelling verzoekt vanaf de erkenning door de echtgenoot van de vrouw dan wel vanaf het moment dat er geen sprake meer is van een “noodsituatie” zoals hiervoor besproken.

Draagkrachtvergelijking

3.11. Nu, zoals hierna zal blijken, de vrouw en de man inkomen uit arbeid dan wel winst uit onderneming genereren zal het hof vervolgens bezien met welk aandeel ieder van de partijen, gelet op hun draagkracht, kan voorzien in de behoefte van de kinderen. Voor deze berekening zal het hof conform het Tremarapport de kinderen buiten beschouwing laten en partijen ieder als alleenstaande aanmerken tot het moment dat de vrouw is gaan samenwonen met haar echtgenoot. Vanaf 12 november 2008 houdt het hof in haar geval rekening met de echtparennorm zoals hierboven is gemotiveerd.

Financiële situatie man

3.12. Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

A Inkomen van de man

De man is eigenaar van een eenmanszaak, een Chinees-Indisch restaurant. Uit de overgelegde jaarrekeningen van de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008 blijkt dat hij een bedrijfsresultaat heeft behaald van respectievelijk € 50.678,00, € 48.886,00, € 60.667,00 en € 49.189,00 per jaar. De man heeft onweersproken gesteld dat het jaar 2007 afwijkend is onder andere in verband met een teruggave energiekosten in 2007.

Het hof zal voor de becijfering van de draagkracht van de man dan ook uitgaan van het bedrijfsresultaat in 2008 van

€ 49.189,00.

Niet is komen vast te staan dat de man daarnaast in 2008 bij Wuma Horeca BV inkomsten uit arbeid heeft verworven. De vrouw heeft haar stellingen terzake onvoldoende onderbouwd tegenover de gemotiveerde betwisting door de man.

B. Lasten van de man

1. Wwb-normbedrag

Het hof houdt rekening met het op de Wet werk en bijstand (Wwb) gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

2. Woonlasten

Het hof houdt rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

- € 417,00 aan hypotheekrente. De man heeft in zijn aangifte Inkomstenbelas¬ting 2008 een bedrag van € 5.000,00 per jaar aan hypotheekrente voor de eigen woning opgevoerd, ofwel een bedrag van € 417,00 per maand. Weliswaar blijkt uit het jaaroverzicht 2008 van de bank dat de man twee hypothecaire leningen is aangegaan, maar daaruit blijkt echter niet dat beide hypotheken op de eigen woning rusten, zodat het hof slechts rekening houdt met het door de man in zijn aangifte inkomstenbelasting opgevoerde bedrag van € 5.000,00 per jaar. Voor het geval een van de hypothecaire leningen een zakelijke lening betreft is deze verdisconteerd in de jaarrekening.

- € 95,00 aan (forfaitaire) overige eigenaarslasten.

3. Ziektekosten

Het hof houdt rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

- € 89,23 aan basispremie Zorgverzekeringswet (ZVW) en € 25,40 aan aanvullende premie;

- € 112,25 aan inkomensafhankelijke premie ZVW;

- € 13,00 aan verplicht eigen risico;

- minus € 54,00 zijnde het in het Wwb-normbedrag begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

4. Kosten omgangsregeling

De man heeft ter zitting gesteld dat hij tot november 2008 één keer per maand één dag omgang had met de drie kinderen, hetgeen de vrouw niet voldoende heeft weersproken. In de door de man overgelegde draagkrachtberekening becijfert hij deze kosten op totaal € 60,00 per maand, welk bedrag de vrouw niet heeft betwist. Het hof zal derhalve tot die datum rekening houden met een bedrag van € 60,00 per maand.

5. Rente en aflossing schulden

De man heeft onbetwist gesteld dat hij € 500,00 per maand aan de vrouw betaalt vanwege een overbedelingsvordering, met welk bedrag het hof dan ook rekening houdt.

Het hof houdt geen rekening met de door de man opgevoerde aflossing/rente van € 417,00 per maand, nu de man niet duidelijk heeft gemaakt wat voor aflossing dan wel rente dit bedrag betreft, anders dan de hypotheekrente waarmee het hof reeds rekening houdt.

3.13. Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 3.323,00 per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende fiscale aspecten zoals vermeld in de door de man overgelegde aangifte Inkomenbelasting 2008:

- de algemene heffingskorting en de arbeidskorting;

- het eigenwoningforfait ad € 1.105,00 per jaar, tussen partijen niet in geschil;

- de aftrek hypotheekrente ad € 5.000,00 per jaar betreffende de woning van de man;

- zelfstandigenaftrek ad € 6.968,00 per jaar;

- MKB-vrijstelling ad € 4.222,00 per jaar.

3.14. Op grond van het vorenstaande becijfert het hof een draagkrachtruimte bij de man tot 12 november 2008 van € 1.383,00 per maand en vanaf 12 november 2008 € 1.463,00 per maand, waarvan 60% vermeerderd met het fiscale voordeel buitengewone lastenaftrek ad € 152,00, of wel tot 12 november 2008 € 982,00 per maand en vanaf 12 november 2008

€ 1.014,00 per maand als beschikbare draagkracht voor de kinderbijdrage(n) moet worden aangemerkt.

Financiële situatie vrouw

3.15. Het hof zal vervolgens de draagkracht van de vrouw becijferen om te kunnen bezien met welk aandeel zij kan bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding.

A. Inkomen van de vrouw

Uit de door de vrouw overgelegde draagkrachtberekening blijkt dat zij in 2008 een fiscaal jaarloon heeft ontvangen van

€ 26.088,00, hetgeen door de man niet is betwist. Het hof zal derhalve voor de becijfering van de draagkracht(ruimte) van de vrouw uitgaan van voormeld inkomen.

B. Lasten van de vrouw

1. Wwb-normbedrag

Het hof houdt tot 12 november 2008 rekening met het op de Wet werk en bijstand (Wwb) gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Vanaf 12 november 2008 is de vrouw met haar echtgenoot in Nederland gaan samenwonen. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij op grond van de IND-richtlijnen haar echtgenoot moet onderhouden wil hij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning. Het hof zal dan ook vanaf de datum van samenwoning uitgaan van de echtparennorm.

2. Woonlasten

Het hof houdt rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

- € 462,00 aan hypotheekrente, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde draagkrachtberekening en de onderliggende stukken.

- € 95,00 aan (forfaitaire) overige eigenaarslasten.

3. Ziektekosten

Het hof houdt tot 12 november 2008 alleen rekening met de volgende maandelijkse lasten ten behoeve van de vrouw:

- € 92,00 aan basispremie Zorgverzekeringswet (ZVW) en € 40,15 aan aanvullende premies;

- € 146,00 aan inkomensafhankelijke premie ZVW;

- € 13,00 aan verplicht eigen risico;

- minus € 54,00 zijnde het in het Wwb-normbedrag begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande;

- en minus € 58,00, zijnde de zorgtoeslag.

Vanaf 12 november 2008 dienen voormelde ziektekosten vermeerderd te worden met de ziektekosten van de echtgenoot van de vrouw, te weten:

- € 92,00 aan basispremie Zorgverzekeringswet (ZVW) en € 40,15 aan aanvullende premies;

- € 13,00 aan verplicht eigen risico.

Vanaf deze datum wordt het in het Wwb-normbedrag begrepen nominale deel premie ZVW voor een echtpaar ad € 77,00 in mindering gebracht alsmede voormeld bedrag aan zorgtoeslag.

3.16. Bovengenoemd inkomen van de vrouw resulteert tot 12 november 2008 in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 2.199,00 per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende fiscale aspecten:

- de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de (aanvullende) alleenstaande korting, de (aanvullende) combinatiekorting en de kindertoeslag;

- het eigenwoningforfait ad € 1.188,00 per jaar;

- de aftrek hypotheekrente ad € 5.550,00 per jaar betreffende de woning van de vrouw.

Vanaf 12 november 2008 bedraagt het netto besteedbaar inkomen ongeveer € 2.085,00 per maand, onder meer rekening- houdend met de algemene heffingskorting van zowel de vrouw als haar echtgenoot, de arbeidskorting en kindertoeslag en voormeld eigenwoningforfait en aftrek hypotheekrente.

3.17. Op grond van het vorenstaande becijfert het hof tot 12 november 2008 een draagkrachtruimte bij de vrouw van € 781,00 per maand, waarvan 60% of wel € 469,00 per maand als beschikbare draagkracht voor de kinderbijdrage(n) moet worden aangemerkt.

Vanaf 12 november 2008 bedraagt de beschikbare draagkracht, rekeninghoudend met een percentage van 45% van de draagkrachtruimte, € 70,00 per maand.

Becijfering aandeel in de kinderalimentatie

3.18. Bij vergelijking van bovenstaande financiële omstandigheden van partijen is het hof van oordeel dat partijen als volgt dienen bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

De man dient tot 12 november 2008 met een percentage van 68% bij te dragen (€ 982,00 (draagkracht man) gedeeld door

€ 1.451,00 (totale draagkracht partijen: € 982 + € 469) = afgerond 68%). De vrouw dient derhalve 32% voor haar rekening te nemen.

Vanaf 12 november 2008 dient de man met een percentage van 93% bij te dragen (€ 1.014 gedeeld door € 1.084 (totale draagkracht partijen: € 1.014 + € 70) en de vrouw met 7%.

3.19. Op grond van het vorenstaande becijfert het hof de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie kinderen als volgt:

- vanaf 1 januari 2008 tot 12 november 2008: € 119,00 per kind per maand (68% van € 175,00 per kind per maand);

- vanaf 12 november 2008 tot 6 mei 2009: € 163,00 per kind per maand (93% van € 175,00 per kind per maand);

- vanaf 6 mei 2009 stelt het hof de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen op nihil.

3.20. De beschikking waarvan beroep, dient dus te worden vernietigd.

Proceskosten

3.21. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen partners zijn.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 19 december 2008;

en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter BY.], geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats], [zoon CY.], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats], en [zoon DY.], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats], zal voldoen een bedrag van:

- € 119,00 per kind per maand voor de periode van 1 januari 2008 tot 12 november 2008;

- € 163,00 per kind per maand voor de periode van 12 november 2008 tot 6 mei 2009;

- nihil vanaf 6 mei 2009;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de in beide instanties gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Draijer-Udo, Van Teeffelen en Everaars-Katerberg en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2009.