Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK6538

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-11-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
20-000449-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte vennootschap niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

Raadsman: vennoot was niet compos mentis ten tijde van de uitreiking van de inleidende dagvaarding zodat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

Het hof oordeelt anders: zo al vast zou staan dat de vennoot indertijd in een zodanige psychische toestand verkeerde, is niet gebleken van zulke bijzondere omstandigheden dat het niet tijdig instellen van hoger beroep niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000449-08

Uitspraak : 19 november 2009

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 8 november 2007 in de strafzaak met parketnummer 01/995305-07 tegen:

[VERDACHTE V.O.F.],

gevestigd te [woonplaats], [adres],

waarbij de verdachte ter zake van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan door een rechtspersoon werd veroordeeld tot een geldboete van EUR 5000,00.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 28 april 2009, 24 september 2009 en 19 november 2009.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep.

De raadsman heeft bepleit dat de termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep verschoonbaar is en dat het hof de verdachte daarom zal ontvangen in haar hoger beroep.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De inleidende dagvaarding is - zo blijkt uit de akte van uitreiking - op 11 september 2007 uitgereikt aan mevrouw [A]. Hoewel uit het handelsregister is gebleken dat zij op dat moment een van de drie vennoten was van de verdachte, werd op de akte niet aangetekend dat zij ‘bestuurder van de verdachte’ was doch dat zij bij de verdachte ‘in dienstbetrekking’ was.

De raadsman heeft aangevoerd dat uit deze omstandigheid in combinatie met haar medische toestand indertijd - zij leed aan kanker en onderging een chemokuur - moet worden afgeleid dat zij ten tijde van de uitreiking van de dagvaarding niet meer compos mentis was en dat daarom de termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep verschoonbaar moet worden geacht.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ingevolge artikel 408, eerste lid en onder a, van het Wetboek van Strafvordering dient het hoger beroep binnen veertien dagen na de einduitspraak te worden ingesteld, indien de dagvaarding om op de terechtzitting te verschijnen aan de verdachte in persoon is betekend.

Die termijn is van openbare orde. De Hoge Raad heeft bepaald dat een tardief ingesteld hoger beroep slechts kan worden ontvangen onder “bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar doen zijn”.

Daarbij kan onder meer worden gedacht aan situaties waarin de psychische gesteldheid van een verdachte, of zoals in dit geval een van de vennoten van een verdachte vennootschap,

aan het tijdig instellen van het hoger beroep in de weg heeft gestaan en de overschrijding niet aan de verdachte kan worden toegerekend.

In het onderhavige geval is de vraag aan de orde of de psychische gesteldheid van mevrouw[A]- ten tijde van de uitreiking van de dagvaarding in eerste aanleg - zodanig was dat zij niet begreep dat de vennootschap gedagvaard werd, dat zij dat daarom ook niet heeft medegedeeld aan haar medevennoten [B] en [C], aan hen evenmin de dagvaarding heeft overhandigd en dat als gevolg daarvan het niet tijdig instellen van het hoger beroep aan de verdachte niet kan worden toegerekend.

Het hof heeft deze vraag nader onderzocht ter terechtzitting van 19 november 2009 door medevennoot [C] te bevragen naar de gesteldheid van zijn moeder (mevrouw [A]) en naar de door de vennootschap getroffen maatregelen in verband met het feit dat moeder de gehele administratie van de vennootschap bestierde.

Hij verklaarde daarover dat zijn moeder leed aan longkanker, dat haar psychische toestand tijdens de behandeling van die longkanker anders was dan normaal, dat zij daardoor verkeerde beslissingen had genomen en hij en zijn vader ([B]) daarom genoodzaakt waren haar op een bepaald moment op non-actief te stellen. Verder verklaarde hij dat zijn moeder daarna nog wel op het kantoor aanwezig was, dat hij en zijn vader haar niet alles uit handen hebben willen nemen en haar handelingen zoveel mogelijk controleerden, maar dat zij er niet aan hebben gedacht om haar uit het handelsregister uit te schrijven. Zijn moeder is uiteindelijk op 21 februari 2009 overleden .

Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat - zo al vast zou staan dat mevrouw [A] ten tijde van de uitreiking van de dagvaarding in eerste aanleg in een zodanige psychische toestand verkeerde dat zij niet begreep dat zij een dagvaarding had ontvangen - niet is gebleken van zulke bijzondere omstandigheden dat het niet tijdig instellen van hoger beroep niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Immers, indien mevrouw [A] indertijd niet compos mentis was, hadden de medevennoten in het kader van de bedrijfsvoering passende maatregelen moeten treffen zoals bijvoorbeeld een tijdige uitschrijving van mevrouw [A] uit het handelsregister.

Het hof is aldus van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding zodat de verdachte niet kan worden ontvangen in haar hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

Aldus gewezen door

mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, voorzitter,

mr. J. Huurman-van Asten en mr. V.M. van Daalen-Mannaerts,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 19 november 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.