Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK6186

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
11-12-2009
Zaaknummer
HD 200.009.848
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0949

Uitspraak

zaaknr. HD 200.009.848

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 27 oktober 2009,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 7 juli 2008,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[Y.] LANDBOUWMECHANISATIE BV,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

advocaat: mr. N.D. Boijmans,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo gewezen vonnis van 16 april 2008 tussen appellant - [X.] - als eiser en geïntimeerde – [Y.] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 205556\CV EXPL 08-96)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.], onder overlegging van 13 producties, vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van het door hem in eerste aanleg gevorderde, met veroordeling van [Y.] in de kosten van het geding in beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de inhoud van de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.2. [X.], geboren op [geboortedatum] 1960, is op 17 maart 1977 in dienst getreden bij [Y.], een bedrijf dat zich richt op de verkoop en het onderhoud van landbouwwerktuigen. [X.] was laatstelijk werkzaam in de functie van eerste monteur landbouwmechanisatie, tegen een salaris van € 2.365,53 bruto per maand.

4.3. [X.] is op 30 maart 2004 uitgevallen wegens gezondheidsklachten, met name oogproblemen.

4.4. [X.] heeft [Y.] aanvang 2006 gedagvaard in kort geding en voor voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo en onder andere gevorderd [Y.] te gebieden hem weer toe te laten tot het werk en hem in staat te stellen zijn functie van werkvoorbereider en beheer incourante delen, dan wel een andere passende functie uit te oefenen. De voorzieningenrechter heeft in een vonnis van 6 februari 2006 deze vordering afgewezen.

[X.] heeft vervolgens [Y.] gedagvaard in een bodemprocedure voor de kantonrechter van de rechtbank Roermond, locatie Venlo waarbij hij, kort gezegd, opnieuw toelating tot het werk in genoemde, dan wel een andere passende functie heeft gevorderd. De kantonrechter heeft in een vonnis van 20 december 2006 deze vordering eveneens afgewezen.

Tegen deze vonnissen is geen hoger beroep ingesteld.

4.5. [Y.] heeft op 25 juli 2007 aan de Centrale Organisatie voor Werk en Inkomen (CWI) toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst met [X.] te beëindigen vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. Nadat [X.] hiertegen verweer had gevoerd, heeft de CWI bij beslissing van 23 augustus 2007 de toestemming verleend. [Y.] heeft vervolgens bij brief van 24 augustus 2007 de arbeidsovereenkomst opgezegd per diezelfde datum, waarna zij het dienstverband met [X.] bij brief van 13 september 2007 opnieuw heeft opgezegd tegen 1 januari 2008.

4.6. [X.] heeft [Y.] op 4 januari 2008 gedagvaard voor de kantonrechter te Venlo, waarbij hij de kantonrechter heeft verzocht te verklaren voor recht dat het door [Y.] aan hem verleende ontslag kennelijk onredelijk is, en heeft gevorderd [Y.] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding conform de kantonrechtersformule dan wel een vergoeding waarvan de hoogte door de kantonrechter in goede justitie wordt bepaald, met veroordeling van [Y.] in de kosten van het geding.

4.7. [Y.] heeft in die procedure verweer gevoerd. De kantonrechter heeft bij vonnis van 16 april 2008 de vorderingen van [X.] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten. Tegen deze beslissing heeft [X.] hoger beroep ingesteld.

4.8. Het hof overweegt als volgt.

4.9. De grieven I tot en met IV lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. [X.] betoogt met deze grieven dat de kanton- rechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [Y.] zich terecht op het gezag van gewijsde van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo van 20 december 2006 heeft beroepen, en derhalve ten onrechte zijn vordering heeft afgewezen. Daartoe voert [X.], kort gezegd, aan dat hij in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 20 december 2006 heeft gevorderd [Y.] te veroordelen tot re-integratie van hem in de functie van werkvoorbereider, dan wel een andere passende functie, terwijl in de onderhavige procedure door [X.] een andere vordering is ingesteld, te weten een vordering tot schadevergoeding vanwege kennelijk onredelijk ontslag. Daarbij komt dat de vorderingen zijn onderbouwd met verschillende argumenten, aldus [X.]. [Y.] heeft dit gemotiveerd betwist.

4.10. Ingevolge artikel 236 Rv hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis in een ander geding tussen partijen bindende kracht.

4.11. De rechtsbetrekking in geschil die heeft geleid tot de beslissingen in het vonnis van 20 december 2006 betreft, kort gezegd, de vordering van [X.] tot veroordeling van [Y.] om hem te laten re-integreren in de functie van werkvoorbereider en beheer incourante delen, dan wel een andere passende functie. De kantonrechter heeft hierover overwogen:

“(…) Uit hetgeen door partijen over en weer naar voren is gebracht en in het bijzonder hetgeen ter comparitie is besproken is gebleken dat de mogelijkheid om eiser binnen de eigen organisatie van gedaagde te re-integreren niet aanwezig is. (…)

Gedaagde heeft voldoende inspanningen verricht om de beoogde re-integratie tot stand te laten komen, maar is daarin niet geslaagd. Gedaagde kan daarvan echter geen verwijt worden gemaakt.

Daarnaast heeft gedaagde zich als goed werkgever bereid getoond om eiser extern te re-integreren.

Dat eiser daarin kennelijk om hem moverende redenen toch geen heil ziet is zijn goed recht, maar dit [neemt; hof] niet weg dat dit automatisch zou betekenen dat de interne re-integratie weer aan de orde komt.

Zoals reeds hiervoor is overwogen is genoegzaam komen vast te staan dat een interne re-integratie niet mogelijk is.”

4.12. Het gezag van gewijsde van het vonnis van 20 december 2006 heeft uitsluitend betrekking op deze beslissing betreffende de re-integratie van [X.].

4.13. De rechtsbetrekking in de onderhavige procedure betreft, zoals [X.] terecht betoogt, een geheel andere vordering, te weten een schadevergoeding vanwege kennelijk onredelijk ontslag. [X.] heeft deze vordering in eerste aanleg niet alleen gebaseerd op de stelling dat [Y.] haar verplichting tot re-integratie niet is nagekomen – de beslissing daarover in het vonnis van 20 december 2006 heeft gezag van gewijsde - maar ook op de stelling dat de CWI bij de beoordeling van de ontslag- aanvraag van [Y.] ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn verweer en zelfs heeft gesteld dat [X.] geen verweer zou hebben gevoerd, en dat [Y.] heeft nagelaten om na 20 december 2006 te onderzoeken of er toch een passende functie voor hem kon worden gecreëerd nu hij (met terugwerkende kracht) vanaf 10 oktober 2006 een WGA-uitkering ontving van 80-100% en [Y.] in geval van werk door [X.] nog maar een gering percentage van zijn loon zou hoeven doorbetalen. Anders dan de hiervoor aangehaalde beslissing van de kantonrechter betreffende de re-integratie bevat het vonnis van 20 december 2006 hier geen beslissing over. Dit betekent dat het niet onverenigbaar is met het gezag van gewijsde van het vonnis van 20 december 2006 om een schadevergoeding vanwege kennelijk onredelijk ontslag te vorderen op de gronden zoals [X.] heeft aangevoerd.

4.14. Uit het voorgaande vloeit voort dat de grieven I tot en met IV slagen. Dit brengt met zich mee dat het hof alsnog inhoudelijk zal oordelen over de vordering van [X.] tot schadevergoeding vanwege kennelijk onredelijk ontslag.

4.15. [X.] betoogt allereerst dat de kantonrechter ten onrechte het ontslag niet als kennelijk onredelijk heeft aangemerkt nu de CWI voorbij is gegaan aan zijn verweer en zelfs heeft gesteld dat er geen verweer is gevoerd. [Y.] heeft dit gemotiveerd betwist.

4.16. Het hof stelt vast dat de CWI in de ontslagvergunning van 23 augustus 2007 heeft overwogen dat [X.] geen bezwaar maakt tegen het ontslag en aangeeft dat hij volledig arbeidsongeschikt is, hoewel [X.] in het vragenformulier bij de ontslag- aanvraag (memorie van grieven, productie 5) hiertegen wel gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Naar het oordeel van het hof is deze handelwijze onzorgvuldig en had de CWI het verweer van [X.] duidelijk en ondubbelzinnig in de ontslagvergunning moeten bespreken, met name nu een werknemer in het algemeen geen bezwaar kan maken en geen beroep kan instellen tegen een verleende ontslagvergunning. Dit betekent echter niet automatisch dat het ontslag met gebruikmaking van de ontslagvergunning - verleend op grond van de door de werkgever en werknemer verleende informatie - kennelijk onredelijk is. Het door [X.] gevoerde (in voormeld vragenformulier kort aangeduide) verweer dat na 10 oktober 2006, de datum waarop hij een WGA-uitkering ontving van 80-100%, niet is onderzocht of er mogelijkheden tot re-integratie in een voor hem passende functie in de periode van 20 december 2006 tot 23 augustus 2007 waren, zal hierna worden besproken.

4.17. [X.] stelt in de tweede plaats dat het ontslag kennelijk onredelijk is, nu niet, althans onvoldoende is onderzocht of [Y.] heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen.

4.18. Het hof stelt voorop dat ingevolge het in gezag van gewijsde gegane vonnis van 20 december 2006 tot die datum vast staat dat de mogelijkheid om [X.] binnen de eigen organisatie van [Y.] te re-integreren niet aanwezig was, dat [Y.] voldoende inspanningen heeft verricht om de beoogde interne re-integratie tot stand te laten komen en dat [Y.] niet kan worden verweten dat zij daarin niet is geslaagd, en dat [Y.] zich als goed werkgever bereid heeft getoond om [X.] extern te re-integreren, maar dat [X.] daar zelf geen heil in zag.

4.19. Het antwoord op de vraag of de inspanningen van [Y.] om [X.] te re-integreren in het eigen bedrijf van 20 december 2006 tot 23 augustus 2007 (de datum van verlening van de ontslagvergunning) beperkt zijn te noemen, leidt niet tot het oordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk is, omdat niet is gebleken dat in die periode binnen het bedrijf van [Y.] passende functies beschikbaar waren. Het standpunt van [X.] dat [Y.] in geval van wedertewerkstelling slechts een gering percentage van zijn loon behoefde te betalen nu hij een WGA-uitkering ontving ter hoogte van 80-100%, wordt als niet ter zake doende gepasseerd. Het hof overweegt voorts dat [X.] – voorafgaande aan de ontslagaanvraag – er geen blijk van heeft gegeven open te staan voor externe re-integratieactiviteiten. Uitgangspunt is dat [X.] in de periode voorafgaand aan het vonnis van 20 december 2006 geen heil zag in externe re-integratie en hij heeft onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat dit na 20 december 2006 anders was.

4.20. Met grief V betoogt [X.] tot slot dat het ontslag kennelijk onredelijk is gelet op het gevolgencriterium van artikel 7:681 lid 2 sub b BW. Hij stelt dat de opzegging kennelijk onredelijk is omdat, onder andere gelet op de lange duur van het dienst- verband (dertig jaar), zijn leeftijd op het moment van het ontslag (47 jaar), zijn arbeidsongeschiktheid (visuele handicap) waardoor zijn kansen op de arbeidsmarkt zijn geslonken tot bijna het minimum, het feit dat hij is aangewezen op een WGA-uitkering van 80-100% en [Y.] aan hem geen enkele vergoeding heeft gegeven bij het ontslag en [X.] derhalve geen compensatie heeft ontvangen voor de inkomensdaling die zijn werkloosheid met zich mee zou brengen, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [Y.] bij de opzegging.

4.21. [Y.] heeft dit betoog gemotiveerd betwist. Zij stelt kort gezegd dat de enkele omstandigheid dat [X.] na een langdurig dienstverband wegens arbeidsongeschiktheid wordt ontslagen, op zichzelf geen grond is voor het toekennen van een vergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag.

4.22. Bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, dient de rechter alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking te nemen (o.a. HR 15 februari 2008, NJ 2008, 111).

4.23. Het vorenstaande in aanmerking nemende, overweegt het hof in de onderhavige zaak als volgt.

4.24. Het belang van [Y.] bij het gegeven ontslag is er in gelegen dat zij na ruim drie jaar arbeidsongeschiktheid (vanaf 30 maart 2004) een ontslagvergunning heeft aangevraagd (op 25 juli 2007) vanwege langdurig ziekteverzuim, nadat zowel de voorzieningenrechter als de kantonrechter de vordering van [X.] tot wedertewerkstelling hadden afgewezen en tegen deze vonnissen geen hoger beroep was ingesteld.

4.25. Zoals [Y.] terecht betoogt, maakt de enkele omstandigheid dat aan het ontslag geen financiële vergoeding is verbonden, het ontslag niet kennelijk onredelijk. Dit wordt niet anders, nu moet worden aangenomen dat de kansen van [X.] op ander werk – gelet op zijn leeftijd en zijn medische beperkingen – niet groot moeten worden geschat. Van enig oorzakelijk verband tussen het werk van [X.] en zijn arbeidsongeschiktheid is immers niet gebleken. Niet is gebleken dat binnen het bedrijf van [Y.] passende functies beschikbaar waren en dat [X.] zelf – voorafgaande aan de ontslagaanvraag – er blijk van heeft gegeven open te staan voor externe re-integratieactiviteiten. Het hof verwijst hier naar rechtsoverweging 4.19.

4.26. [X.] betoogt met grief V verder nog dat het ontslag kennelijk onredelijk is nu blijkens een vacature in het Heldens Nieuws van 2 juli 2008 een passende administratieve functie bij [Y.] beschikbaar is gekomen, welke vermoedelijk al voor zijn ontslag beschikbaar was. Het hof overweegt dat de vacature waarnaar [X.] verwijst niet ten tijde van het ontslag, maar ruim anderhalf half jaar later in het Heldens Nieuws is gepubliceerd en dit derhalve geen omstandigheid betreft waarmee het hof bij voornoemde belangenafweging rekening dient te houden. Daarbij komt dat [X.] zijn stelling dat deze functie vermoedelijk al voor zijn ontslag beschikbaar was gekomen niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat het hof die stelling passeert.

4.27. Anders dan [X.] voorts betoogt, oordeelt het hof het ontslag niet kennelijk onredelijk vanwege het enkele feit dat [Y.] de arbeidsovereenkomst aanvankelijk bij brief van 24 augustus 2007 tegen diezelfde datum had opgezegd, nu zij deze onregelmatige opzegging heeft hersteld in haar brief van 13 september 2007, waarin zij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd per 1 januari 2008 en nu niet is gebleken dat [X.] voor 13 september 2007 bezwaar heeft gemaakt tegen de eerste (onregelmatige) opzegging.

Voor het overige worden de stellingen van [X.] dat de opzegging door [Y.] op 24 augustus 2007 onregelmatig zou zijn door het hof gepasseerd, nu [X.] geen afzonderlijke vordering betreffende een vergoeding vanwege een onregelmatige opzegging heeft ingesteld jegens [Y.] en het geschil in hoger beroep zich derhalve beperkt tot de vraag of er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag.

4.28. [X.] klaagt er met grief V verder nog over dat het ontslag kennelijk onredelijk is omdat de kantonrechter het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, nu de griffier van de rechtbank Roermond [X.] op 14 februari 2008 schriftelijk heeft verzocht te laten weten of partijen bereid waren af te zien van comparitie na antwoord en re- en dupliek, waarmee [X.] bij brief van zijn gemachtigde van 26 februari 2008 niet heeft ingestemd, en de kantonrechter vervolgens direct is overgegaan tot het wijzen van het bestreden vonnis.

4.29. Het hof overweegt dat, hoewel [X.] niet een eindvonnis had hoeven verwachten, de enkele stelling van [X.] dat hij in de gelegenheid had moeten worden gesteld om op de conclusie van antwoord te reageren, niet kan leiden tot de conclusie dat er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag nu ook dit geen omstandigheid ten tijde van het ontslag betreft waarmee het hof bij voornoemde belangenafweging rekening dient te houden. Immers, [X.] heeft in hoger beroep op het standpunt van [Y.] in de conclusie van antwoord kunnen reageren.

4.30. De conclusie is dat niet is gebleken dat de gevolgen van de opzegging voor [X.] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [Y.] bij de opzegging, of dat de opzegging op andere gronden kennelijk onredelijk is. Grief V faalt derhalve.

4.31. Aan het door [X.] gedane bewijsaanbod wordt als te vaag en/of niet ter zake dienend voorbij gegaan.

4.32. Hoewel de grieven slagen voor zover zij erover klagen dat de kantonrechter de vorderingen van [X.] ten onrechte heeft afgewezen vanwege het beroep van [Y.] op het gezag van gewijsde van het vonnis van 20 december 2006, leiden de grieven, gelet op het vorenoverwogene, niet tot een ander resultaat.

4.33. Dit betekent dat het oordeel van de kantonrechter dat de vorderingen van [X.] moeten worden afgewezen, in stand dient te blijven. Het hof zal het beroepen vonnis bekrachtigen onder verbetering en aanvulling van gronden en [X.], als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep veroordelen.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep onder verbetering en aanvulling van gronden zoals hiervoor is overwogen;

veroordeelt [X.] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [Y.] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 254,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Venner-Lijten en Walsteijn en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 oktober 2009.