Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK5489

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-09-2009
Datum publicatie
07-12-2009
Zaaknummer
08/00441
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag fosfaatheffing is correct vastgesteld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-2663
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00441

Uitspraak op het hoger beroep van

de Inspecteur Z, hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 16 mei 2008, nummer AWB 07/2729 in het geding tussen

X en X1, wonende te Y, hierna: belanghebbenden

en

de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag in de fosfaatheffing voor het jaar 2005.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbenden is, onder aanslagnummer 000000000XX0000, over het jaar 2005 een naheffingsaanslag in de fosfaatheffing opgelegd ten bedrage van € 30.105 aan belasting. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbenden zijn van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbenden een griffierecht geheven van € 285. Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag fosfaatheffing vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbenden en gelast dat de Staat het door belanghebbenden betaalde griffierecht aan dezen vergoedt.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 23 april 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord beide belanghebbenden, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbenden hebben te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.7. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan.

1.8. Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2. Feiten

2.1. De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.2. X heeft op 29 december 2000 aan de Inspecteur doorgegeven dat hij een bedrijf heeft overgenomen van A. Door middel van het formulier 'overdracht verrekeningsverleden' hebben belanghebbenden aangegeven dat zij het gehele verrekeningsverleden van de onderneming van A over wensen te nemen. Het voormelde formulier is op 16 juli 2003 en 2 november 2004 door de Inspecteur ontvangen. Het overgenomen fosfaat- en stikstofsaldo bedraagt respectievelijk 6.377 kilogram en 12.023 kilogram.

2.3. Belanghebbenden hebben op 24 augustus 2006 voor het jaar 2005 verfijnde aangifte MINAS (hierna: de aangifte) gedaan, resulterend in een bedrag aan fosfaatheffing ad € 30.105 en stikstofheffing ad € 0.

2.4. Na vergelijking van de aangifte met de bij de Inspecteur bekende gegevens heeft de Inspecteur geconstateerd dat belanghebbenden een bedrag van € 30.105 zijn verschuldigd aan fosfaatheffing. Aangezien belanghebbenden de op aangifte verschuldigde fosfaatheffing niet volledig hebben voldaan, heeft de Inspecteur met dagtekening 18 mei 2007 een naheffingsaanslag fosfaatheffing opgelegd ad € 30.105. De naheffingsaanslag stikstofheffing bedraagt € 0.

2.5. In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

2.6. Met ingang van 1 januari 2001 hebben belanghebbenden het landbouwbedrijf in maatschapsverband uitgeoefend. Het houden van kippen behoort onder meer tot de bedrijfsactiviteiten.

2.7. In zijn brief van 18 mei 2009 geeft de Inspecteur een

"Verrekeningsoverzicht fosfaat 2001 t/m 2005 (vanaf overname

bedrijf t/m 2005)", hetgeen resulteert in een overschot per

ultimo 2005 van 3.345 kg fosfaat en een ter zake te betalen

bedrag van 3.345 kg fosfaat x € 9 = € 30.105. Dit bedrag

komt overeen met de onderhavige naheffingsaanslag fosfaatheffing.

Voorts heeft de Inspecteur in een bijlage bij deze brief een

kopie van het "Overzicht verrekening fosfaatsaldo 2004", met

vermelding dagtekening 13-12-2005, overgelegd. Op dit

overzicht staat vermeld dat het drie beschikkingen vervat,

waaronder het voor verrekening vatbare fosfaatsaldo 2004.

Tevens staat vermeld dat op de achterzijde van het overzicht

een toelichting wordt gegeven. Op deze achterzijde is onder

meer bij wijze van toelichting melding gemaakt van de

wettelijke gronden van de verrekening alsmede wordt gewezen op

de mogelijkheid van bezwaar tegen de drie beschikkingen.

2.8. In de brief van de Inspecteur van 18 mei 2009 vermeldt de

Inspecteur tevens dat hij bereid is, nadat het Hof uitspraak

heeft gedaan, zo nodig de hardheidsclausule toe te passen. Dit

zal leiden tot een vermindering van de verschuldigde

fosfaatheffing met € 5.193, resulterend in een verschuldigd

bedrag van € 24.912 (€ 30.105 min € 5.193). Belanghebbenden

hebben in dit verband in hun brief van 4 juni 2009 er op

gewezen dat de vermindering, waarop zij ingevolge de

hardheidsclausule recht zouden hebben, € 10.976 bedraagt. Zij

handhaven hun eerder ingenomen standpunt zoals verwoord in de

van hen afkomstige stukken. De Inspecteur heeft in zijn brief

van 16 juni 2009 onder meer beaamd dat dit correct is en dat

de toepassing van de hardheidsclausule er inderdaad toe zal

leiden dat de bestreden naheffingsaanslag verminderd zal

dienen te worden met € 10.976.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag fosfaatheffing terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Belanghebbenden beantwoorden deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbenden concluderen tot ongegrondverklaring van het hoger beroep. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en, naar het Hof begrijpt, bevestiging van de uitspraak op bezwaar en handhaving van de bestreden aanslag.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Wettelijk kader

4.1. Voor de beslechting van het geschil is het volgende wettelijk kader van belang voor de wijze waarop een saldo uit vorige jaren wordt verrekend.

Verrekening

4.2. De wijze van verrekening van een saldo uit vorige jaren, wordt geregeld in artikel 43 van de Mestoffenwet (hierna: MSW). Het luidde, voor zover hier van belang, als volgt:

"1. Ingeval in een kalenderjaar de belastbare hoeveelheid fosfaat, onderscheidenlijk stikstof, bedoeld in artikel 24, minder is dan nihil, wordt deze verrekend met de belastbare hoeveelheden van de voorgaande acht kalenderjaren.

2. Indien na de verrekening een belastbare hoeveelheid fosfaat, onderscheidenlijk stikstof van minder dan nihil resteert, wordt deze verrekend met de daarop volgende kalenderjaren. De verrekening vindt plaats door vermindering van de belastbare hoeveelheid van een volgend jaar tot ten minste nihil.

3. Verrekening met betrekking tot een kalenderjaar vindt slechts plaats indien met betrekking tot dat kalenderjaar aangifte van de verschuldigde verfijnde mineralenheffingen, bedoeld in artikel 22, is gedaan, en aan de in dat artikel bedoelde regels is voldaan.

4. De verrekening geschiedt in de volgorde waarin de belastbare hoeveelheden zijn ontstaan.

5. De verrekening en het verlenen van een uit een verrekening voortvloeiende teruggaaf, alsmede de vaststelling van een resterende belastbare hoeveelheid fosfaat, onderscheidenlijk stikstof van minder dan nihil, geschiedt op verzoek door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking. De aangifte wordt aangemerkt als verzoek.

(...)".

4.3. Van belang is in casu, dat lid 5 van artikel 43 MSW voorschrijft, dat de inspecteur het voor verrekening beschikbare saldo vaststelt. Die vaststelling is een "voor bezwaar vatbare beschikking". De belanghebbenden kunnen dus tegen die beschikking in bezwaar komen, als zij vinden dat de inspecteur het negatieve saldo niet juist heeft berekend. Daarnaast moet de inspecteur in het daaropvolgende jaar, het jaar waarin de verrekening daadwerkelijk plaatsvindt, ook een beschikking afgeven, waarin hij aangeeft welk bedrag uit het voorgaande jaar (dan wel voorgaande jaren) hij verrekend heeft, en wat er (eventueel) nog te verrekenen overblijft.

4.4. De Inspecteur heeft, naar thans onweersproken vaststaat, gesteld, dat hij de voorgeschreven beschikkingen heeft afgegeven voor het jaar 2003 en 2004. Zoals vermeld in 2.7 heeft de Inspecteur de beschikking voor het jaar 2004, met dagtekening 13-12-2005, bij zijn brief van 18 mei 2009 nader overgelegd. Voor de fosfaatheffing hield de beschikking in, dat er eind 2004 nog een fosfaatsaldo van 2.978 kilo aanwezig was. Aan de achterzijde van de beschikking is de als rechtsmiddelverwijzing op te vatten toelichting vermeld. Belanghebbenden hebben tegen de beschikking betreffende het voor verrekening vatbare fosfaatsaldo 2004 geen bezwaar aangetekend. De bezwaartermijn is inmiddels verstreken. Dat betekent dat het saldo onherroepelijk vaststaat.

4.5. Belanghebbenden hebben in hun nadere reactie van 4 juni 2009 op de voormelde brief van de Inspecteur van 18 mei 2009 niet gesteld dat de in de brief van de Inspecteur van 18 mei 2009 neergelegde berekening van het te verrekenen saldo fosfaat onjuist is. Het Hof heeft evenmin aanwijzingen dat de berekening van het per ultimo 2005 resterend overschot fosfaat onjuist zou zijn. Nu in het in 2.7 vermelde verrekeningsoverzicht tevens is opgenomen het te verrekenen saldo van het door belanghebbenden overgenomen bedrijf van de vader van X, komt hiermee tevens de grief van belanghebbenden te ontvallen dat dit saldo niet in de beschikking 2004 zou zijn begrepen dan wel dat zij hiervan nimmer bericht zouden hebben gehad. De ter zitting naar voren gebrachte grief van belanghebbenden dat zij er op mochten vertrouwen dat per ultimo 2005 geen fosfaatsaldo meer aanwezig zou zijn, dient, in dit licht bezien, eveneens te worden verworpen. Uit het voorgaande volgt, dat de in geschil zijnde naheffingsaanslag fosfaatheffing correct is vastgesteld.

Overige klachten

4.6. Belanghebbenden stellen voorts, dat de aanslag onacceptabel is omdat zij alle op hun bedrijf aanwezige mest hebben afgevoerd naar derden. Deze klacht baat hen niet. De Inspecteur bestrijdt dat alle mest werd afgevoerd. Belanghebbenden - op wie de bewijslast rust - hebben tegenover de betwisting van de Inspecteur, naar het oordeel van het Hof, hun stelling niet aannemelijk gemaakt. Indien belanghebbenden met hun klacht bedoelen, dat de meststoffenwetgeving tot onrechtvaardige resultaten leidt, faalt hun klacht eveneens, omdat het de rechter verboden is de innerlijke waarde of billijkheid der wet te beoordelen.

4.7. Nu belanghebbenden ter zitting hun grief betreffende de tenaamstelling van de in 4.4 vermelde beschikkingen alsmede van de aan hen gerichte correspondentie van de Inspecteur hebben laten varen, dient het hoger beroep van de Inspecteur gegrond te worden verklaard. In zijn brieven van 18 mei 2009 en 1 juni 2009 heeft de Inspecteur om hem moverende redenen, ambtshalve de toepassing van de hardheidsclausule toegezegd, resulterend in een vermindering van de aanslag tot een bedrag van € 19.129. Gelet op de inhoud van de in 2.8 vermelde correspondentie maakt de toepassing van de hardheidsclausule geen onderdeel uit van het geschil. Derhalve zal het Hof zich dienaangaande onthouden van enig oordeel.

4.8. Het gelijk is derhalve aan de Inspecteur. Diens hoger beroep moet gegrond worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9. Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Staat inzake het hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart hoger beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, en

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 25 september 2009 door J.W.J. Huige, voorzitter, W.E.M van Nispen tot Sevenaer en A.C. van Leijenhorst, leden, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.