Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK4557

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
HV 200.034.847
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2009:BH9128, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op informatie voor niet met gezag belaste ouder versus medische geheimhoudingsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

JN

24 november 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer: HV 200.034.847/01

Zaaknummer eerste aanleg: 89281/FA RK 08-1305

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

De Stichting Mutsaersstichting,

gevestigd en kantoorhoudende te Venlo,

appellante,

hierna: de stichting,

advocaat: mr. M. van der Schoor,

t e g e n

[X.],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting te Breda,

geïntimeerde,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. I.F.H. Nelissen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Roermond van 19 november 2008 en 11 maart 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie van het hof op 11 juni 2009, heeft de stichting verzocht - kort samengevat - voormelde beschikkingen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het oorspronkelijke verzoek van de moeder af te wijzen en haar te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.2. Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie van het hof op 23 juli 2009, heeft de moeder - kort samengevat - verzocht de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 september 2009. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de stichting, vertegenwoordigd door de heer H.A. van den Heuvel, kinder- en jeugdpsychiater, bijgestaan door mr. Van der Schoor;

- de moeder, bijgestaan door mr. Nelissen;

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, hierna: BJZ, vertegenwoordigd door mevrouw N.A. Sillekens en de heer S. Peeters, gezinsvoogd;

- de heer [Y.], hierna: de vader.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 28 oktober 2009;

- de brief met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 15 september 2009;

- de door de advocaat van de stichting ter zitting overgelegde aantekeningen.

3. De beoordeling

3.1. De moeder is op 16 juli 1999 gehuwd met [Y.], uit welk huwelijk is geboren:

- [dochter], hierna: [dochter], op 19 mei 2000 te [geboorteplaats]. Bij beschikking van 30 november 2005 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 10 januari 2006 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Na de echtscheiding waren de ouders gezamenlijk belast met het gezag over [dochter]. Bij beschikking van de rechtbank Roermond van 24 januari 2007 is een verzoek van de moeder om haar alleen met het gezag te belasten afgewezen.

3.2. De moeder is op 19 juli 2007 aangehouden wegens verdenking van het medeplegen van ontucht met [dochter]. Bij beschikking van de kinderrechter van 26 juli 2007 is de moeder voorlopig geschorst in de uitoefening van het gezag over [dochter] en bij beschikking van de rechtbank Roermond van 12 december 2007 is de moeder ontzet van het gezag. De meervoudige kamer van de rechtbank Roermond heeft de moeder inmiddels een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaren, alsmede de ter beschikkingstelling van de moeder opgelegd, tegen welk vonnis de moeder, zo blijkt uit de brief van 15 september 2009 van mr. Nelissen, hoger beroep heeft ingesteld (dat door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, sector strafrecht, zal worden behandeld).

3.3. Bij de bestreden (tussen)beschikking van 19 november 2008 heeft de recht¬bank Roermond de stichting op grond van het bepaalde in artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verzocht de rapportage over [dochter] - feitelijk bestaande uit een drietal verslagen gedateerd 24 september 2007, 30 oktober 2007 en 4 december 2007 - in het geding te brengen. Bij de bestreden (eind)beschikking van 11 maart 2009 heeft de rechtbank Roermond bepaald dat de stichting aan de moeder dient te verstrekken:

- het verslag van het intakeoverleg d.d. 24 september 2007/behandelovereenkomst;

- de aanvulling van 30 oktober 2007 op de behandelovereenkomst van 24 september 2007;

- het verslag van het evaluatieoverleg/behandelovereenkomst d.d. 4 december 2007.

3.4. De stichting kan zich met deze beslissingen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De stichting voert - kort samengevat - aan dat zij niet de stelling (jegens de moeder) heeft ingenomen dat behandeling van [dochter] niet nodig zou zijn. Voorts voert de stichting aan dat de medische beroepsbeoefenaar op grond van de hem in artikel 7:457 Burgerlijke Wetboek (BW) opgelegde geheimhoudingsplicht, een bijzondere positie inneemt voor wat betreft de toepasselijkheid van artikel 1:377 c BW. Artikel 7:457 BW prevaleert boven de informatieplicht van artikel 1:377 c lid 1 BW, aldus de stichting, althans dat artikel vormt een uitzondering voor de gevallen waarin de medische beroepsbeoefenaar om medische redenen van oordeel is dat de gevraagde informatie niet (ex artikel 1:377 c lid 1 BW) aan de niet met het gezag belaste ouder kan worden verstrekt. Deze geheimhoudingsplicht geldt, aldus de stichting, voor situaties buiten de behandelingsovereenkomst, ook op grond van artikel 88 Wet BIG, alsmede op grond van artikel 51 lid 2 van de Wet op de Jeugdzorg, waarin is bepaald dat voor de verstrekking van informatie over jeugdigen onder de leeftijd van 12 jaar aan derden, toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger noodzakelijk is. In dit geval ontbreekt de toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger van [dochter].

De stichting voert voorts aan dat, indien het vorenstaande niet zou opgaan, het recht op informatie ex artikel 1:377 c lid 1 BW niet mede het recht op (integrale) inzage in en op het ontvangen van een afschrift van het medisch dossier (waartoe in casu de gevraagde rapportages behoren) omvat. Tenslotte stelt de stichting dat, in het uiterste geval, het belang van [dochter] zich verzet tegen verstrekking van de door de moeder verzochte informatie. [dochter] dient immers de gelegenheid te krijgen, met waarborging van haar privacy, hetgeen haar is overkomen te verwerken en, zodra zij oud genoeg is, zelfstandig een besluit te nemen over de rol en de betekenis die zij haar moeder in haar verdere leven wil geven, aldus de stichting.

De stichting heeft tegen de bestreden (tussen)beschikking van 19 november 2008 nog aangevoerd dat artikel 22 Rv zich niet leent voor toepassing in gevallen waarin één van de procespartijen zich op een wettelijke geheimhoudingsplicht beroept. In elk geval had de rechtbank, indien artikel 22 Rv al toepasbaar zou zijn, eigener beweging dienen te bepalen dat uitsluitend de rechter kennis zou nemen van de rapportage, aldus de stichting.

3.5. Het hof overweegt het volgende.

3.5.1. In artikel 1:377 c lid 1 BW is - kort samengevat - bepaald dat de niet met het gezag belaste ouder desgevraagd door derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, daarvan op de hoogte gesteld wordt, tenzij die derde de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag over het kind is belast, of het belang van het kind zich tegen het verschaffen van informatie verzet.

Het hof heeft zich te buigen over de vraag of de rechtbank het recht op informatie van de moeder, zoals neergelegd in artikel 1:377 c lid 1 BW, terecht heeft laten prevaleren boven artikel 7:457 BW, waarin, verkort weergegeven, is bepaald dat de hulpverlener ervoor zorg draagt dat aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt dan wel inzage of afschrift van bescheiden wordt verstrekt dan met toestemming van de patiënt en voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van een ander niet wordt geschaad.

3.5.2. Daartoe kan het navolgende worden opgemerkt.

De stichting beroept zich erop dat voornoemde artikelen in de Wet BIG , de Wet op de Jeugdzorg en artikel 7:457 BW, derogeren aan artikel 1:377c BW.

Deze stelling is, zo in zijn algemeenheid geponeerd, naar het oordeel van het hof onjuist. Weliswaar kan aan de stichting worden toegegeven dat de op de hulpverlener (lees: behandelaar, medische beroepsbeoefenaar) rustende geheimhoudingsplicht met zich brengt dat de hulpverlener zelf een afweging moet maken met betrekking tot het verstrekken van informatie aan derden en van hetgeen verborgen moet blijven, doch dit brengt niet zonder meer met zich mee dat de stichting met een beroep op die geheimhoudingsplicht een verzoek zoals in de onderhavige zaak voorligt naast zich neer kan leggen.

Van belang is het bepaalde in artikel 7:457 BW, inhoudende dat informatieverstrekking “kan geschieden, zonder inachtneming van de beperkingen als voormeld, indien het bij of krachtens de wet bepaalde daartoe verplicht”. Met die bepaling wordt immers een nadere concretisering van de geheimhoudingsplicht van de medische hulpverlener gegeven. Het hof is van oordeel dat uit de bewoordingen van voornoemde bepalingen afgeleid kan worden dat deze bepaling -onder meer - ziet op zaken als de onderhavige en derhalve op het recht op informatie als neergelegd in artikel 1:377 c lid 1 BW. Overigens blijkt dit naar het oordeel van het hof ook met zoveel woorden uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot artikel 1:377 c BW.

3.5.3. In artikel 1:377 c lid 1 BW is, zoals hierboven reeds is opgemerkt, bepaald dat het informatie moet betreffen inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreft.

In de visie van de moeder dient deze bepaling aldus te worden uitgelegd, dat het recht op informatie tevens inhoudt integrale afgifte van de rapportage het kind betreffende, dan wel inzage daarin, zeker in de situatie dat ook de met gezag belaste ouders die rapportage wel heeft ontvangen, dan wel inzage heeft gekregen. Deze uitleg van de moeder met betrekking tot artikel 1:377 c lid 1 BW vindt naar het oordeel van het hof geen steun in de wet. Immers, de informatie van de derde omvat, naar het oordeel van het hof, niet zonder meer een volledige inzage in en afgifte van alle rapportages met betrekking tot het minderjarige kind. De derde kan volstaan met het verstrekken van informatie die een globaal beeld van de gezondheidssituatie van het kind geeft, met andere woorden een recht op inzage is er niet.

Dat de met gezag belaste vader, in dit geval, wel over de door de moeder verzochte informatie beschikt, vloeit voort uit het feit dat de vader, als wettelijk vertegenwoordiger van [dochter] heeft gehandeld en in die hoedanigheid toestemming heeft gegeven voor de medische behandeling en in de rechten is getreden van [dochter].

3.5.4. Nu het recht op informatie, zoals hiervoor door het hof uiteengezet, niet tevens betreft het recht op afschrift, noch het recht op inzage, dient het verzoek van de moeder, voorzover hierop ziende, alleen al om die reden, te worden afgewezen.

3.5.5. Of de moeder dan wel recht heeft op globale informatie over de gezondheidssituatie van [dochter] is afhankelijk van de vraag of het belang van [dochter] zich al dan niet tegen de informatieverstrekking verzet.

Informatieverstrekking kan naar het oordeel van het hof achterwege blijven indien daardoor het risico ontstaat dat de privacy van het kind geweld wordt aangedaan en de beroepsmatige relatie tussen de derde en het kind te zeer onder spanning wordt gezet, hetgeen niet in het belang van het kind is. Vanwege de bijzondere situatie in de onderhavige zaak, waarbij de moeder (mede)veroorzaker is van feiten waardoor [dochter] is getraumatiseerd en onder behandeling van het kinderpsychiatrisch team van de stichting is gesteld is het hof van oordeel dat de te beschermen privacy en dus het belang van [dochter] zich verzet tegen het verschaffen van deze informatie (anders dan dit reeds geschiedt in de contacten tussen de gezinsvoogd en de moeder en op de wijze zoals de gezinsvoogd ter zitting heeft aangegeven). Het hof betrekt daarbij de ter zitting door de stichting onweersproken naar voren gebrachte stelling, dat het verstrekken van medische informatie aan een ouder van een kind, die zich (mede) schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik met betrekking tot dat kind, kan leiden tot problemen bij de verwerking van dat feit door het kind. Tevens is van belang dat, zoals de stichting heeft gesteld, niet kan worden uitgesloten dat de moeder de inhoud van de rapportages wil onderzoeken op bruikbaarheid in lopende of toekomstige gerechtelijke procedures, bijvoorbeeld ter disculpering in het strafproces. Dat zou voor de ontwikkeling van [dochter] zodanig schadelijk zijn dat alleen al om die reden het verzoek van de moeder dient te worden afgewezen. Desgevraagd heeft de moeder ter zitting aangegeven de rapportages niet in de hiervoor bedoelde zin te willen gebruiken. Op de vraag van het hof wat dan haar belang is bij verstrekking van de informatie, heeft de moeder niet anders kunnen antwoorden dan dat zij aan de band met [dochter] wil werken en handvatten wil krijgen hoe met [dochter] om te gaan. Dit acht het hof niet overtuigend nu ter zitting gebleken is dat er van de zijde van de gezinsvoogdijinstelling specialistische hulp is ingezet, juist gericht op dat laatste aspect. Tevens is ter zitting gebleken dat de omgangsmomenten die er zijn tussen de moeder en [dochter], niet gericht zijn op het herstel van de band tussen moeder en dochter maar dienen ter verwerking door [dochter] van hetgeen haar is overkomen. Ook om deze reden is het hof van oordeel dat de stichting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de informatie mogelijk op een voor het welzijn van [dochter] onwenselijke of anderszins nadelige wijze wordt of zal worden gebruikt. Daarbij laat het hof meewegen dat de moeder ter zitting niet heeft kunnen of willen aangeven wat voor de haar de redenen geweest zijn om hoger beroep aan te tekenen tegen het strafvonnis van de rechtbank Roermond. Tot slot merkt het hof op dat de met gezag belaste vader evenals de stichting van oordeel is dat, gezien de bijzondere situatie, informatieverstrekking aan de moeder niet in het belang van [dochter] is.

Nu het verzoek van de vrouw reeds om deze redenen niet toegewezen kan worden behoeven de overige grieven naar het oordeel van het hof geen verdere bespreking.

3.6. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikkingen waarvan beroep vernietigen en het verzoek van de vrouw alsnog afwijzen.

3.7. Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren nu het hier een familierechtelijke beslissing betreft.

De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikkingen van de rechtbank Roermond van 19 november 2008 en 11 maart 2009,

en, opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af het dit geding inleidende verzoek van de moeder.

compenseert de proceskosten van beide instanties, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lamers, Milar en Van Harinxma thoe Slooten en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2009.