Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK3927

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
20-11-2009
Zaaknummer
HV 200.037.469
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het ter zitting door de raad aan het hof gedane verzoek om ambtshalve de ondertoezichtstelling uit te spreken, in het geval het hof de beschikking van de rechtbank waarbij de ouders van het gezag worden ontheven, niet bekrachtigt, begrijpt het hof als een verzoek van de raad de ondertoezichtstelling uit te spreken. De ouders hebben laten weten geen bezwaar te hebben tegen de ondertoezichtstelling. Het hof spreekt de ondertoezichtstelling uit na het verzoek tot ontheffing van de ouders van het gezag te hebben afgewezen nu de desbetreffende minderjarige inmiddels weer bij de ouders woont.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

CvL

18 november 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer: HV 200.037.469/01

Zaaknummer eerste aanleg: 138569 FA RK 09-365 en 138568 FA RK 09-364

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[Moeder] en [vader],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: de ouders,

advocaat: mr. J.G. van Ek,

t e g e n

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Maastricht,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de raad.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 8 juni 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 juli 2009, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat de ouders niet zullen worden ontheven van het ouderlijk gezag over de hierna nader genoemde minderjarige kinderen [zoon] en [dochter].

2.2. Het hof heeft van geen van de andere belanghebbenden een verweerschrift ontvangen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2009. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. Van Ek;

- de raad, vertegenwoordigd door mr. H. Werger;

- de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de stichting), vertegenwoordigd door mevrouw drs. F. Scholte en mevrouw C. Smeets, namens Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg.

2.3.2. Het hof heeft de minderjarige [zoon] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 11 mei 2009;

- de brief met bijlagen van de stichting d.d. 4 augustus 2009.

3. De beoordeling

3.1. Uit het huwelijk van de ouders zijn, voor zover hier van belang, geboren:

- [zoon] (hierna: [zoon]), op 12 april 1994 te [geboorteplaats],

- [dochter] (hierna: [dochter]), op 11 februari 1999 te [geboorteplaats].

De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

3.2. Bij beschikking van 13 juli 1999 heeft de rechtbank [zoon] en [dochter] onder toezicht gesteld en sinds 18 november 2004 zijn zij tevens met machtiging van de rechtbank uit huis geplaatst. De ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing zijn telkens verlengd, voor het laatst bij beschikking van 10 juli 2008 met ingang van 13 juli 2008 voor de termijn van één jaar.

3.3. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank de ouders van het gezag over [zoon] en [dochter] ontheven en bepaald dat de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg te Roermond de voogdij over voornoemde minderjarigen zal uitoefenen, waarbij de uitvoering zal geschieden door de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming.

3.4. De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5. In het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, voeren de ouders - kort samengevat - aan dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de ouders dienen te worden ontheven van het gezag van [zoon] en [dochter]. De ouders ontkennen en betwisten met klem hetgeen de raad in zijn rapportages stelt.

Voorts wijzen zij er op dat [dochter] geen weet heeft van de jaarlijkse verlengingszittingen en er derhalve ook geen last van heeft en dat gebleken is dat de impact van het contact tussen de ouders en [dochter] voor haar hanteerbaar is. Niet is aangetoond dat de bestaande gezagssituatie voor de kinderen en/of pleegouders bezwaren of onzekerheid oproept. Op voorhand kan nu niet worden uitgesloten dat de ouders nooit meer in staat zullen zijn om de beide kinderen zelf op te voeden. Daarom kan er nu nog geen ontheffing van het gezag volgen.

3.6. De stichting heeft in haar brief van 4 augustus 2009 aangevoerd dat de ouders onmachtig zijn hun eigen leven op orde te brengen of besluiten te nemen om hun persoonlijke situatie structureel te verbeteren. Zij hebben weinig draagkracht en oplossingsvermogen en zijn wantrouwig naar de hulpverlening, waardoor zij telkens maar tijdelijk en beperkt gebruik maken van de hulpverlening.

Beide ouders zijn verstandelijk beperkt. Door hun eigen verstandelijke beperking begrijpen ouders niet welke beperkingen [zoon] en [dochter] hebben en wat zij nodig hebben. [dochter] ervaart de contacten met de ouders als onveilig. [zoon] loopt risico’s omdat de ouders onvoldoende inzicht hebben in de problematiek en begeleidingsbehoeften van [zoon].

Een samenwerking tussen de ouders en de pleegouders van [dochter] is niet mogelijk gebleken. Elke jaar rondom de verlengingszitting verslechtert de samenwerking met de gezinsvoogd en hebben beide ouders de verwachting dat de kinderen naar huis komen. Dat is niet reëel. Er is geen perspectief op thuisplaatsing van [zoon] en [dochter].

3.7. Ter zitting heeft de stichting naar voren gebracht dat sinds de instelling van het hoger beroep de woonsituatie van [zoon] is gewijzigd, in die zin dat hij sinds juli 2009 weer bij de ouders woont, nadat hij was weggelopen uit Gastenhof, de instelling waar hij sinds september 2006 verbleef. Gastenhof is, zo heeft de stichting verklaard, ook niet de meest passende instelling voor [zoon], maar de stichting is er tot op heden niet in geslaagd om [zoon] in een voor hem wel geschikte instelling te plaatsen. [zoon] is verschillende keren weggelopen uit Gastenhof. Na de laatste keer mocht hij tot rust komen bij zijn ouders. De ouders hebben zich er sterk voor ingezet om [zoon] naar school te laten gaan. Tweemaal in de week krijgen de ouders, naast hulp in de huishouding, opvoedingsondersteuning van de Meandergroep. Deze situatie moet als een tijdelijke oplossing worden beschouwd en mag niet langer voortduren dan noodzakelijk, dat wil zeggen tot er voor [zoon] een geschikte plaats in een instelling is gevonden.

3.8. De raad heeft ter zitting aangevoerd dat het een slechte zaak is dat door de stichting wordt gedoogd dat [zoon] thuis is omdat het een verkeerd signaal afgeeft aan de ouders. De ouders mogen niet het idee krijgen dat de huidige situatie goed is. In het geval het hof de beschikking van de rechtbank niet bekrachtigt, verzoekt de raad het hof ambtshalve de ondertoezichtstelling uit te spreken.

3.9. Het hof overweegt het volgende.

3.9.1. Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, op grond dat hij ongeschikt en onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

Ingevolge artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW kan, ondanks dat de ouder zich daartegen verzet, de ontheffing worden uitgesproken indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden, gegronde vrees bestaat dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

3.9.2. Ten aanzien van [dochter] is het hof van oordeel dat uit hetgeen door de stichting en de raad naar voren is gebracht voldoende is komen vast te staan dat de ouders ongeschikt en onmachtig zijn om de verzorging en opvoeding van [dochter] op zich te nemen en dat het belang van [dochter] zich niet tegen een ontheffing verzet. Door hun beperkingen zijn de ouders onmachtig om [dochter] een passende opvoedingssituatie te bieden, terwijl [dochter], gelet op haar verstandelijke beperking en gedragsproblemen, juist extra zorg nodig heeft. In het pleeggezin waar zij sinds april 2006 verblijft, maakt [dochter] een positieve ontwikkeling door en voelt zij zich prettig. Nu de ouders het niet eens zijn met de uithuisplaatsing van [dochter] komt het hof het aannemelijk voor dat bij de jaarlijks verlenging van de huidige maatregelen spanningen ontstaan in en rond de opvoeding van [dochter]. De maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing acht het hof dan ook onvoldoende om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 af te wenden.

3.9.3. Ten aanzien van [zoon] oordeelt het hof anders. Nu [zoon] weer bij de ouders woont met instemming van de stichting is naar het oordeel van het hof niet voldaan aan de gronden voor een gedwongen ontheffing ten aanzien van [zoon]. Nu de ouders immers door de stichting weer in de gelegenheid worden gesteld zelf [zoon] op te voeden kan niet gezegd worden dat er thans geen perspectief bestaat op een terugkeer van [zoon] in het gezin van zijn ouders. Het hof zal derhalve ten aanzien van [zoon] de beschikking van de rechtbank vernietigen. Het ter zitting door de raad aan het hof gedane verzoek om ambtshalve de ondertoezichtstelling uit te spreken, in het geval het hof de beschikking van de rechtbank niet bekrachtigt, begrijpt het hof als een verzoek van de raad de ondertoezichtstelling ten aanzien van [zoon] uit te spreken. De ouders hebben laten weten geen bezwaar te hebben tegen een ondertoezichtstelling. Gelet op het rapport van de raad is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling van artikel 1:254 lid 1 BW. Hoewel door de stichting wordt gedoogd dat [zoon] thuis woont, vormen de onmacht van de ouders en hun ongeschiktheid om [zoon] op te voeden een bedreiging voor de ontwikkeling van [zoon], die, gelet op zijn beperkingen, net als [dochter], juist een speciale geschiktheid en zorg nodig heeft. Het hof zal daarom ten aanzien van [zoon] de ondertoezichtstelling uitspreken.

3.9.4. Het hof deelt de mening van de raad dat hiermee mogelijk een verkeerd signaal aan de ouders wordt afgegeven, maar kan niet anders dan vaststellen dat in formele zin ten aanzien van [zoon] nu deze thuis woont en dit wordt gedoogd door de stichting op dit moment niet is voldaan aan de voorwaarden voor een ontheffing.

3.10. Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen voor zover het betreft de ontheffing van het gezag van de ouders ten aanzien van [zoon].

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 8 juni 2009 voor wat betreft de ontheffing van het gezag van de ouders over [zoon] met ingang van 18 november 2009 en wijst alsnog het daartoe strekkend verzoek van de raad af;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt met ingang van 18 november 2009 [zoon] onder toezicht van de stichting voor de duur van een jaar;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 8 juni 2009 voor wat betreft de ontheffing van het gezag van de ouders over [dochter];

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Maastricht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Philips, Koens en Van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2009.