Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK3857

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-06-2009
Datum publicatie
19-11-2009
Zaaknummer
HD 200.010.790
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht; inbreng in nalatenschap. Verdeling via notaris. 4:1152 (oud) BW; 3:185 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MG

zaaknr. HD 200.010.790

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 30 juni 2009,

gewezen in de zaak van:

[A.],

wonende te [woonplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 10 juni 2008,

hersteld bij exploot van 18 juli 2008,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna: [A.],

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[B.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel

bij voormelde exploten,

appellant in incidenteel appel,

hierna: [B.],

advocaat: mr. N.J.W.M. de Leeuw,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht gewezen vonnissen van 28 maart 2007 en 12 maart 2008, hersteld bij vonnis van 7 mei 2008, tussen [A.] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en [B.] als eiser in conventie en verweerder in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 108880/HA ZA 06-217)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen alsmede naar de beschikking van de rolrechter van 26 april 2006.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [A.], onder overlegging van producties, grieven aangevoerd tegen de bestreden vonnissen, haar eis in reconventie gewijzigd en geconcludeerd tot vernietiging van die vonnissen en tot het opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, alsnog niet-ontvankelijk verklaren van [B.] in zijn inleidende vorderingen althans hem die vorderingen te ontzeggen als ongegrond en ongemotiveerd en verder om [B.] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest al het nodige, door de banken nader aan te duiden, te doen om opheffing van de bankrekeningen te bewerkstelligen, met vordering dat het hof tevens de wijze van de verdeling gelast c.q. de verdeling zelf vaststelt van de nalatenschap van de ouders althans van de moeder van partijen, op een wijze en met een verdeling zoals het hof in goede justitie vermeent te moeten bepalen en met veroordeling van [B.] in de kosten van het geding, zowel in conventie als in reconventie met bepaling dat [B.] de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is wanneer hij niet binnen 14 dagen na de uitspraak deze kosten heeft voldaan.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [B.], onder overlegging van 1 productie, de grieven van [A.] bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden, met afwijzing van de vorderingen van [A.] en met veroordeling van [A.] in de kosten van het hoger beroep, waaronder begrepen de kosten van beslaglegging en uitwinning.

2.3. Mr. H.J.J. van der Salm heeft, in het bijzijn van zijn cliënte ([A.]), haar standpunten nader aan de hand van een pleitnotitie uiteengezet bij gelegenheid van het pleidooi gehouden op 15 mei 2009. Bij die gelegenheid heeft mr. M.C.G. Nijssen, in het bijzijn van haar cliënt ([B.]), zijn standpunten nader aan de hand van een pleitnota uiteengezet.

2.4. Partijen hebben vervolgens de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven en de toelichting daarop en naar de memorie van antwoord en de toelichting daarop.

4. De beoordeling

In principaal en incidenteel appel

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.2.1. [B.] en [A.] zijn broer en zus. De ouders van partijen waren in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. De vader van partijen is overleden op 20 juni 1989, de moeder van partijen op 5 juni 2000, beiden onder achterlating van een op 5 april 1988 opgemaakt testament, inhoudende een ouderlijke boedelverdeling (artikel 4:1167 (oud) BW).

4.2.2. In voornoemd testament van zowel de vader als de moeder van partijen is onder F de navolgende bepaling opgenomen:

“Ik stel mijn erfgenamen in de rechte nederdalende linie vrij van de verplichting tot inbreng in mijn nalatenschap, tenzij en voorzover bij enige schenking anders is bepaald.”

4.2.3. Blijkens een schenkingsakte van 14 maart 1989 hebben de ouders aan zowel [A.] als aan [B.] onroerende zaken geschonken, onder de uitdrukkelijke verplichting tot inbreng van de waarde van het geschonkene in de nalatenschappen van de schenkers. De schenkingen zijn geschied onder uitdrukkelijk voorbehoud van levenslang zakelijk recht van vruchtgebruik ten behoeve van de langstlevende. [A.] heeft aldus – kort gezegd - de onroerende zaak aan [straatnaam 1] te [plaatsnaam], gemeente [gemeentenaam], hierna: het woonhuis, in eigendom verkregen. [B.] heeft aldus – kort gezegd - de onroerende zaak aan de [straatnaam 2] te [plaatsnaam], gemeente [gemeentenaam], hierna: de wasserij, en een stuk grond met opstallen aan de Op [straatnaam 3] te [plaatsnaam], gemeente [gemeentenaam], in eigendom verkregen.

4.2.4. Niet in geschil is dat [B.] – eenvoudig gezegd - op 14 maart 1989 een (restant)schuld van nfl. 80.000,- bij zijn ouders had wegens de overname van de wasserij van zijn ouders. Deze schuld heeft [B.] voor het overlijden van de moeder van partijen geheel aan haar terugbetaald.

4.3. Tussen partijen zijn geschillen ontstaan over de afwikkeling van de nalatenschappen van hun ouders. [B.] heeft een procedure jegens [A.] bij de rechtbank te Maastricht aanhangig gemaakt teneinde tot afwikkeling van die nalatenschappen te geraken. [A.] heeft een vordering in reconventie ingesteld.

4.4. In het vonnis van de rechtbank van 28 maart 2007 heeft de rechtbank [B.] toegelaten tot het bewijs van 2-tal stellingen. In het vonnis van 12 maart 2008, hersteld bij vonnis van 7 mei 2008, heeft de rechtbank in conventie een tweetal verklaringen voor recht gegeven en is [A.] veroordeeld om aan [B.] een bedrag van € 49.896,76 te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis. [A.] is in de proceskosten veroordeeld. In reconventie is bepaald dat [B.] een bedrag € 3.176,46 ter zake van een auto in de nalatenschap dient in te brengen. [B.] is deswege veroordeeld om aan [A.] een bedrag van € 1.588,23 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis. De proceskosten zijn in reconventie tussen partijen gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders in reconventie door [A.] gevorderde is door de rechtbank afgewezen.

4.5. Beide partijen kunnen zich niet geheel verenigen met voornoemde beslissingen van de rechtbank.

4.5.1. Het hof stelt eerstens vast dat [A.] haar hoger beroep mede heeft gericht tegen het herstelvonnis van de rechtbank van 7 mei 2008. Tegen de verbetering door de rechtbank van het vonnis van 12 maart 2008 staat evenwel geen hoger beroep open (artikel 31 lid 4 Rv), zodat [A.] in zoverre in haar hoger beroep niet-ontvankelijk is.

4.5.2. Hoewel [A.] in haar memorie van grieven aanvankelijk aangeeft dat zij het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof ter beoordeling voorlegt (derhalve zowel in conventie als in reconventie) komt zij daar vervolgens in punt 12 van haar memorie van grieven op terug. Zij stelt aldaar dat zij niet haar reconventionele vordering tot rekening en verantwoording handhaaft, maar wel haar vordering tot inbreng van de waarde van de auto en de verdelingsvordering. Nu [A.] geen grieven aanvoert tegen het door de rechtbank afwijzen van haar overige vorderingen in reconventie, begrijpt het hof haar vordering in hoger beroep aldus dat zij het geschil tussen partijen in conventie in volle omvang aan het hof ter beoordeling voorlegt, zich kan verenigen met de (afwijzende) beslissingen van de rechtbank in reconventie en – kort gezegd – haar verdelingsvordering handhaaft.

4.5.3. Het petitum van de memorie van grieven van [A.] sluit niet aan bij het petitum van haar hoger beroep-dag- vaarding en evenmin bij de inhoud van die memorie. Gelet op de inhoud van de memorie van grieven alsmede gelet op hetgeen bij gelegenheid van het pleidooi ter sprake is gekomen, begrijpt het hof de vordering van [A.] in hoger beroep aldus, dat zij vernietiging van de beroepen vonnissen nastreeft, voor zover haar grieven hiertegen zijn gericht.

4.5.4. De memorie van antwoord van [B.] bevat – anders dan het opschrift doet vermoeden - een incidentele grief. [A.] is niet in de gelegenheid gesteld hierop in een memorie van antwoord in incidenteel appel te reageren. Zij heeft bij gelegenheid van het pleidooi evenwel verweer op dit punt gevoerd.

4.5.5. In het petitum van de memorie van antwoord concludeert [B.] tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen. Het hof begrijpt voornoemd petitum (gelet op de incidentele grief en de toelichting daarop) aldus dat hij bekrachtiging van die vonnissen nastreeft, behoudens voor zover zijn incidentele grief daartegen is gericht.

4.6. Het hof stelt vast dat partijen tot algehele afwikkeling van de nalatenschappen van hun ouders wensen te geraken. Daartoe hebben partijen in dit hoger beroep de navolgende kwesties aan de orde gesteld:

a. de verrekening van een bedrag van nfl. 80.000,- bij gelegenheid van de schenkingen van 14 maart 1989;

b. de omvang van de door partijen in te brengen schenkingen op grond van de schenkingsakte van 14 maart 1989;

c. de verdeling van banksaldi en de opheffing van bankrekeningen;

d. de auto;

e. de (wijze van) afwikkeling van de nalatenschappen.

Het hof zal deze kwesties puntsgewijs bespreken.

4.7. Bij de beoordeling in deze stelt het hof voorop.

4.7.1. De nalatenschappen van de ouders van partijen zijn opengevallen voor de inwerkingtreding van het thans geldende erfrecht op 1 Januari 2003. Op grond van artikel 79 juncto 127 van de Overgangswet nieuw BW (Ow) blijft de ouderlijke boedelverdeling geldig.

4.7.2. Ingevolge artikel 69 juncto artikel 139 Ow blijft het tot 1 Januari 2003 geldende erfrecht gelden voor inbrengverplichtingen die bestaan in nalatenschappen die, zoals in onderhavige kwestie, vóór voornoemde datum zijn opengevallen. Dit geldt zowel voor de aanwijzing van degenen die tot inbreng zijn verplicht, als voor de omvang van hun inbrengverplichtingen en voor de waardering van de tot inbreng nopende giften (MvT, Kamerstukken II 1999/2000, 26 822, nr. 3, p. 27).

4.8. ad a) de verrekening van een bedrag van nfl. 80.000,- bij gelegenheid van de schenkingen op 14 maart 1989

4.8.1. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 28 maart 2007 [B.] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat het de bedoeling van de ouders van partijen bij de schenking van 14 maart 1989 was dat de op dat moment nog openstaande (restant)schuld van [B.] aan zijn ouders zou worden verrekend en derhalve niet meer behoefde te worden terugbetaald. In het vonnis van 12 maart 2008 heeft de rechtbank (rov. 2.4.6) beslist dat [B.] is geslaagd in voornoemde bewijsopdracht en dat hij door betaling van de schuld van nfl. 80.000,- in termijnen in feite twee keer heeft “betaald”, zodat [B.] daardoor fl. 80.000,- minder heeft ontvangen uit de nalatenschap.

4.8.2. [A.] stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist als hiervoor in rov. 4.8.1 is omschreven. Zij stelt dat volstrekt onduidelijk is op welke wijze het bedrag van nfl. 80.000,- bij de schenking verrekend zou zijn en acht een zogenaamde “dubbeltelling” niet aanwezig. [B.] acht de beslissing van de rechtbank juist. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

4.8.3. [B.] stelt dat in de verdeling van de nalatenschappen van zijn ouders een “dubbele betaling” van nfl. 80.000,- verrekend dient te worden omdat hij enerzijds de hiervoor in rov. 4.2.4 omschreven restantschuld van nfl. 80.000,- heeft afgelost, terwijl hij anderzijds voor dat bedrag werd onderbedeeld bij de schenking van het onroerend goed. Het bedrag van nfl. 80.000,- is bij de schenking verrekend, aldus [B.], doordat [A.] onroerende zaken geschonken heeft gekregen voor een hogere waarde dan [B.]. [B.] zou aldus tekort zijn gedaan.

4.8.4. Het hof volgt [B.] niet in voornoemde stellingen. Ook in de visie van [B.] (zie memorie van antwoord onder punt 33 en 34) staat vast dat de ouders van partijen bij gelegenheid van de schenkingen van de onroerende zaken geen schenking van een bedrag van nfl. 80.000,- aan [B.] hebben gedaan en evenmin de restantschuld aan hem hebben kwijtgescholden. Ook uit het aanslagbiljet recht van schenking (productie 7 bij akte van [A.] in eerste aanleg d.d. 20 september 2006) blijkt niet van enige bevoordeling van [B.] op dit punt, overigens ook niet ter zake van verrekening. Op welke wijze er sprake zou zijn geweest van verrekening is het hof niet duidelijk geworden. [B.] stelt dat de verrekening zou hebben plaatsgevonden doordat [A.] onroerende zaken geschonken heeft gekregen voor een hogere waarde dan de door de ouders aan [B.] geschonken onroerende zaken. Dié ongelijkheid tussen [A.] en [B.] wordt echter door de in de schenkingsakte neergelegde inbrengverplichting ongedaan gemaakt. [B.] heeft een schuld bij zijn ouders in verband met – kort gezegd – de overname van de wasserij afgelost. Hiertoe was hij contractueel ook gehouden, zoals hij zelf in zijn memorie van antwoord onder punt 37 aangeeft: “Uiteraard heeft [B.] voldaan aan de normale terugbetalingsverplichting van de schuld. Het feit dat er sprake is van een terugbetalingsverplichting, hetgeen [A.] erkent, impliceert tevens dat [B.] dus eenvoudigweg géén vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling op zijn ouders kán hebben gehad”. In de aflossing van die schuld ligt geen benadeling aan de zijde van [B.] of een bevoordeling aan de zijde van [A.] besloten.

4.8.5. De getuigenverklaring van notaris [C.] kan [B.] niet baten. Notaris [C.] geeft een juridische uitleg van de feitelijke gang van zaken. Die uitleg ligt ter beoordeling aan het hof voor en het hof onderschrijft die uitleg niet.

4.8.6. Uit vorenstaande volgt dat de in rov. 4.8.1 gegeven beslissingen van de rechtbank niet in stand kunnen blijven. De grieven van [A.] slagen in zoverre.

4.9. ad b) de omvang van de door van partijen in te brengen schenkingen op grond van de schenkings-akte van 14 maart 1989

4.9.1. Tussen partijen is in geschil of de waardering van de op 14 maart 1989 door de ouders aan [A.] en [B.] geschonken onroerende zaken dient te geschieden tegen de waarde zoals bepaald in de taxatie van [D.] en [E.] van 1 december 1987 omdat dit de bedoeling van de ouders van partijen zou zijn geweest (visie van [B.]) dan wel tegen de waarde van de onroerende zaken op het moment van de schenking (visie [A.]).

4.9.2. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 28 maart 2007 [B.] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat het de bedoeling van de ouders van partijen bij de schenking van 14 maart 1989 was dat bij de latere inbreng in de nalatenschap als waarde van de aan elk van hun kinderen geschonken onroerende zaken de waardes zouden worden aangehouden zoals die blijken uit de taxaties van makelaar [D.] en [E.] per 1 december 1987. In het vonnis van 12 maart 2008 heeft de rechtbank (rov. 2.3) beslist dat [B.] geslaagd is in voornoemde bewijsopdracht, is voor recht verklaard dat de inbreng van de onroerende zaken dient te geschieden tegen de in voornoemde taxatie vastgestelde waardes en aldus bij de vaststelling van het door [A.] aan [B.] te betalen bedrag in aanmerking genomen.

4.9.3. Ingevolge het hiervoor in rov. 4.7.2 omschreven overgangsrecht dient de verplichting tot inbreng beoordeeld te worden naar het voor 1 januari 2003 geldende erfrecht. Bij de toepassing van artikel 4:1132 (oud) BW moet worden uitgegaan van een geobjectiveerd schenkingsbegrip. Van dit geobjectiveerd schenkingsbegrip moet niet alleen worden uitgegaan bij de beantwoording van de vraag óf er sprake is van een verplichting tot inbreng, maar ook bij het bepalen van de hoogte van de inbreng (HR 11 april 2003, NJ 2003/493). De rechtbank heeft dit miskend door belang te hechten aan de bedoeling van de ouders van partijen.

4.9.4. Uitgangspunt voor de in te brengen waarde van de onroerende zaken is aldus de (geobjectiveerde) waarde hiervan op de datum van de schenking, derhalve de waarde op 14 maart 1989. Partijen hebben bij gelegenheid van het pleidooi te kennen gegeven dat zij – voor het geval het hof zou uitgaan van de waarde op de datum van de schenking - om proceseconomische redenen kunnen instemmen met een waarde van de onroerende zaken op die peildatum als door de rechtbank in het tussenvonnis van 28 maart 2008 berekend en bepaald (rov. 3.1.1), te weten:

- woonhuis € 110.041,70 ([A.]);

- wasserij € 40.840,22 ([B.]);

- Op [straatnaam 3] € 22.689,01 ([B.]).

Voorts hebben partijen aangegeven in te kunnen stemmen met de door de rechtbank (in navolging van de belastingdienst blijkens het aanslagbiljet recht van schenking) gehanteerde correctie op voornoemde waarden in verband met de waarde van het levenslang vruchtgebruik van de moeder van partijen. Dit leidt er toe dat:

- [A.] dient in te brengen een bedrag van 64% x € 110.041,07, derhalve een bedrag van € 70.426,69, en - [B.] dient in te brengen een bedrag van 64% x € 63.529,22, derhalve een bedrag van € 40.658,71.

4.9.5. Uit vorenstaande volgt dat de in rov. 4.9.2 gegeven beslissingen van de rechtbank niet in stand kunnen blijven. De grieven van [A.] slagen derhalve in zoverre.

4.10. ad c) de verdeling van banksaldi en de opheffing van bankrekeningen

4.10.1. Bij gelegenheid van het pleidooi zijn tussen partijen hieromtrent afspraken gemaakt. De saldi van de bij partijen bekende bankrekeningen komen aan [A.] toe, onder de gehoudenheid harerzijds de helft van voornoemde saldi (inclusief rente) aan [B.] te voldoen. [B.] zal, op eerste verzoek van [A.], alle medewerking verlenen aan de opheffing van die bankrekeningen dan wel aan de wijziging van de tenaamstelling daarvan.

4.11. ad d) de auto

4.11.1. De rechtbank heeft (in reconventie) beslist dat [B.] de waarde van de door hem verkochte auto van € 3.176,46 dient in te brengen in de nalatenschap. [B.] is veroordeeld om aan [A.] te betalen een bedrag van € 1.588,23, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening.

4.11.2. [B.] is het niet eens met voornoemde beslissingen van de rechtbank. Hij stelt zich op het standpunt dat hij op grond van de hiervoor in rov. 4.2.2 weergegeven bepaling in het testament van zijn moeder (de vrijstelling van inbreng van schenkingen) niet gehouden is tot inbreng in de nalatenschap van de verkoopopbrengst van de auto.

4.11.3. [B.] heeft bij gelegenheid van het pleidooi desgevraagd medegedeeld dat de auto in kwestie – die op naam van moeder stond - door hem na het overlijden van moeder is verkocht aan een chauffeur van het bedrijf. [B.] is van mening dat de verkoopopbrengst geheel aan hem toekomt, omdat hij alle tot de nalatenschap behorende inboedelgoederen aan [A.] heeft gelaten.

4.11.4. Uit vorenstaande feitenrelaas volgt, naar het oordeel van het hof, dat er geen sprake is van een schenking van de auto van moeder aan [B.], zodat van een vrijstelling tot inbreng in de nalatenschap evenmin sprake kan zijn. Het hof is van oordeel dat [B.] een tot de nalatenschap van moeder behorend boedelbestanddeel te gelde heeft gemaakt. [A.] heeft recht op de helft van de verkoopopbrengst van de auto. Het hof volgt [B.] niet in zijn stelling dat hij gerechtigd was deze verkoopopbrengst te verrekenen met door hem achtergelaten inboedelgoederen. Het is immers zijn eigen keus geweest deze goederen achter te laten. Daarbij merkt het hof nog op dat [B.] het door de rechtbank afwijzen van zijn vordering met betrekking tot “de inbreng van de inboedelgoederen” in hoger beroep niet heeft bestreden. Het vonnis van de rechtbank wordt op dit punt bekrachtigd. De incidentele grief van [B.] faalt.

4.12. ad e) de afwikkeling van de nalatenschappen

4.12.1. [A.] heeft het hof verzocht om ingevolge artikel 3:185 BW de wijze van verdeling te gelasten dan wel de verdeling zelf vast te stellen. Het hof acht zich daartoe onvoldoende voorgelicht. Zo beschikt het hof slechts over een aangiftebiljet voor het recht van successie van de vader van partijen. Blijkens de parlementaire geschiedenis op artikel 3:185 BW (Parl. Gesch. Boek 3, p. 617 en 619) is het aan de geadieerde rechter de wijze van verdeling te gelasten. Dit betekent dat een rechter in geval van een geschil ten aanzien van de verdeling van een gemeenschap bevoegd is de geschillen zo te beslechten als hem – rekening houdend met de belangen van partijen en met het algemeen belang – verantwoord voorkomt. Zelfs kan hij niet voorgestelde oplossingen bevelen.

4.12.2. Het hof acht het noodzakelijk dat de verdeling van de nalatenschap van de moeder van partijen – met inachtneming van hetgeen in onderhavig arrest door het hof is beslist - plaatsvindt ten overstaan van een notaris nu, gelet op de geschillen tussen partijen in het verleden en de door het hof bij gelegenheid van het pleidooi waargenomen animositeit tussen hen beiden, te verwachten valt dat voornoemde verdeling opnieuw tot geschillen tussen partijen en mogelijk tot nieuwe gerechtelijke procedures zal leiden. De notaris wordt dan ook in de gelegenheid gesteld om geschilpunten die in de loop van zijn werkzaamheden rijzen, aan het hof voor te leggen.

4.12.3. De kosten van de notaris dienen door partijen ieder voor de helft te worden gedragen.

4.12.4. Met het oog op een goede voortgang van de werkzaamheden die tot de verdeling moeten leiden zal het hof een raadsheer-commissaris benoemen.

4.13. Het hof zal aldus beslissen.

5. De uitspraak

Het hof:

in principaal en incidenteel appel:

veroordeelt partijen over te gaan tot verdeling en vereffening van de nalatenschap van hun moeder, ten overstaan van de door partijen gezamenlijk te kiezen, respectievelijk hierna te noemen notaris, met inachtneming van de door het hof in onderhavig arrest gegeven beslissingen en de tussen partijen gemaakte afspraken als weergegeven in rov. 4.10.1;

benoemt, indien partijen niet binnen een maand na heden over de keuze van de persoon van de notaris overeenstemming hebben bereikt, tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van de verdeling zullen geschieden

mr. [F.]

Notariaat [kantoornaam]

[straatnaam]

[postcode] [vestigingsplaats]

tel [telefoonnummer];

beveelt de griffier de notaris van diens benoeming schriftelijk in kennis te stellen;

bepaalt dat elk van partijen voor de gekozen of benoemde notaris te dien einde moeten verschijnen op de door deze te bepalen tijd en plaats;

houdt iedere verdere beslissing aan tot dat ofwel de meest gerede partij door tussenkomst van diens advocaat en met afschift aan de advocaat van de wederpartij en aan de notaris, dan wel de notaris schriftelijk en met afschrift aan de advocaten van elk van partijen, het hof heeft bericht dat een nadere beslissing op een of meer geschilpunten noodzakelijk is omdat de notaris partijen niet heeft kunnen verenigen;

bepaalt dat de notaris in geval deze diens werkzaamheden heeft beëindigd het hof daarvan schriftelijk in kennis zal stellen;

bepaalt dat de kosten van de notaris door partijen ieder voor de helft dienen te worden gedragen;

benoemt tot raadsheer-commissaris, mr. N.J.M. Van Etten;

verwijst de zaak naar de rol van 27 oktober 2009 voor deskundigenbericht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Van Gink en Mellema-Kranenburg en uitgesproken door de rolraadsheer in het openbaar op 30 juni 2009.