Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK3716

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
20-004113-07 OWV
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BQ8627, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ8627
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Ontneming van voordeel dat is verkregen uit strafbare feiten die voor 1 maart 1993 zijn gepleegd, is niet mogelijk. De wetgever kent aan de ontnemingswetgeving namelijk geen terugwerkende kracht toe. 2. Veroordeelde heeft de vóór 1 maart 1993 uit misdrijven genoten inkomsten ook nadien aan het zicht van justitie onttrokken. Die door veroordeelde tentoongespreide handelingen duiden op handelingen die geschikt en bestemd zijn om de werkelijke aard, herkomst en vindplaats te verbergen en/of te verhullen. Die handelingen zijn strafbaar gesteld bij artikel 420bis juncto 420ter Wetboek van Strafrecht, welke bepalingen met ingang van 14 december 2001 in werking zijn getreden. 3. Ook het voor 1 maart 1993 door de veroordeelde genoten voordeel kan daarom worden ontnomen, doordat dit voordeel nadien voorwerp is geweest van witwaspraktijken. 4. Witwassen kan ook plaatsvinden ten aanzien van vermogensbestanddelen die zijn verkregen uit misdrijven die op het moment van het witwassen niet meer kunnen worden vervolgd wegens verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOW 2010, 23 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-004113-07 OWV

Uitspraak : 17 november 2009

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 29 oktober 2007 op de vordering ex artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 04-660043-02 tegen:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1954],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

postadres: [woonplaats], [adres]

Hoger beroep

De veroordeelde en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 oktober 2009 alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beroepen beslissing zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de hoogte van het door verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op een bedrag van EUR 4.683.836,70, en de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat tot een bedrag van EUR 3.434.060,10, te verminderen met de vermogensbestanddelen die zijn verbeurdverklaard bij arrest van dit hof van 29 november 2006, parketnummer 20-000044-06, en te vermeerderen met het vervolgprofijt.

Uitspraak waarvan beroep

De beroepen uitspraak zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.

Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 29 november 2006 (parketnummer 20-000044-06) veroordeeld tot straf ter zake van de uitvoer van hasjiesj en van pillen bevattende MDMA, alsmede ter zake van gewoontewitwassen.

Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten en van feiten die er gelet op het tegen veroordeelde ingestelde Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (voortaan: SFO) op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, waaronder in elk geval witwassen en drugshandel, een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.

Wederrechtelijk verkregen voordeel vóór 1 maart 1993

In lijn met hetgeen door de verdediging is betoogd, stelt het hof voorop dat ontneming van voordeel dat is verkregen uit strafbare feiten die vóór 1 maart 1993 zijn gepleegd, niet mogelijk in. De wetgever kent aan de ontnemingswetgeving namelijk geen terugwerkende kracht toe. De Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 1989-1990, 21504, nr. 3, p. 78) luidt dienaangaande:

“Voor wat betreft de materiële bepalingen geldt het voorschrift van artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dat houdt naar het oordeel van de ondergetekende in, dat met name het verruimde toepassingsbereik van artikel 36e Sr, enerzijds in het tweede lid ter zake van voordeel verkregen door middel van of uit baten van soortgelijke feiten en anderzijds in het derde lid ter zake van het wederrechtelijk voordeel dat ook op enigerlei andere wijze is verkregen, niet met terugwerkende kracht toepassing kan krijgen. Ontneming van dergelijk voordeel kan slechts worden gelast voor zover vaststaat dat de “soortgelijke” feiten (lid 2) of andere omstandigheden waaruit op enigerlei wijze wederrechtelijke voordeel is verkregen (lid 3) zich na het tijdsip van inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving hebben voorgedaan.

Voordeel verkregen uit strafbare feiten die op of na 1 maart 1993 zijn gepleegd, kan wel worden ontnomen. Dit brengt met zich dat voordeel dat uit een strafbaar feit van vóór 1 maart 1993 is verkregen, alsnog kan worden ontnomen indien dat voordeel na 1 maart 1993 opnieuw het resultaat is van een ander strafbaar feit.

Toegespitst op de onderhavige zaak, overweegt het hof het volgende.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de door de veroordeelde voor 1 maart 1993 uit misdrijven genoten inkomsten ook daarna aan het zicht van justitie onttrokken werden gehouden doordat daaraan kennelijk een legale herkomst werd verschaft. De door veroordeelde tentoongespreide handelingen duiden op handelingen die geschikt en bestemd zijn om de werkelijke aard, herkomst en vindplaats te verbergen en/of te verhullen. Voornoemde handelingen zijn strafbaar gesteld bij artikel 420bis juncto 420ter Wetboek van Strafrecht, welke bepalingen met ingang van 14 december 2001 in werking zijn getreden. Ook het voor 1 maart 1993 door de veroordeelde genoten voordeel kan daarom worden ontnomen, doordat dit voordeel nadien voorwerp is geweest van witwaspraktijken.

Het hof overweegt in dit kader dat witwassen ook kan plaatsvinden ten aanzien van vermogensbestanddelen die zijn verkregen uit misdrijven die op het moment van het witwassen niet meer kunnen worden vervolgd wegens verjaring.

Gelet op het voorgaande dienen de verweren van de verdediging voor zover deze inhouden:

- dat vóór 14 december 2001 geen aanwijsbaar strafbaar feit is gepleegd waaruit voordeel is verkregen; en

- dat geen ontneming mag plaatsvinden ten aanzien van voordeel dat is verkregen uit reeds verjaarde feiten;

te worden verworpen.

Basis van de ontnemingsvordering

De onderhavige ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikellid luidt:

“Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijke verkregen voordeel, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.”

In de strafzaak die aan de onderhavige ontnemingszaak ten grondslag ligt, is de veroordeelde veroordeeld wegens onder andere het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod en gewoontewitwassen. Dit zijn misdrijven, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Voorts is tegen de veroordeelde een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld. Derhalve is aan de voorwaarden voldaan om voordeel te ontnemen dat wederrechtelijk is verkregen uit die feiten of andere strafbare feiten die er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Niet is vereist dat de veroordeelde voor de ‘andere strafbare feiten die er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen’ is veroordeeld.

Evenmin is vereist dat die andere feiten soortgelijk zijn aan de feiten waarvoor de veroordeelde wel veroordeeld is.

De verweren van de verdediging voor zover deze inhouden dat geen voordeel kan worden ontnomen voor zover er in de periode vanaf 1 maart 1993 geen sprake is geweest van soortgelijke feiten (drugsdelicten of witwassen), worden derhalve verworpen.

Rekenmethode

In de onderhavige ontnemingszaak is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend volgens de methode van vermogensvergelijking. Voor zover het vermogen van de veroordeelde niet kan worden verklaard uit legale inkomsten, kan worden aangenomen dat dit vermogen uit niet legale bron afkomstig is, derhalve uit strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en/of uit andere strafbare feiten. Het vermogen uit niet legale bron kan in de onderhavige zaak op grond van artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht worden ontnomen.

De verweren van de verdediging voor zover die inhouden dat geen voordeel ontnomen kan worden, omdat een aanwijsbare illegale bron ontbreekt, treffen derhalve geen doel. Gelet op de methode van voordeelsberekening en het bepaalde in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, is immers alleen relevant of het aannemelijk is dat het vermogen uit een legale bron afkomstig is.

Uitgangspunt

Het hof zal evenals de rechtbank het proces-verbaal van bevindingen van het Bureau Financiële Ondersteuning (BFO-proces-verbaal), opgemaakt naar aanleiding van een SFO jegens veroordeelde en [betrokkene], als uitgangspunt nemen voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Beginvermogen

Het hof volgt de rechtbank in de redenering dat een deel van vermogen dat de veroordeelde in 1995 had, aangemerkt kan worden als wederrechtelijk verkregen vermogen. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat van de vorderingen op [naam] en [naam] niet zondermeer aannemelijk is dat deze uit illegale bron afkomstig zijn. Het binnenlands beginvermogen in 1995 wordt derhalve door het hof, in navolging van de rechtbank en in afwijking van het BFO-proces-verbaal vastgesteld op (EUR 60.022,70 minus EUR 36.378,41) EUR 23.644,29.

Het hof gaat voorts, overeenkomstig de berekening in het BFO-proces-verbaal uit van een buitenlands beginvermogen van EUR 1.030.928,40. Dat het buitenlands beginvermogen voor een groter gedeelte is gegenereerd uit legale activiteiten is - bij gebrek aan onderbouwing door de verdediging - volstrekt niet aannemelijk geworden.

Legale inkomsten uit autohandel

De verdediging heeft aangevoerd dat een deel van het tussen 1995 en 2005 verworven vermogen uit legale bron afkomstig is. In de eerste plaats wordt de autohandel van de veroordeelde genoemd. Het hof acht aannemelijk dat de veroordeelde legale inkomsten heeft genoten uit de autohandel.

Het hof volgt - grotendeels - de rechtbank in haar berekening van deze inkomsten, door uit de kasopstelling in bijlage 8.1 van het BFO-proces-verbaal de bedragen op te tellen die betrekking hebben op de autohandel, namelijk:

2000: EUR 28.361,26 correctie verkopen auto’s (contante inkoop)

2002: EUR 20.420,11 correctie verkopen auto’s (contante inkoop)

2003: EUR 20.500,00 aankoop Porsche 911, [kenteken] (ingeruilde Saab)

EUR 24.500,00 aankoop Porsche 911, [kenteken]

EUR 18.500,00 correctie verkopen auto’s (contante inkoop)

2004: EUR 50.000,00 contante storting kasgeld autohandel

EUR 7.500,00 aankoop auto Alfa Romeo, kent. [kenteken]

EUR 25.000,00 aankoop auto Mercedes 320S, kent. [kenteken]

EUR 18.500,00 aankoop auto Jaguar, kenteken [kenteken]

EUR 11.500,00 aankoop auto Mercedes E230, kent. [kenteken]

EUR 86,50 overige autokosten

EUR 103.125,00 correctie verkopen auto’s (contante inkoop)

2005: EUR 22.500,00 aankoop auto Mercedes Benz E270

EUR 22.500,00 aankoop auto Mercedes Benz C220 cdi

EUR 53.194,69 toename kasgeld

_________________________________________

Totaal: EUR 426.187,56

Voorts zal het hof de legale inkomsten uit autohandel schatten over de jaren 1995 tot en met 1999 en 2001.

Gelet op de inkomsten in 2000 en 2002 tot en met 2005, gaat het hof uit van een gemiddeld jaarinkomen uit autohandel van (EUR 426.187,56 : 5 jaren) EUR 85.237,51.

In de jaren 1995 tot en met 1999 en 2001 zou derhalve (EUR 85.237,51 x 6 jaren)

EUR 511.425,07 kunnen zijn verdiend.

Het hof volgt de advocaat-generaal niet in de stelling dat de waarde van de auto’s die op het moment van aanhouding van veroordeelde in 2005 nog niet waren verkocht, op het legale vermogen van de veroordeelde in mindering moet worden gebracht. Deze auto’s behoren immers tot de voorraad van de legale autohandel van de veroordeelde.

De totale legale inkomsten uit autohandel in de periode van 1995 tot en met 2005 schat het hof derhalve op: EUR 426.187,56 + EUR 511.425,07 = EUR 937.612,63

Bloemenhandel

Anders dan de rechtbank acht het hof niet aannemelijk dat de veroordeelde in de periode van 1995 tot en met 2005 legale inkomsten uit bloemenhandel heeft verkregen. De verdediging heeft daartoe geen begin van bewijs bijgebracht. Op geen enkele wijze zijn de gestelde inkomsten uit bloemenhandel onderbouwd. Het hof zal dan ook geen geschat inkomen uit bloemenhandel in mindering te brengen op het te berekenen wederrechtelijk verkregen voordeel.

Goederen ten aanzien waarvan witwassen niet bewezen is verklaard

De verdediging heeft betoogd dat het geld dat en de voorwerpen die tot het verkregen vermogen van de veroordeelde behoren en ten aanzien waarvan niet bewezen is verklaard dat de veroordeelde deze heeft witgewassen, niet mogen worden betrokken in de voordeelsberekening. De verdediging doelt dan op de voorwerpen genoemd in het ten laste gelegde onder 4, aangeduid met de letters d, e, f, g, h, i, k, l, s, w, x en y, in het arrest van het hof van 29 november 2006 met parketnummer 20-000044-06. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst de verdediging naar het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2007, LJN AY6714 en het arrest Geerings van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Het hof is van oordeel dat de redenering van de verdediging in het onderhavige geval niet opgaat. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt namelijk berekend aan de hand van de methode van vermogensvergelijking. Voor zover het vermogen van de veroordeelde niet kan worden verklaard uit legale inkomsten, wordt ervan uitgegaan dat strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde het voordeel heeft verkregen. Door de enkele vrijspraak van het witwassen van bepaalde voorwerpen, is nog niet aannemelijk geworden dat die voorwerpen een legale herkomst hebben. Het hof zal derhalve niet de waarde van de bedoelde goederen in mindering brengen op het te berekenen wederrechtelijk verkregen voordeel.

Woning

De verdediging heeft aangevoerd dat de tegenwaarde van de woning aan de [adres 2] te [woonplaats], welke woning volgens de opstelling op pagina 203 van het BFO-proces-verbaal een waarde van EUR 81.800,00 vertegenwoordigt, in mindering dient te worden gebracht op het ontnemingsbedrag. De verdediging verwijst daarbij naar een beschikking op beklag omtrent inbeslaggenomen goederen, afgegeven door dit hof op 22 juli 2009, OV-nummer 008070-06, WL-nummer 20-000044-06. In die beschikking staat dat de zoon van de veroordeelde in maart 1999 de appartementsrechten van voormelde woning geleverd heeft gekregen. Het beklag gericht tegen het beslag op de woning is gegrond verklaard. Het hof heeft daarbij overwogen dat niet uitgesloten kan worden dat het, op het moment dat klager (de zoon van de veroordeelde) de appartementsrechten verwierf, voor klager niet kenbaar was dat de daartoe aangewende gelden waren verkregen uit de door [veroordeelde] (veroordeelde) gepleegde strafbare feiten, dan wel dat hij dat redelijkerwijs had moeten vermoeden.

Het hof overweegt dat de beschikking van 22 juli 2009 onverlet laat dat de woning is gekocht met vermogen dat wederrechtelijk door de veroordeelde is verkregen. Dat de veroordeelde dat vermogen heeft aangewend ten behoeve van de aanschaf van een woning voor zijn zoon, neemt niet weg dat de het daarmee gemoeide bedrag deel uitmaakt van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen vermogen en als zodanig kan worden ontnomen. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Samenlevingsverband met partner

De stelling dat de veroordeelde niet een vast samenlevingsverband vormde met zijn partner [betrokkene] is onvoldoende onderbouwd. Naar het oordeel van het hof is de stelling niet aannemelijk geworden, zodat het hof hier geen rekening mee zal houden bij de berekening van het voordeel.

Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel

In het BFO-proces-verbaal wordt geconcludeerd dat in de jaren 1995 tot en met 2005 ten minste een bedrag van EUR 1.012.145,66 aan binnenlands vermogen uit andere (dan de bekende legale) inkomensbronnen afkomstig moet zijn geweest. Het hof heeft vastgesteld dat daarvan een deel ter grootte van EUR 937.612,63 kan worden aangemerkt als gegenereerd uit de autohandel.

Voor het overige is geen legale herkomst aannemelijk geworden. Het hof gaat er daarom vanuit dat de vermogensaangroei uit niet legale bron (EUR 1.012.145,66 - EUR 937.612,63) EUR 74.533,03 is.

Tezamen met het reeds vastgestelde beginvermogen uit niet legale bron, te weten

EUR 23.644,29, moet het wederrechtelijk verkregen binnenlands vermogen worden vastgesteld op EUR 98.177,32.

In het BFO-proces-verbaal is het vervolgprofijt uit niet legale bron verkregen binnenlands vermogen geschat op een bedrag van EUR 33.361,24. De berekening van dat vervolgprofijt is gebaseerd op (een beginvermogen van EUR 60.022,70 + een vermogensaangroei van EUR 1.012.145,66) EUR 1.072.168,36, terwijl het hof het uit niet legale bron verkregen binnenlands vermogen heeft vastgesteld op een bedrag van EUR 98.177,32. Het vervolgprofijt dient derhalve evenredig lager te worden vastgesteld, en wel op een bedrag van EUR 3.054,85.

In het BFO-proces-verbaal wordt voorts geconcludeerd dat in de jaren 1995 tot en met 2005 ten minste een bedrag van EUR 2.117.827,74 aan buitenlands vermogen uit andere (dan de bekende legale) inkomensbronnen afkomstig moet zijn geweest. Deze vermogensaangroei kan in het geheel niet verklaard worden uit legale activiteiten. Het hof gaat er dan ook van uit dat deze vermogensaangroei wederrechtelijk is verkregen. Tezamen met het reeds vastgestelde buitenlands beginvermogen uit niet legale bron, te weten EUR 1.030.928,40, moet het wederrechtelijk verkregen buitenlands vermogen worden vastgesteld op EUR 3.148.756,14

Het hof zal het vervolgprofijt uit niet legaal verkregen buitenlands vermogen, overeenkomstig hetgeen in het BFO-proces-verbaal is berekend, vaststellen op een bedrag van EUR 867.839,42.

Het vervolgprofijt heeft ook betrekking op het door het hof vastgestelde beginvermogen, nu naar het oordeel van het hof ook dit beginvermogen als wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden aangemerkt. Voor zover de verdediging hiertegen verweer heeft gevoerd, wordt dat verweer derhalve verworpen.

Gelet op het voorgaande, stelt het hof het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van (EUR 98.177,32.+ EUR 3.054,85 + EUR 3.148.756,14 + EUR 867.839,42) EUR 4.117.827,73.

Op te leggen betalingsverplichting

Bij de op te leggen betalingsverplichting dient rekening te worden gehouden met vermogen dat bij onherroepelijk geworden arrest van dit hof van 29 november 2006, parketnummer 20-000044-06, verbeurd is verklaard. Dit vermogen is reeds ‘ontnomen’ zodat de betalingsverplichting zich niet mede over dat vermogen kan uitstrekken. Gelet op het dictum van voornoemd arrest dienen de volgende vermogensbestanddelen in mindering te worden gebracht op de betalingsverplichting:

- Geld: EUR 927.106,84

- Waarde van depots en beleggingsrekeningen: EUR 322.669,76

Subtotaal: EUR 4.117.827,73 - EUR 927.106,84 - EUR 322.669,76 = EUR 2.868.051,13

Daarop dient voorts nog in mindering te worden gebracht:

- US 418,00

- CHF 3.940,00

- De tegenwaarde van:

o Een speedboot, Mariah SX 1800, met het nummer [nummer]

o Een aanhangwagen, Freewheel 1514 LB, gekentekend [kenteken]

o Een doos met één halsketting met bijpassende oorbellen

o Een horloge Franck Muller bezet met briljant

o Een horloge Cartier

o Een horloge Gianni Versace

o Een goudkleurige ring met steen

o Een goudkleurige ring met 10 kleine steentjes en in het midden een grote steen

o Een goudkleurige ring, bezet met 11 steentjes, en een horloge Chopard.

Matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn

Vaststaat dat de veroordeelde op 7 maart 2005 een afschrift van de machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek heeft ontvangen. Het hof hanteert die datum als aanvangsdatum voor de redelijke termijn. Op 29 oktober 2007, ruim twee en een half jaar later, heeft de rechtbank Roermond uitspraak gedaan in deze ontnemingszaak. De redelijke termijn is derhalve in eerste aanleg overschreden.

Op 7 november 2007 heeft de veroordeelde hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak in eerste aanleg. Op 17 november 2009 doet het hof uitspraak in deze ontnemingszaak. Ook in hoger beroep is de redelijke termijn derhalve - in geringe mate - overschreden.

Hoewel deze ontnemingszaak gekenmerkt wordt door een tamelijk omvangrijk onderzoek en een zekere mate van ingewikkeldheid, acht het hof geen omstandigheden aanwezig die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. Het hof zal de betalingsverplichting daarom matigen met een bedrag van EUR 5.000, derhalve tot EUR 2.863.051,13, verminderd met hetgeen wegens verbeurdverklaring in mindering moet worden gebracht.

Financiële positie veroordeelde

Door de verdediging is nog - niet nader onderbouwd - aangevoerd dat de veroordeelde ‘financieel volkomen is afgebrand’. Het hof ziet in deze enkele stelling geen aanleiding de betalingsverplichting verder te matigen.

Vervolgprofijt

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de betalingsverplichting zich mede uitstrekt tot wederrechtelijk verkregen voordeel in de vorm van rente en koersstijgingen welke worden ontvangen op in beslag genomen gelden en effecten en op gelden die Justitie onder zich heeft als gevolg van vervreemding van in beslag genomen goederen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van EUR 4.117.827,73 (vier miljoen honderdzeventienduizend achthonderdzevenentwintig euro en drieënzeventig cent) vermeerderd met:

het vervolgprofijt over het wederrechtelijk verkregen voordeel vanaf de datum van inbeslagneming.

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van EUR 2.863.051,13 (twee miljoen achthonderddrieënzestigduizend eenenvijftig euro en dertien cent) verminderd met:

- US 418,00

- CHF 3.940,00

- De tegenwaarde van:

o Een speedboot, Mariah SX 1800, met het nummer [nummer]

o Een aanhangwagen, Freewheel 1514 LB, gekentekend [kenteken]

o Een doos met één halsketting met bijpassende oorbellen

o Een horloge Franck Muller bezet met briljant

o Een horloge Cartier

o Een horloge Gianni Versace

o Een goudkleurige ring met steen

o Een goudkleurige ring met 10 kleine steentjes en in het midden een grote steen

o Een goudkleurige ring, bezet met 11 steentjes, en een horloge Chopard en

vermeerderd met:

het vervolgprofijt over het wederrechtelijk verkregen voordeel vanaf de datum van inbeslagneming.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. V.M. van Daalen-Mannaerts en mr. J.H.M. Westenbroek,

in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof, griffier,

en op 17 november 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.H.M. Westenbroek is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.