Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK3481

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
20-002117-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2008:BD2941, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maïsmoord in 2006

Verdachte veroordeeld wegens moord tot 16 jaar gevangenisstraf.

Betrouwbaarheid getuigen

Verdachte heeft telkens wisselende verklaringen afgelegd en heeft tijdens zijn verhoren verschillende personen aangewezen die volgens hem de moord zouden hebben gepleegd.

Verdachte heeft echter ook zichzelf als dader aangewezen. Volgens het oordeel van het hof heeft verdachte daarbij blijk gegeven van specifieke daderkennis. Daarnaast heeft verdachte tegenover een getuige in de gevangenis verklaard dat hij de moord zelf had gepleegd. Het hof acht deze getuige geloofwaardig. Voorts heeft de eerdere medeverdachte op 1 maart 2007 een verklaring afgelegd, waarbij zij verdachte heeft aangewezen als degene die in het maïsveld de keel van het slachtoffer moet hebben doorgesneden. Hoewel het hof met de raadsman van oordeel is dat op de consistentie van haar latere verklaringen op onderdelen iets valt af te dingen, is het hof van oordeel dat haar verklaringen van 1 maart 2007 in voldoende mate betrouwbaar kunnen worden geacht. In de eerste plaats betreffen de inconsistenties ondergeschikte punten die het wezen van de verklaringen niet beïnvloeden. De verklaringen vinden bovendien steun in andere (objectief bepaalbare) bewijsmiddelen, zoals de resultaten van het schoensporenonderzoek en de aanwezigheid van een getuige in de omgeving van de plaats delict. Ten slotte hecht het hof in het kader van de betrouwbaarheid van deze verklaringen veel waarde aan de verbatim opgemaakte processen-verbaal van de verhoren van 1 maart 2007. Het hof betrekt daarbij hetgeen is waargenomen op de in raadkamer bekeken beeldopnamen van die verhoren.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan naar het oordeel van het hof op geen enkele wijze worden afgeleid dat de eerdere medeverdachte, zoals door verdachte wordt gesteld, zich op enig moment in het maïsveld heeft bevonden. Alles overziende is het hof van oordeel dat het verdachte is geweest die het slachtoffer de verwondingen in haar hals heeft toegebracht, die haar vervolgens fataal zijn geworden.

Verdachte heeft voldoende gelegenheid gehad om zich te beraden op de betekenis of gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Derhalve acht het hof de ten laste gelegde moord wettig en overtuigend bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-002117-08

Uitspraak : 17 november 2009

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van

2 juni 2008 in de strafzaak met parketnummer 02-811689-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1981],

thans verblijvende in Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 augustus 2006 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam en/of Rijen, gemeente Gilze en Rijen, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland en/of Turnhout, in elk geval in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de keel/hals van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden en/of het gezicht van die [slachtoffer] op de grond gebracht/gelegd en/of laten liggen en/of die [slachtoffer] met de voorzijde van het lichaam (op haar buik) op de grond gebracht/gelegd en/of laten liggen, (mede) tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 augustus 2006 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, met een mes, in de keel/hals van die [slachtoffer] gesneden en het gezicht van die [slachtoffer] op de grond gebracht/gelegd en laten liggen en die [slachtoffer] met de voorzijde van het lichaam (op haar buik) op de grond gebracht/gelegd en laten liggen, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Het hof is van oordeel dat de zijdens verdachte bepleite vrijspraak van de ten laste gelegde feiten wordt weersproken door de bewijsmiddelen.

B.

Daartoe overweegt het hof als volgt.

Op 26 augustus 2006 is in een maïsveld aan de Kloosterstraat te Chaam het levenloze lichaam gevonden van [slachtoffer]. Blijkens het sectierapport is het slachtoffer overleden door massaal bloedverlies uit de bij haar geconstateerde snijletsels aan de hals, die haar bij leven zijn toegebracht. [verdachte] wordt ervan verdacht dat hij deze letsels heeft toegebracht.

C.1.1

De verdachte heeft op enig moment erkend dat hij dat hij degene is geweest die in de nacht van 25 op 26 augustus 2006 het slachtoffer in het maïsveld heeft neergelegd. Tot op de terechtzitting in hoger beroep is de verdachte bij deze verklaring gebleven.

C.1.2

Omtrent de (overige) gebeurtenissen in de nacht van 25 op 26 augustus 2006 heeft verdachte vanaf zijn aanhouding in september 2006 wisselende verklaringen afgelegd. Telkens weer heeft hij zijn verklaring bijgesteld of gewijzigd, bijna steeds voorafgegaan door de mededeling dat hij vanaf dat moment naar waarheid zou gaan verklaren.

C.1.3

Tijdens zijn verhoren heeft hij verschillende personen aangewezen die volgens hem het strafbare feit zouden hebben gepleegd.

Zo heeft hij eerst de man met de kromme vinger (het hof begrijpt: [naam]) aangewezen als vermoedelijke dader, vervolgens heeft hij gesproken over ene "[voornaam]" die de keel van het slachtoffer zou hebben oversneden, om ten slotte zijn toenmalige vriendin [naam ex-vriendin] als schuldige naar voren te schuiven.

C.1.4

Verdachte heeft echter niet stééds een ander aangewezen als de dader. Op 3 oktober 2006 heeft hij tijdens een verhoor bij de politie in België een verklaring afgelegd (B.2.5. na 16.57 uur), waarbij hij zichzelf als dader heeft aangewezen. Tijdens het verhoor op 10 oktober 2006 (B.2.8, na 19.45 uur) en het verhoor op 22 november 2006 (B.2.11) heeft verdachte herhaald dat hij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

C.1.5

Ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 19 mei 2008 heeft verdachte verklaard dat hij in de nacht van 26 augustus 2006 het slachtoffer in een maïsveld te Chaam heeft gelegd. Vervolgens heeft hij de hiervoor onder C.1.3 genoemde [naam ex-vriendin] bij haar thuis opgehaald en is hij met haar naar het maïsveld teruggekeerd. Zij is toen als enige nog het maïsveld is ingegaan. Daarna bleek het slachtoffer te zijn overleden. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 25 augustus 2009 heeft verdachte verklaard bij deze verklaring te blijven.

C.2

Ten aanzien van deze wisselende verklaringen van de verdachte over de gebeurtenissen overweegt het hof als volgt.

C.2.1

Tijdens een verhoor in België op 25 september 2006, waarbij de verdachte een man genaamd "[voornaam]" als dader aanwijst, heeft verdachte de verhorende verbalisanten getoond hoe "[voornaam]" de sneden bij het slachtoffer zou hebben toegebracht in de halsstreek van het slachtoffer. Van deze “reconstructie” zijn foto’s gemaakt. Deze verklaring en de naar aanleiding van die verklaring door de verdachte verzorgde reconstructie getuigen naar het oordeel van het hof van de aanwezigheid van daderkennis bij de verdachte.

C.2.1.1

Het hof baseert zich daarbij op het volgende.

Verdachte heeft, blijkens het onderschrift bij foto 1 (bijlage 4 bij het proces-verbaal verhoor d.d. 25 september 2006), uit eigen beweging de armen en benen van de stand-in in de juiste positie gelegd, hetgeen nagenoeg overeenkomt met de positie van het slachtoffer toen zij levenloos werd aangetroffen (foto 6 fotomap, 3.1).

Voorts heeft verdachte voorgedaan hoe "[voornaam]" het hoofd van het slachtoffer met één hand omhoog trekt en met zijn andere hand (de rechterhand) met een mes de sneden in de hals toebrengt.

Toen de verdachte op 3 oktober 2006 verklaarde hoe hijzelf het slachtoffer om het leven heeft gebracht, heeft verdachte dat eveneens voorgedaan. Op bijlage 2 (bijlage 7 bij PV B 2.5) is te zien hoe verdachte voordoet dat hij met zijn linkerhand de sneden toebrengt.

C.2.1.2

Verdachte heeft verklaard dat hij deze (dader)wetenschap heeft verkregen van zijn Belgische raadsman.

Het hof verwerpt dit verweer nu uit het dossier, noch uit het onderzoek ter terechtzitting op enigerlei wijze aannemelijk is geworden dat die raadsman deze wetenschap al voor de onder C.2.1.1 bedoelde verhoordata zou hebben gehad. De processen-verbaal met foto’s van de plaats delict en van de beschrijving van de plaats delict zijn immers van een datum in 2007 en aldus gelegen na die verhoordata.

Ook overigens is niet gebleken dat de stukken die door de Belgische autoriteiten voor die verhoordata aan de verdediging ter inzage zijn gegegeven dan wel verstrekt deze (dader)wetenschap bevatten.

C.2.1.3

De deskundige Maes heeft tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat, wanneer het slachtoffer liggend op de buik vervolgens het hoofd aan de haren omhoog wordt getrokken en er zodoende sprake is van een erg strak halsvel, het letsel kan zijn toegebracht met het haar getoonde mes (bijlagendossier F6, flap 3, pag. 16-17), op welk mes celmateriaal is aangetroffen dat van het slachtoffer afkomstig kan zijn (NFI rapportage d.d. 2 mei 2007).

De deskundige Van Venrooij heeft in gelijke zin als volgt verklaard: "Als het slachtoffer liggend op haar buik aan haar hoofd zou worden opgetild, waarbij de hals wordt overstrekt, dan zou met het betreffende mes (het hof begrijpt: eerdergenoemd mes) de verwonding kunnen zijn toegebracht."

C.2.2.

Het bestaan van de voornoemde "[voornaam]" is in het geheel niet aannemelijk geworden, nu blijkens de in het dossier aanwezige verklaringen, geen van de getuigen of medeverdachten deze “[voornaam]” ooit heeft ontmoet of gesproken en ook de naspeuringen van de politie met aanwijzingen van verdachte niet tot enig resultaat hebben geleid.

C.3

De hiervoor onder C.2 vastgestelde daderkennis past op zichzelf goed bij de bekennende verklaring van verdachte van 3 oktober 2006 waarin verdachte zichzelf als dader heeft aangewezen, hetgeen hij in latere verhoren op 10 oktober en op 22 november 2006 heeft herhaald. Er is aldus sprake van enig tijdsverloop tussen voornoemde verhoren, waarbij verdachte zich rekenschap heeft kunnen geven van de betekenis van zijn bekentenis.

D.

Het hof slaat ook acht op het volgende. Blijkens de verklaringen van een medegedetineerde van verdachte, te weten [getuige 1], welke getuige naar het oordeel van het hof als een onafhankelijke en betrouwbare getuige is te beschouwen, heeft verdachte op enig moment tegenover hem in de gevangenis verklaard dat hij de moord zelf had gepleegd, waarbij hij de indruk wekte dat hij zich had versproken (proces-verbaal verhoor d.d.

18 december 2007 en zijn verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 5 februari 2008). Bovendien had de verdachte die getuige gevraagd te verklaren over het bestaan van “[voornaam]”.

E.

De eerdere medeverdachte en thans getuige [naam ex-vriendin] heeft, nadat zij lange tijd niet heeft willen verklaren, op 1 maart 2007 een verklaring afgelegd, waarbij zij verdachte heeft aangewezen als degene die in het maïsveld de keel van het slachtoffer moet hebben doorgesneden. Bij deze verklaring is [naam ex-vriendin] ook in haar getuigenverhoor ter terechtzitting in hoger beroep gebleven.

In die verklaringen heeft [naam ex-vriendin] ook zichzelf belast, door toe te geven dat ook zij bij het desbetreffende maïsveld is geweest en ter plaatse was toen verdachte het slachtoffer de keel moet hebben doorgesneden.

Hoewel het hof met de raadsman van oordeel is dat op de consistentie van haar latere verklaringen op onderdelen iets valt af te dingen, is het hof van oordeel dat haar verklaringen van 1 maart 2007 in voldoende mate betrouwbaar kunnen worden geacht.

In de eerste plaats betreffen de inconsistenties ondergeschikte punten die het wezen van de verklaringen niet beïnvloeden. De verklaringen vinden bovendien steun in andere (objectief bepaalbare) bewijsmiddelen, zoals de resultaten van het schoensporenonderzoek en de aanwezigheid van de getuige [getuige 2] in de omgeving van de plaats delict.

Ten slotte hecht het hof in het kader van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam ex-vriendin] veel waarde aan de verbatim opgemaakte processen-verbaal van de verhoren van

1 maart 2007. Tijdens die verhoren, waarin [naam ex-vriendin]zichtbaar breekt en zeer emotioneel haar verhaal doet, oogt zij zeer authentiek. Het hof betrekt daarbij hetgeen is waargenomen op de in raadkamer bekeken beeldopnamen van die verhoren.

E.1.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan naar het oordeel van het hof op geen enkele wijze worden afgeleid dat [naam ex-vriendin], zoals door verdachte wordt gesteld, zich op enig moment in het maïsveld heeft bevonden. Er zijn op de plaats delict naast indruksporen die passen bij de schoenen van de verdachte geen indruksporen aangetroffen die zouden kunnen matchen met de schoenen of voeten van [naam ex-vriendin].

De stelling van verdachte dat [naam ex-vriendin] dan zijn schoenen moet hebben aangetrokken, acht het hof niet aannemelijk geworden. Er zijn aldus noch anderszins aanwijzingen die de stelling van verdachte dat [naam ex-vriendin][slachtoffer] van het leven heeft beroofd, ondersteunen.

E.2.

De raadsman van verdachte heeft nog aangevoerd dat [naam ex-vriendin], zoals zij heeft verklaard, niet kan hebben gehoord dat verdachte in de keel/hals van het slachtoffer sneed.

Het hof overweegt hieromtrent dat, gezien de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, te weten in de nachtelijke uren in een buitengebied, het juist heel goed mogelijk is om dergelijke geluiden op een afstand van enkele meters goed waar te nemen.

F.

Alles overziende, de omstandigheden onder C, D en E genoemd, in onderlinge samenhang en verband bezien, is het hof van oordeel dat het verdachte is geweest die het slachtoffer de verwondingen in haar hals heeft toegebracht, die haar vervolgens fataal zijn geworden.

G.

Uit het voorgaande leidt het hof af - zakelijk weergegeven – dat verdachte,naar de woning van [naam ex-vriendin] te Rijen is gereden, nadat hij [slachtoffer] in het maïsveld in Chaam heeft gelegd. Van daaruit is hij samen met [naam ex-vriendin] teruggereden naar het maïsveld in Chaam. Nadat hij de auto heeft geparkeerd zijn ze samen naar het maïsveld gelopen en is verdachte vervolgens met een mes het maïsveld ingegaan, alwaar hij de fatale snijletsels bij [slachtoffer] heeft aangebracht.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op de betekenis of gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Derhalve acht het hof de ten laste gelegde moord wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

H.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

H.1.

Het hof is van oordeel dat het bewezen verklaarde feit een langdurige vrijheidsstraf rechtvaardigt, waarbij rekening is gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot soortgelijke zaken die door dit gerechtshof zijn beoordeeld en de straffen die daarin zijn opgelegd.

H.2.

Daarbij is in aanmerking genomen dat:

• het benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven is.

• de verdachte op koelbloedige wijze een onschuldig slachtoffer de keel heeft doorgesneden en haar op respectloze wijze heeft achtergelaten in een maïsveld;

• de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed is aangedaan en hun leven nooit meer hetzelfde zal zijn;

• de directe omgeving (straat, buurt, dorp) is opgeschrikt en geschokt door een dergelijke gebeurtenis waardoor de gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving als geheel zijn aangewakkerd.

H.3.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met het de navolgende omstandigheden

• Verdachte heeft op geen enkele wijze openheid van zaken gegeven, noch heeft hij inzicht willen geven in zijn beweegredenen voor zijn handelwijze op 26 augustus 2006.

• Verdachte heeft meermalen een ander persoon aangewezen als de (mogelijke) dader, teneinde zichzelf te ontlasten.

• Verdachte heeft willen vluchten naar het buitenland en heeft sporen willen wegmaken.

• Verdachte heeft het onderzoek bewust meermalen gefrustreerd door feiten naar voren te brengen die na onderzoek niet waar bleken te zijn, hetgeen door verdachte dan vervolgens werd erkend.

H.4.

Omtrent de persoon van de verdachte is een dubbelrapportage uitgebracht door de deskundigen drs. J.F.J.M. Offermans, psychiater en drs. A.T. Spangenberg, psycholoog.

Hieruit volgt dat het bewezen verklaarde verdachte volledig kan worden toegerekend.

Bij verdachte is sprake van een milde persoonlijkheidsstoornis NAO (niet anderszins omschreven) met narcistische en antisociale kenmerken. De narcistische kenmerken komen tot uitdrukking in de neiging om zichzelf op te blazen, in zijn grootse en niet realistische verhalen en fantasieën, in zijn gebrek aan empathie. De antisociale kenmerken manifesteren zich in het zich niet houden aan maatschappelijke normen en waarden, in zijn oneerlijkheid en in zijn gebrek aan spijtgevoelens. Zijn gewetensfuncties zijn lacunair, hij is egoïstisch en egocentrisch ingesteld en heeft slechts een beperkt inlevingsvermogen in de ander.

Naast deze persoonlijkheidstoornis komen bij verdachte voortdurend aspecten van pseudologia fantastica en pathologische leugenzucht naar voren. Uit het onderzoek kwamen geen aanwijzingen naar voren voor een stoornis in de impulscontrole en/of agressieregulatie. Een behandeling of begeleiding vanuit een juridisch kader is niet geïndiceerd.

Het hof volgt de conclusies van voornoemde deskundigenrapporten en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.

H.5.

Alles overziende acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren passend en geboden.

I.1.

Zijdens verdachte is aangevoerd dat in strafmatigende zin rekening dient te worden gehouden met de ziekte van verdachte, de onzekerheid over zijn genezingskansen en de omstandigheid dat verdachte in detentie heeft moeten revalideren van een operatie, buiten de aanwezigheid van zijn familie.

Het hof merkt op dat een vrijheidsbenemende straf in de regel ongemak en verdriet bij verdachte en zijn naasten met zich zal brengen. Dit is inherent aan het karakter van deze strafsoort. Niet is gebleken dat verdachte ten opzichte van anderen in een vergelijkbare situatie onevenredig wordt getroffen in zijn belangen.

I.2.

Het hof ziet voorts geen aanleiding om op grond van de door de raadsman genoemde

nieuwe ‘VI-regeling” van voormelde duur af te wijken. Ingevolge artikel 15, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (in werking getreden op 1 juli 2008), wordt de veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf, die in zijn geheel onvoorwaardelijk is opgelegd, voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer hij tweederde gedeelte daarvan heeft ondergaan.

I.3.

Ten slotte is gebleken dat verdachte in het kader van het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit van 13 september 2006 tot 12 januari 2007 in België gedetineerd is geweest. Het hof zal bepalen dat deze periode bij de tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf geheel in mindering moet worden gebracht.

Beslag

Van een deel van hetgeen verder in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

De overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de hieronder te noemen natuurlijke personen dan wel rechtspersonen, zijnde degenen die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbenden van de specifiek genoemde voorwerpen kunnen worden aangemerkt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Moord.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarbij moet worden inbegrepen de tijd die verdachte in voorarrest in België heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

1. 1.00 STK Envelop KL: wit, enveloppe met brief;

2. 1.00 STK Brief Kl: wit, in enveloppe;

6. 1.00 STK Auto-onderdelen, Profile [verdachte];

30. 1.00 STK Gereedschap, Kl: Zwart, multi tool;

31. 1.00 STK Zwaard, Kl: Goud, in heft;

34. 1.00 STK Mes, Kl: zwart, Dinaf Stainless;

35. 1.00 STK Mes, Kl: zwart, broodmes;

36. 1.00 STK Mes, Kl: zwart, broodmes;

37. 3.00 STK Mes, Kl: zwart, broodmes;

2. 1.00 STK Schoeisel, Kl: wit, Nike Sport;

3. 1.00 STK Schoeisel, Kl: zwart, werkschoen.

27. 1.00 STK Mes, Kl: Bruin, Normark jachtmes.

Gelast de teruggave aan [naam bedrijf] van het in beslag genomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

5. 1.00 STK Personenauto [kenteken] [merk], Kl: Blauw.

Gelast de teruggave aan [naam] van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

8. 1.00 STK Mes, Wiltshire slagersmes;

9. 1.00 STK Hout, Profline messenblok;

15. 10.00 STK Mes;

1. 1.00 STK Mes, Kaiserbach tafelzilver.

Gelast de teruggave aan [naam] van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

18. 1.00 STK Auto-onderdelen, Profile Collector kit.

Gelast de teruggave aan [naam] van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

19. 1.00 STK Cd-rom, video;

58. 1.00 STK Cd-rom, Filmbeelden.

Gelast de teruggave aan [naam] van het in beslag genomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

31. 1.00 STK Atlas, Hongarije.

Gelast de teruggave aan [naam cafe], [naam], van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

36. 1.00 STK Mes, Kl: Zwart, zwart heft inox lemmet stainless steel;

37. 1.00 STK Mes, Kl: zwart, Cuyfor, zwart pvc heft Inox lemmet.

Gelast de teruggave aan [naam] van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

59. 2.00 STK Cd-rom, camerabeelden.

Gelast de teruggave aan Rabobank Chaam van het in beslag genomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

1. 1.00 STK Cd-rom, bevat videobeelden pinautomaat Rabobank te Chaam.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. J.H. Janssen,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 17 november 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.H. Janssen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.