Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK3112

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
HD 103.003.215
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

6:107 BW. Verplaatste schade/begrip 'letstel'.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 107
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2011/10
JA 2010/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. AS

zaaknr. HD 103.003.215

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

eerste kamer, van 10 november 2009,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE SUB 1],

wonende te [plaats],

[APPELLANTE SUB 2],

wonende te [plaats],

appellanten,

advocaat: mr. B.A. van Mens,

tegen:

[GEINTIMEERDE],

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.L.L. Vermeeren,

als vervolg op het arrest van dit hof van 8 mei 2007, aangevuld op 17 juli 2007 (nog gewezen onder rolnummer C0600307).

1. De tussenarresten van 8 mei en 17 juli 2007

In het tussenarrest van 8 mei 2007 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van [appellanten] teneinde het hof te informeren als in r.o. 4.7.6. van dat arrest bedoeld. In het tussenarrest van 17 juli 2007 heeft het hof, op verzoek van [geïntimeerde], cassatieberoep opengesteld tegen zijn tussenarrest van 8 mei 2007.

2. Het vervolg van de procedure

2.1. Bij akte van 5 juni 2007 hebben [appellanten] het hof nader geïnformeerd als in r.o. 4.7.6. van het arrest van 8 mei 2007 verzocht. [geïntimeerde] heeft hierop bij akte van 3 juli 2007 gereageerd.

2.2. Bij arrest van 20 maart 2009 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van [geïntimeerde] verworpen.

2.3. Bij akte van 9 juni 2009 hebben [appellanten] nogmaals gereageerd op de vraagstelling in r.o. 4.7.6. van het tussenarrest van 8 mei 2007. [geïntimeerde] heeft hierop gereageerd bij antwoordakte van 21 juli 2009, waarbij tevens een productie is overgelegd.

2.4. Partijen hebben vervolgens wederom arrest gevraagd. In beide dossiers ontbreken pleitnota's van het ten overstaan van dit hof gehouden pleidooi.

3. De verdere beoordeling

3.1. [geïntimeerde] maakt in zijn laatste akte bezwaar tegen de eiswijziging door [appellanten]

Dit bezwaar is in die zin ongegrond, dat er geen sprake is van een eiswijziging maar van een nadere onderbouwing van de gevorderde schade voor de periode na 1 januari 2005 tot aan de meerderjarigheid van [persoon 1].

3.2.1. In het tussenarrest van 8 mei 2007 heeft het hof in r.o. 4.7.2. overwogen dat gesteld noch gebleken is dat [appellante sub 1] tot op de dag van het arrest materiële schade heeft geleden, nu haar moeder, [appellante sub 2], de verzorging en opvoeding van [persoon 1] geheel voor haar rekening neemt. Hieruit vloeit voort dat de hierop gestoelde vordering van [appellante sub 1] niet kan worden toegewezen.

3.2.2. In r.o. 4.7.3. heeft het hof overwogen dat ook de vordering van [appellante sub 1] tot vergoeding van toekomstige materiële schade niet aannemelijk is geworden zodat de hiermee samenhangende vordering van [appellante sub 1] tot verwijzing naar de schadestaatprocedure te zijner tijd zal worden afgewezen.

3.4. Anders dan [appellanten] stellen in hun akte van 9 juni 2009, heeft het hof in zijn tussenarrest van 8 mei 2007 niet "de schade zoals bij dagvaarding in eerste aanleg werd gevorderd toegekend". Het hof heeft in r.o. 4.7.4. slechts overwogen dat de door [appellante sub 2] tot 1 januari 2005 geleden materiële schade door [appellanten] is begroot op € 12.832,90 en dat dit bedrag op zichzelf niet gemotiveerd door [geïntimeerde] was betwist. Vervolgens heeft het hof in r.o. 4.7.6. - kort samengevat - geoordeeld dat het debat over de grondslag van de vordering van [appellante sub 2] nog verder moet worden gevoerd.

3.5.1. [appellanten] hebben de vordering van [appellante sub 2] jegens [geïntimeerde] niet gebaseerd op een eigen onrechtmatige daad van [geïntimeerde] jegens [appellante sub 2] (als moeder van de destijds minderjarige [appellante sub 1]) maar zij hebben deze vordering slechts gebaseerd op de onrechtmatige daad die [geïntimeerde] jegens [appellante sub 1] had begaan. Zonder die onrechtmatige daad was [persoon 1] niet geboren en nu [appellante sub 2] alle kosten voor de verzorging en opvoeding van [persoon 1] op zich neemt, is er sprake van verplaatste schade in de zin van art. 6:107 BW, aldus [appellanten]

3.5.2. Van verplaatste schade in de zin van art. 6:107 BW kan alleen sprake zijn bij lichamelijk of geestelijk letsel dat door iemand is opgelopen ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. Het hof heeft reeds geoordeeld dat [geïntimeerde] jegens [appellante sub 1] aansprakelijk is uit onrechtmatige daad. Als eerder aangegeven is de immateriële schade die [appellante sub 1] heeft geleden in deze procedure niet meer aan de orde.

De vraag dient zich aan of datgene wat [appellante sub 1] door de onrechtmatige daad van [geïntimeerde] is aangedaan, hetgeen heeft geculmineerd in haar ongewenste zwangerschap en vervolgens de geboorte van een - toen - ongewenst kind, valt onder "lichamelijk of geestelijk letsel" in de zin van art. 6:107 BW.

3.5.3. Naar het oordeel van het hof is dit het geval. Iedere tijdelijke of blijvende aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon is door deze persoon geleden letsel. Dat betekent dat het seksuele contact met de veel oudere [geïntimeerde] op destijds 13-jarige leeftijd, de daaruit voortgekomen zwangerschap op 13-jarige leeftijd en vervolgens de geboorte van een (toen) ongewenst kind, te kwalificeren zijn als letsel in de zin van art. 6:107 BW, waaruit schade is voortgevloeid. De kosten van de verzorging en opvoeding van het kind ([persoon 1]) zijn de door dit letsel veroorzaakte schade.

3.5.4. Vaststaat dat [appellante sub 2] ten behoeve van [appellante sub 1] (als gelaedeerde en moeder van [persoon 1]) de kosten van verzorging en opvoeding van [persoon 1] heeft gemaakt. Het hof is van oordeel dat [appellante sub 1], als zij deze kosten zelf zou hebben gemaakt, de kosten van verzorging en opvoeding van [persoon 1], vanwege de door [geïntimeerde] jegens haar gepleegde onrechtmatige daad, als schadevergoeding van [geïntimeerde] had kunnen vorderen.

Derhalve kan [appellante sub 2] op de voet van art. 6:107 BW de door haar gemaakte kosten van verzorging en opvoeding van [persoon 1] in beginsel als verplaatste schade van [geïntimeerde] vorderen.

3.6.1. Tot 1 januari 2005 bedraagt de gestelde geleden schade € 12.832,90 (zie r.o. 3.4). Dit bedrag is, als gezegd, door [geïntimeerde] als zodanig niet betwist en zal aan [appellante sub 2] worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente vanaf 8 juni 2000 is door [geïntimeerde] als zodanig niet betwist en zal tevens worden toegewezen.

3.6.2. Voor de periode na 1 januari 2005 tot aan de meerderjarigheid van [persoon 1] (op 8 juni 2018) hebben [appellanten] de schade berekend op basis van de NIBUD-normen (2009). De kosten van een kind bedragen volgens [appellanten] conform deze normen € 222,50 per maand, minus de door [appellante sub 2] ontvangen kinderbijslag.

3.6.3. In de memorie van antwoord had [geïntimeerde] gesteld:

"[persoon 2] ([appellante sub 1], hof) en ([appellante sub 2], hof) [appellanten] hebben beiden een uitkering. Bij de bepaling van de hoogte van deze uitkeringen wordt altijd rekening gehouden met de omstandigheid dat eventueel de verzorging en opvoeding van een minderjarig kind tot de taken behoort van de uitkeringsgerechtigde."

Het hof heeft dit niet aangemerkt als een (gemotiveerde) betwisting van de hoogte van het door [appellanten] gevorderde bedrag. Bij akte van 3 juli 2007 en bij akte van 21 juli 2009 heeft [geïntimeerde] zijn betwisting nader ingekleed met de stelling dat "door [persoon 2] en [appellanten] gedurende het hele leven van [persoon 1] een beroep op een verhoogde uitkering is toegekomen (..) omdat voor de verzorging en opvoeding van een minderjarige moet worden zorg gedragen." Ter adstructie wijst [geïntimeerde] naar het proces-verbaal van de comparitie bij de rechtbank van 6 juli 2005. [appellante sub 2] heeft toen verklaard dat zij een bijstandsuitkering voor een eenoudergezin ontvangt, omdat zij een zoon heeft van 16 jaar die nog bij haar woont.

3.6.4. Door [appellanten] is het feit dat [appellante sub 2] - ook nu nog - een bijstandsuitkering voor een eenoudergezin ontvangt, niet betwist. Evenmin hebben zij (gemotiveerd) betwist dat het bedrag dat [appellante sub 2] bovenop de bijstandsuitkering voor een alleenstaande ontvangt ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [persoon 1], op het gevorderde schadebedrag in mindering moet worden gebracht.

3.6.5. [geïntimeerde] heeft de exacte hoogte van het in mindering te brengen bedrag ter zake hogere bijstand niet aangegeven. Ambtshalve is het aan het hof bekend (en heeft het overigens ook als een feit van algemene bekendheid te gelden) dat de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder in 2009 € 1.155,-- en voor een alleenstaande zonder kinderen € 899,-- per maand bedraagt. In 2005 waren deze bedragen respectievelijk € 1.035,-- en € 805,--. Het verschil tussen deze bedragen (derhalve het bedrag dat [appellante sub 2] ten behoeve van [persoon 1] ontvangt), was in 2005 € 230,-- en in 2009 € 256,--, derhalve zelfs hoger dan het bedrag dat door [appellanten] (terugberekend naar maandbedragen) ter zake schadevergoeding is gevorderd.

3.6.6. De slotsom is dat aan [appellante sub 2] geen bedrag ter zake verplaatste schade toekomt voor de periode na 1 januari 2005.

3.7.1. Het hof zal de bestreden uitspraak vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [appellante sub 2] toewijzen als in het dictum te melden en de vorderingen van [appellante sub 1] afwijzen.

3.7.2. [geïntimeerde] zal als voor het overgrote deel in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure jegens [appellante sub 2]. Ter zake van de verschotten in eerste aanleg en in hoger beroep heeft te gelden dat [appellante sub 2] geen vastrecht heeft betaald en dat aan haar de helft van de dagvaardingskosten zal worden toegerekend. Omdat [appellante sub 2] en [appellante sub 1] gezamenlijk bij een advocaat procederen en [geïntimeerde] ook steeds jegens hen gezamenlijk heeft geprocedeerd, verstaat het hof dat [geïntimeerde] geen extra kosten heeft gemaakt voor wat betreft de afgewezen vorderingen van [appellante sub 1]. Voor een proceskostenveroordeling van [appellante sub 1] is derhalve geen plaats.

3.7.3. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

4. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Maastricht van 23 november 2005,

en opnieuw rechtdoende:

wijst af de vorderingen van [appellante sub 1];

veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [appellante sub 2] het bedrag van € 12.832,90 met de wettelijke rente hierover vanaf 8 juni 2000 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure aan de zijde van [appellante sub 2] tot op heden begroot op € 42,80 aan verschotten en € 904,-- aan salaris advocaat in eerste aanleg en € 42,44 aan verschotten en € 2.682,-- aan salaris advocaat in hoger beroep, welke bedragen op de voet van het bepaalde in art. 243 Rv te voldoen aan de griffier van dit hof;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Hendriks-Jansen, Fikkers en Van Craaikamp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 november 2009.