Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK2534

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-11-2009
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
20-002570-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof heeft beslist dat de verweren van de verdediging om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in deze strafzaak op onderdelen ongegrond zijn.

Wel gaat het hof het ook nog door de verdediging aangevoerde argument dat er sprake zou zijn van schendig van de fundamentele beginselen van het stafproces, verder onderzoeken. Het hof is van oordeel dat er duidelijkheid moet komen over de feitelijke gang van zaken en de motieven van de officier van justitie rond het verzenden van een ambtsbericht met informatie over belangrijke getuigenverklaringen aan de rechtbank ’s-Hertogenbosch zonder medeweten van de verdediging, het verzoek van de officier tot vernietiging van dat ambtsbericht en van email-correspondentie tussen de officier van justitie en de rechtbank, alsmede de informatieverschaffing door de officier van justitie omtrent de positie van een belangrijke getuige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH

Sector strafrecht

Parketnummer: 20-002570-09

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 9 november 2009.

Tegenwoordig:

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. A.J.M. van Gink,

mr. M.J.M. de Vries, advocaat-generaal,

mr. R. van den Munckhof, griffier.

De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1964],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

is niet verschenen. Evenmin is zijn raadsman mr. G.F. van der Hardt Aberson, advocaat te Rotterdam, verschenen.

Het hof hervat het onderzoek van de zaak in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de onderbreking ter terechtzitting van 7 oktober 2009.

De voorzitter deelt mede:

Het hof heeft het onderzoek ter terechtzitting van 7 oktober 2009 onderbroken teneinde zich te beraden op het door de verdediging gevoerde preliminair verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie zonder onderzoek van de zaak zelf.

Alvorens zijn beslissing mede te delen, zal het hof de procesgang, het vonnis van de rechtbank en de inhoud van de preliminaire verweren samenvatten.

De procesgang

De verdachte is, tegelijk met tien andere verdachten, gedagvaard voor de rechtbank ’s-Hertogenbosch ter zake van één of meer misdrijven waaronder (onder meer) het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als mensensmokkel (art. 197a Sr), afpersing (art. 317 Sr) en de productie van en handel in verdovende middelen (art. 10 Opiumwet). Het opsporingsonderzoek draagt de codenaam Raptus.

De eerste terechtzitting van de rechtbank heeft plaatsgehad op 4 oktober 2005. De verdachte bevond zich toen in voorlopige hechtenis.

Op de terechtzitting van 14 november 2006 heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis geschorst met ingang van 16 november 2006.

Bij eindvonnis van 23 juli 2009 heeft de rechtbank in alle elf gelijktijdig behandelde zaken het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte en de reeds geschorste voorlopige hechtenis opgeheven.

Bij akte van 23 juli 2009 heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.

Bij schriftuur, blijkens de daarop gestelde datumstempel binnengekomen op de griffie van de rechtbank op 5 augustus 2009, heeft de officier van justitie grieven tegen het vonnis ingediend.

Het onderzoek in hoger beroep is in alle (gelijktijdig behandelde) zaken begonnen op de terechtzitting van het hof van 15 september 2009. De verdachte is niet persoonlijk verschenen.

Op de terechtzitting van 15 september 2009 heeft de ingevolge artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering gemachtigde advocaat aanstonds een preliminair verweer als bedoeld in artikel 283, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoerd. Het onderzoek is vervolgens onderbroken tot de zitting van 7 oktober 2009 voor het antwoord van de advocaat-generaal op de preliminair verweer, voor repliek en dupliek en tenslotte nogmaals het standpunt van de verdediging. Daarna is het onderzoek onderbroken tot de terechtzitting van heden 9 november 2009 voor de beslissing van het hof op het gevoerde verweer.

Daartoe overweegt het hof het volgende.

Het vonnis van de rechtbank

Het vonnis van de rechtbank wordt door het hof als volgt begrepen:

Er is sprake van een opeenstapeling van verzuimen en onzorgvuldig handelen van het Openbaar Ministerie, waardoor de waarheidsvinding in het gedrang is gekomen en de verdediging onherstelbaar in haar belangen is geschaad. Volgens het beginsel van equality of arms moet de verdediging beschikken over dezelfde stukken als de rechtbank, maar in strijd hiermee heeft de officier van justitie ongevraagd een interne en vertrouwelijke OM-notitie (ambtsbericht d.d. 30 maart 2007 van de officier van justitie mr. [ovj] aan mr. [rechter] “Inzake: Beschermde getuige in het RAPTUS-onderzoek”) toegezonden aan de voorzitter van de rechtbank, heeft zij de rechtbank gevraagd deze notitie te vernietigen, heeft zij gevraagd een email van 27 april 2009 aan de rechtbank geen deel te laten uitmaken van het dossier en heeft het Openbaar Ministerie herhaalde verzoeken van de rechtbank om informatie over de getuige [getuige] aan de verdediging te verstrekken genegeerd. Hierdoor is het vertrouwen van de verdediging in een eerlijke procesvoering geschonden en is de integriteit van het Openbaar Ministerie aangetast. Bovendien is hierdoor de rechtbank in een positie gebracht dat haar integriteit in twijfel getrokken zou kunnen worden. Het ambtsbericht bevat informatie over de vreemdelingenrechtelijke status van getuige [getuige] en over diens positie van beschermde of beveiligde getuige, die afwijkt van wat [getuige] daarover heeft verklaard bij zijn verhoren bij de rechter-commissaris op vragen van de verdediging. Ondanks diverse verzoeken van de rechtbank heeft het Openbaar Ministerie over deze punten geen volstrekte duidelijkheid verschaft.

Nu het Openbaar Ministerie volhoudt geen noemenswaardige fouten te hebben gemaakt, moet het doordrongen worden van de ernst van de situatie en niet-ontvankelijk worden verklaard.

De overige door de verdediging aangevoerde gronden behoeven daarom geen bespreking.

Het preliminair verweer in hoger beroep

De verdediging heeft allereerst aangevoerd dat moet worden onderzocht of de officier van justitie tijdig, dit is binnen de in artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn van veertien dagen na het instellen van hoger beroep, een schriftuur houdende grieven tegen het vonnis heeft ingediend op de griffie van de rechtbank. Zo dit niet het geval zou zijn, moet volgens de raadsman ingevolge artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering het door het openbaar ministerie ingestelde hoger niet-ontvankelijk worden verklaard.

De verdediging betwijfelt of de appelschriftuur is ingediend op 5 augustus 2009, zoals is aangeduid in de stempel die op die appelschriftuur is gedrukt, omdat hij deze stempel niet eerder in een dossier van de rechtbank ’s-Hertogenbosch en dit gerechtshof heeft gezien en omdat de stempeltekst ‘Ingekomen op de griffie’ met een andere stempel lijkt te zijn gezet dan de stempeltekst ‘5 augustus 2009’. De raadsman verzoekt het hof onderzoek te doen naar het tijdstip van indiening van de appelschriftuur.

Het hof wijst het verzoek van de verdediging af, nu hetgeen de raadsman ter onderbouwing van zijn stelling heeft aangevoerd - de onbekendheid met de gebruikte stempel en het veronderstelde gebruik van twee stempels - naar het oordeel van het hof geen begin van aannemelijkheid vormt voor de juistheid van de veronderstelling dat de appelschriftuur niet op 5 augustus 2009 is ingediend. De raadsman had zijn verzoek nader kunnen onderbouwen door eenvoudigweg navraag te doen naar de stempel bij de griffie van de rechtbank.

Nu de officier van justitie op 24 juli 2009 hoger beroep heeft ingesteld, was de indiening van de appelschriftuur op 5 augustus 2009 tijdig.

Nog afgezien van hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de gesuggereerde niet tijdige indiening van de appelschriftuur in de onderhavige zaak zonder consequenties zou kunnen blijven, nu de raadsman voor aanvang van het onderzoek ter terechtzitting de beschikking heeft gekregen over de appelschriftuur van het Openbaar Ministerie en hij niet heeft gesteld dat de tijd tussen de ontvangst van de appelschriftuur en de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep te kort is geweest voor een richtige voorbereiding van de zaak. Evenmin is gebleken dat het verdedigingsbelang om andere redenen geschaad zou zijn door de suggereerde niet tijdige indiening van de appelschriftuur.

De gronden waarop de verdediging het preliminair verweer overigens baseert zijn in de kern gelijk aan die waarop zij in eerste aanleg de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie heeft bepleit. Deze gronden worden door het hof als volgt samengevat:

1. Onvoldoende verantwoording grondslag en loop van opsporingsonderzoek/afgetapte geheimhoudersgesprekken

Het Openbaar Ministerie is – met kennelijk opzettelijke veronachtzaming van de belangen van de verdediging – tekortgeschoten in een voortvarende behandeling van de opsporing en vervolging en in het volledig en betrouwbaar verantwoorden van de grondslag en de loop van de verdenking.

In dit kader is aangevoerd dat in het dossier wel wordt gesteld dat, op grond van andere zelfstandige opsporingsonderzoeken, reeds eind jaren negentig een persoon bekend als “[P.]” figureert die in samenwerking met andere personen, veelal van Singaporese afkomst, op de achtergrond een sturende rol vervulde, en dat blijkbaar op grond van stokoude CIE-informatie jarenlang opsporingsmiddelen zijn ingezet die een grote inbreuk vormden op het privé-leven, maar dat die informatie feitelijk onvoldoende was ondersteund en geactualiseerd; dat de bedoelde opsporingsonderzoeken (met al de in die onderzoeken gebruikte bijzondere opsporingsbevoegdheden) waarop telefoontaps en observaties zijn gebaseerd niet aan het dossier zijn toegevoegd en dat de rechtmatigheid van de aldus in het onderhavige onderzoek ingezette opsporingsmiddelen niet kan worden beoordeeld; dat ook niet kan worden beoordeeld of die opsporingsonderzoeken ontlastende informatie bevatten; en dat door het niet kunnen onderzoeken van de startinformatie niet kan worden getoetst, ook niet marginaal, of er een voldoende onderbouwd vermoeden van schuld bestond bij de aanvang van het onderzoek.

Verder is gesteld dat het dossier geen enkel proces-verbaal bevat van vernietiging van een afgetapt telefoongesprek met een geheimhouder, maar dat in dit onderzoek en in de andere opsporingsonderzoeken waaruit voor het onderhavige onderzoek is geput, op zo grote schaal is getapt dat het niet anders kan zijn dat ook gesprekken met geheimhouders zijn afgetapt. Het niet vernietigd zijn van deze tapgesprekken is mede een aspect dat bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of bij bewijsuitsluiting een rol speelt en derhalve moet kunnen worden onderzocht, maar zulk onderzoek is door gebrek aan deugdelijke verantwoording door het Openbaar Ministerie onmogelijk.

2. Redelijke termijn

De redelijke termijn van opsporing en vervolging is geschonden, mede omdat door het verstrijken van de tijd een effectieve ondervraging van getuigen (als bedoeld in art. 6 EVRM) niet meer mogelijk is.

In dit verband is aangevoerd dat in het onderhavige onderzoek gebruik wordt gemaakt van informatie van voor het jaar 2000, welke informatie niet met deugdelijke stukken uit andere onderzoeken is onderbouwd en voorts dat vele getuigen niet meer konden worden getraceerd of niet meer betrouwbaar konden verklaren.

3. Schending fundamentele beginselen van het strafproces

De officier van justitie heeft opzettelijk geprobeerd de rechtbank te beïnvloeden door zonder medeweten van de verdediging schriftelijke informatie te verstrekken aan de voorzitter van de rechtbank over de getuige [getuige], diens mogelijke status en het belang van diens verklaring voor onder meer het bewijs van deelneming aan een organisatie met crimineel oogmerk; zij heeft getracht stukken buiten het dossier te houden die zij aan de rechtbank had verstrekt; zij heeft de rechtbank beticht van onwaarheid over het al dan niet vernietigen van bedoelde stukken; zij heeft het bevel van de rechtbank deze stukken aan de verdediging te verstrekken, genegeerd; zij heeft in strijd met de waarheid meegedeeld dat getuige [getuige] niet in een getuigenbeschermingsprogramma was opgenomen en heeft dus de rechtbank misleid. Aan de verdediging is geen mededeling vergelijkbaar met die bedoeld in art. 30, tweede lid, Sv gedaan dat haar de kennisneming van bepaalde processtukken is onthouden.

Dit alles is een zodanige schending van fundamentele beginselen die de kern van het strafproces raken – het recht om zich te kunnen verdedigen voor een niet gecompromitteerde rechtbank op grond van een compleet dossier – dat ook los van de vraag of de verdachte in een concreet belang is geschaad het Openbaar Ministerie het recht op strafvervolging moet worden ontzegd.

Om te kunnen beslissen op dit verweer dient het hof kennis te nemen van de volledige tekst van het ambtsbericht van 30 maart 2007.

De beoordeling door het hof van het preliminair verweer

Het hof stelt voorop - cfr. HR 3 juli 2001, NJ 2002, 8 en LJN AB2732, rov. 3.4 en 3.6 - dat onrechtmatig optreden van opsporings- en vervolgingsambtenaren onder bepaalde omstandigheden een zodanig ernstige schending van beginselen van behoorlijke procesorde kan opleveren dat zulks tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging dient te leiden. Een zo vergaande sanctie kan in dat geval volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op die beginselen, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekortgedaan (vgl. HR 19 december 1995, NJ 1996, 249). Voorts is een dergelijke sanctie mogelijk indien – ook zonder dat de belangen van de verdachte als hiervoor bedoeld zijn geschonden - sprake is van een handelwijze van de officier van justitie die in strijd is met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt, zoals de bevoegdheidsverdeling tussen het Openbaar Ministerie en de onafhankelijke rechter zoals die in het wettelijk systeem ten aanzien van vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is vervat (vgl. HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567). Gelet op voornoemde criteria acht het hof het niet ondenkbaar dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijkheid kan worden verklaard indien het de rechter zo weinig informatie verschaft over het verloop van het opsporingsonderzoek dat de rechter niet tot een verantwoord oordeel over de zaak kan komen (vgl. kamerstukken II, 25 403, nr. 3, p. 21).

Ad 1. Onvoldoende verantwoording grondslag en loop van opsporingsonderzoek/afgetapte geheimhoudersgesprekken

Het hof stelt vast dat in het dossier wordt aangegeven op grond van welke informatie het opsporingsonderzoek Raptus is begonnen en voortgezet. Voorts zijn in eerste aanleg verschillende bij het Raptusonderzoek betrokken opsporingsambtenaren bij de rechter-commissaris verhoord, onder andere over de startinformatie. De startinformatie kan dus worden getoetst.

De rechtbank heeft desgevraagd door de verdediging het Openbaar Ministerie geen bevel gegeven om de stukken in de door de verdediging bedoelde andere onderzoeken (waaronder begrepen de bob-stukken) toe te voegen aan het onderhavige procesdossier.

Het vorenstaande in aanmerking genomen, is het hof van oordeel dat uit hetgeen de verdediging hieromtrent heeft gesteld en uit hetgeen blijkt uit het dossier niet aannemelijk is geworden dat de weigering van het Openbaar Ministerie om deze andere onderzoeken toe te voegen aan het Raptusdossier, voortkomt uit een doelbewuste of grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak.

De verdediging heeft met betrekking tot de telefoontaps enkel aangevoerd dat het bij de grote hoeveelheid telefoontaps niet anders kan zijn dan dat hierbij ook gesprekken met geheimhouders zaten en dat het dus niet zo kan zijn dat er nooit aanleiding is geweest tot vernietiging van een zodanig gesprek.

Naar het oordeel van het hof is deze enkele stelling van de verdediging niet voldoende om aannemelijk te achten dat de regeling omtrent het vernietigen van geheimhoudergesprekken niet is nageleefd. Noch verdachte zelf, noch de raadslieden hebben enig concreet geheimhoudergesprek genoemd in het Raptusonderzoek.

Het hof acht bij deze stand van zaken niet aannemelijk geworden dat in het onderhavige opsporingsonderzoek de regeling met betrekking tot vernietiging van geheimhoudersgesprekken is geschonden.

De vraag of in andere opsporingsonderzoeken wel een zodanige schending heeft plaatsgehad, acht het hof niet van belang, aangezien bij de beoordeling of zodanige fouten zijn gemaakt dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, in beginsel moet worden uitgegaan van fouten begaan in het voorbereidend onderzoek in zake de aan verdachte thans ten laste gelegde feiten.

Het verweer voor zover gebaseerd op de onder 1 weergegeven gronden wordt door het hof verworpen als zijnde ongegrond.

Ad 2. Redelijke termijn

De verdediging beroept zich op het in art. 6, eerste lid, EVRM gewaarborgde recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn.

Dit voorschrift beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging moet leven. Ook andere factoren nopen tot een voortvarende afhandeling van strafzaken, zoals de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van bijvoorbeeld getuigen.

De op zijn redelijkheid te beoordelen termijn neemt een aanvang op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. In de onderhavige zaak is dit geweest de inverzekeringstelling van verdachte op 21 juni 2005.

Voor zover de verdediging heeft bedoeld dat de redelijke termijn aanvangt reeds bij de aanvang van het opsporingsonderzoek, vindt dit standpunt geen steun in het recht.

Daargelaten of de termijn tussen de inverzekeringstelling van de verdachte in 2005 en het eindvonnis van de rechtbank in 2009 onredelijk lang is, kan in ieder geval worden geoordeeld dat deze termijn niet zo lang is dat reeds hierom het Openbaar Ministerie niet meer kan worden ontvangen in de strafvervolging. Uitgangspunt is dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring, ook niet in uitzonderlijke gevallen (HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, rov. 3.5.1). De enkele door de verdediging gestelde omstandigheid - zo al juist - dat ten gevolge van een niet voortvarende afhandeling van het opsporingsonderzoek en van het onderzoek ter terechtzitting het herinneringsvermogen van de verdachte en van getuigen zodanig is verbleekt dat daardoor de feiten niet meer kunnen worden vastgesteld, maakt dit niet anders (vgl. HR 23 juni 2009, LJN BI2277, rov. 2.3).

Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat politie of justitie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte hebben aangestuurd op een lang tijdsverloop, waardoor effectieve ondervraging van getuigen niet meer mogelijk was, is dat niet aannemelijk geworden. Het Raptus-onderzoek gaat over (vermoedelijk) complexe strafbare feiten, al dan niet in georganiseerd verband, waarbij het verzamelen van inlichtingen en bewijsmateriaal moeilijk en tijdrovend is gebleken, terwijl het onderzoek wegens tekortschietende capaciteit bij de politie (vanwege tussentijds noodzakelijk geworden onderzoek naar aanleiding van het zogenaamde Dover- incident) heeft stilgelegen tussen 18 juni 2000 en medio december 2002. Dit alles kan de duur van het onderzoek verklaren.

Het verweer voor zover gebaseerd op schending van de redelijke termijn wordt door het hof verworpen als zijnde ongegrond.

Ad 3. Schending fundamentele beginselen van het strafproces

Het hof is van oordeel dat dit onderdeel van het verweer ontijdig is gevoerd, nu dit niet kan worden beoordeeld zonder nader onderzoek van de zaak. Het hof heeft daarbij het oog op de feitelijke gang van zaken en de daaraan ten grondslag liggende motieven met betrekking tot het door de officier van justitie verzenden van het ambtsbericht van 30 maart 2007 aan de rechtbank, het verzoek van de officier van justitie tot vernietiging van dat ambtsbericht en van e-mailcorrespondentie, alsmede de informatieverschaffing door de officier van justitie omtrent de positie van getuige [getuige].

Gelet op de beslissing van het hof, zal het onderzoek ter terechtzitting vandaag worden geschorst. Op de nadere terechtzitting zullen de onderzoekswensen van de verdediging en de advocaten-generaal aan de orde worden gesteld. Die terechtzitting zal derhalve het karakter van een regiezitting dragen.

Het hof verzoekt de verdediging en het Openbaar Ministerie om uiterlijk vrijdag 13 november 2009 verhinderdata door te geven in de maanden maart en april 2010.

Hierop schorst het hof het onderzoek voor onbepaalde tijd, met bevel tot oproeping van de verdachte tegen de nader te bepalen datum en tijd en een kennisgeving daarvan aan de raadsman.

Het hof beveelt voorts de oproeping van een tolk in de Mandarijn Chinese taal tegen de nadere terechtzitting.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.