Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK2054

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-06-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
HD 200.020.511
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Executiegeschil inzake echtscheidingsconvenant. Beroep op wilsgebreken in kort geding. Artt. 3:34 en 1:135 lid 3 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer HD 200.020.511

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 23 juni 2009,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeentenaam],

appellant bij exploot van dagvaarding van 2 december 2008,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. E. van der Maal,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats], België,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.F.L.A. Vegt-Boshouwers,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda onder zaak-/rolnummer 194809/KG ZA 08-522 gewezen vonnis van 7 november 2008 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven met producties (productie 4 ontbreekt in beide dossiers) heeft de man acht grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw met haar veroordeling in de proceskosten in beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord, met producties, heeft de vrouw de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. Partijen zijn op 30 juni 1997 gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden waarin onder meer de uitsluiting van elke gemeenschap van goederen en een finaal verrekenbeding worden overeengekomen. Dit beding luidt:

Bij einde van het huwelijk zal verrekening plaatsvinden op basis als waren partijen in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

Het huwelijk is op 8 oktober 2008 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 13 maart 2007 in de registers van de burgerlijke stand.

4.1.2. Partijen hebben, in aanwezigheid van een mediator, een fiscaal deskundige en met bijstand van wederzijdse advocaten, de financiële consequenties van de beëindiging van het huwelijk geregeld en neergelegd in een echtscheidingsconvenant gedateerd 10 september 2007.

De vrouw is op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam bij de door de man gedreven eenmanszaak. Het echtscheidingsconvenant voorziet hierin.

4.1.3. In de onderhavige kort gedingprocedure vordert de vrouw nakoming door de man van een aantal aspecten van het echtscheidingsconvenant en loonbetaling over de maanden augustus en september 2008. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen grotendeels toegewezen en de man veroordeeld in de proceskosten.

4.2. Niet-ontvankelijkheid

4.2.1. In punt 4 van de memorie van antwoord betoogt de vrouw dat de man niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep nu hij in de dagvaarding in hoger beroep de voornaam van vrouw [Y.] niet heeft vermeld en derhalve een ander dan de vrouw heeft gedagvaard. Dit verweer wordt verworpen. Het is voor de vrouw, onder meer uit de inhoud van de dagvaarding en de vermelding van haar woonadres, volstrekt duidelijk dat zij, en niemand anders in hoger beroep wordt opgeroepen.

4.3. De grieven 1 en 2

4.3.1. In deze grieven komt de man op tegen het aannemen van het spoedeisend belang - mede in het licht van de omstandigheid dat de vrouw de betaling van een geldsom vordert, onder meer bestaande uit het te doen storten van een (bruto)premie van €153.000,- bij een verzekeringsbank, zulks ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2.3 van het echtscheidingsconvenant (afkoop alimentatie) – en tegen het oordeel dat er geen grond is aan te nemen om het convenant open te breken of wijziging van alimentatie te vragen.

4.3.2. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van spoedeisend belang komt het aan op een afweging van belangen, HR 29 november 2002, NJ 2003/78. Naar het oordeel van het hof valt deze afweging uit ten gunste van de vrouw. In feite verlangt de vrouw een executoriale titel te verbinden aan het echtscheidingsconvenant. De man betwist niet dat de vrouw, althans in beginsel, recht heeft op nakoming van hetgeen is overeengekomen en derhalve op zo’n titel, maar hij stelt dat hij in een nog aanhangig te maken bodemprocedure de vernietiging van het convenant zal vorderen. Het gaat mitsdien om een bevrijdend verweer. Dit voornemen van de man kan aan het aannemen van spoedeisendheid bij de gevorderde nakoming alleen dan in de weg staan als dit verweer voldoende aannemelijk is. Van de vrouw kan immers niet worden verlangd dat zij de uitkomst van die procedure, die jaren kan duren, afwacht op de enkele grond dat de man meent dat hij niet aan de door hem zelf aangegane afspraken gebonden is.

4.3.3. De omstandigheden dat sprake is van een betaling van een geldsom en dat de vrouw twee kapitale panden bezit in België en Spanje staan evenmin aan het aannemen van spoedeisendheid in de weg. De hoogte van de geldsom staat immers uitgedrukt in het convenant en daarmee tussen partijen vast. De man heeft niet gesteld dat hij buitengerechtelijk de nietigheid of vernietiging van het convenant heeft ingeroepen. Hij is mitsdien vooralsnog gehouden tot betaling.

4.3.4. In de toelichting op grief 1 en in grief 2 stelt de man dat de voorzieningenrechter ten onrechte te weinig aandacht heeft besteed aan een prognose omtrent de uitkomst van de bodemprocedure. In dit verband doet de man thans in hoger beroep (het hof heeft geen pleitnota in eerste aanleg zijdens de man aangetroffen en is daarom aangewezen op de samenvatting van het verweer door de voorzieningenrechter) een beroep – zo begrijpt het hof de nummers 5, 6 en 15 van de memorie van grieven – op een geestelijke stoornis van hem en op verzwijging zijdens de vrouw ten tijde van de ondertekening van het convenant.

4.3.5. Het hof is van oordeel dat het beroep van de man op een geestelijke stoornis (artikel 3:34 BW) vooralsnog onvoldoende aannemelijk is geworden. De overgelegde verklaringen van derden bieden onvoldoende houvast om daaruit af te leiden dat de man niet in staat was tot een redelijke waardering van zijn belangen. De enkele omstandigheid dat de man in de war en depressief was is ontoereikend om een geestelijke stoornis, die aanleiding kan geven tot vernietiging van het convenant, aan te nemen. De redelijkheid van de waardering van ’s-mans belangen valt bovendien af te leiden uit het feit dat zijn advocaat het convenant heeft geaccordeerd. Voor een verder onderzoek en bewijslevering is in het kader van dit kort geding geen plaats.

4.3.6. Met betrekking tot de tweede grond (verzwijging) stelt de man dat de vrouw in de week na het tekenen van het convenant een pand in België heeft gekocht ter waarde van € 600.000,- met een hypothecaire geldlening van ongeveer €30.000,-, zodat zij over ongeveer € 570.000,- eigen vermogen moet hebben beschikt, hetgeen zij bij het aangaan van het echtscheidingsconvenant heeft verzwegen.

Dienaangaande heeft het hof geen (inhoudelijke) reactie van de vrouw aangetroffen (behoudens de niet onderbouwde betwistingen in punten 3 en 14 MvA), zodat het voorshands voor moet worden gehouden dat zij de stellingen van de man niet gemotiveerd weerspreekt. Verzwijging van een geldbedrag als door de man genoemd kan inderdaad aanleiding geven bedrog aan te nemen. In dat geval had dat bedrag betrokken moeten worden bij de finale verrekening en bij gebreke daarvan zal de verdeling mogelijk vernietigbaar zijn, nu immers tal van afspraken die zijn vastgelegd in het convenant, anders zouden zijn uitgevallen, ware het gestelde vermogensbestanddeel bekend geweest. Overigens is weliswaar juist, zoals de vrouw stelt, dat artikel 3:194 lid 2 BW niet van toepassing is, maar de wel toepasbare bepaling, artikel 1:135 lid 3 BW, zal inhoudelijk een vergelijkbaar resultaat leiden.

4.3.7. Gelet op vorenstaande zal het hof de verdere beslissingen aanhouden teneinde de vrouw in de gelegenheid stellen om aan de hand van schriftelijke bescheiden – in het bijzonder de afrekening opgesteld door de notaris - aan te tonen dat aankoop van de woning [straatnaam] te [woonplaats] is gefinancierd met vermogen of krediet dat niet tot het pseudo-gemeenschap (het te verrekenen vermogen) behoort. Uit het door de man overgelegde uittreksel uit het kadaster kan de financiering niet worden afgeleid, maar evenmin kan daarin grond worden gevonden voor de stelling van de man dat de vrouw dus over eigen verzwegen vermogen moet hebben beschikt. Er bestaan immers nog tal van andere financieringsmogelijkheden dan betaling uit eigen vermogen of uit een hypothecaire geldlening.

4.3.8. De stelling van de man dat de vorderingen van de vrouw strekkende tot betaling van geldsommen niet toewijsbaar zijn in verband met een bestaand groot restitutie-risico verwerpt het hof reeds als in strijd met de andere stellingen namelijk dat de vrouw (vrijwel) onbelaste onroerende zaken in Spanje en België in eigendom heeft (verworven).

4.3.9. Anders dan de man in (het tweede) punt 11 betoogt, zijn de voorgelegde geschillen, naar het oordeel van het hof, niet zodanig ingewikkeld van aard dat zij zich niet lenen voor een voorziening in kort geding.

4.4. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van de vrouw teneinde het hof te informeren overeenkomstig hetgeen werd overwogen in rov. 4.3.7. De man kan een antwoordakte nemen.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 7 juli 2009 voor het nemen van een akte aan de zijde van de vrouw.

iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van Gink en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 juni 2009.