Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK1749

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
02-11-2009
Zaaknummer
HD 103.000.061
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanrijding in Frankrijk, Frans recht, Loi Badinter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 12 mei 2009,

gewezen in de zaak van:

HD 103.000.078:

1. de onderlinge waarborgmaatschappij TRANSVEMIJ U.A.,

gevestigd te Hoogeveen,

2. [APPELLANTE SUB 2],

gevestigd te [plaats],

appellanten in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 29 november 2000,

geïntimeerden in voorwaardelijk incidenteel appel van incidenteel appellante MAES,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

1. de naamloze vennootschap AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

2. [GEINTIMEERDE SUB 2],

gevestigd te [plaats], gemeente [gemeente],

3. de besloten vennootschap VAKO B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

geïntimeerden bij gemeld exploot,

advocaat: mr. E.H.H. Schelhaas,

4. de naamloze vennootschap naar Belgisch recht N.V. TRANSPORT MAES,

gevestigd te Merelbeke, deelgemeente Bottelare,

België,

geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot,

appellante in voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. A.J. Dolk,

HD 103.000.061:

de naamloze vennootschap naar Belgisch recht N.V. TRANSPORT MAES,

gevestigd en kantoorhoudend te Merelbeke, deelgemeente Bottelare, België,

appellante in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 27 november 2000,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. A.J. Dolk,

tegen:

1. de naamloze vennootschap AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

2. [GEINTIMEERDE SUB 2],

gevestigd te [plaats], gemeente [gemeente],

3. de besloten vennootschap VAKO B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

geïntimeerden in principaal appel bij gemeld exploot,

appellanten in incidenteel appel,

advocaat: mr. E.H.H. Schelhaas,

als vervolg op de tussenarresten in deze gevoegde zaken van 8 november 2005 en 20 juni 2006.

In beide zaken:

10. Het tussenarrest van 20 juni 2006

Bij genoemd arrest zijn in de zaak rolnr. 103.000.078 de stukken in handen gesteld van het IJI ter beantwoording van de in r.o. 8.4 gestelde vragen, en is in beide zaken iedere verdere beslissing aangehouden.

11. Het verdere verloop van de procedure

In de zaak rolnr. 103.000.078:

11.1. Het IJI heeft op 19 augustus 2008 zijn rapport ter griffie van het hof gedeponeerd.

11.2. TVM en [appellante sub 2] hebben op 25 november 2008 een akte naar aanleiding van rapport IJI, tevens akte wijziging van eis genomen.

11.3. Geïntimeerde sub 4, Maes, heeft op 20 januari 2009 een antwoordakte, alsmede vordering tot erkenning van de beslissing van het hof te Metz van 10 december 2008 met een productie genomen.

11.4. Verdere akten door partijen zijn door de rolraadsheer geweigerd.

11.5. Daarna hebben TVM en [appellante sub 2] de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. In het procesdossier ontbreken het rapport van het IJI en de antwoordakte van 20 januari 2009. Het hof heeft daarvan uit het griffiedossier kennis genomen.

In de zaak rolnr. 103.000.061:

11.6. De rolraadsheer heeft een verzoek van Aegon cs om een akte te nemen geweigerd.

11.7. Daarna heeft Maes de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

12. De verdere beoordeling

12.1. Het hof herstelt r.o. 2 van het tussenarrest van 8 november 2005 in die zin dat het pleidooi voor TVM en [appellante sub 2] op 8 september 2005 is gehouden door mr. J. van Noort. Waar in de laatste regel van r.o. 4.7.8 wordt verwezen naar r.o. 4.10 moet dat 4.11 zijn.

In de zaak rolnr. 103.000.078:

12.2.1. In het tussenarrest van 20 juni 2006 heeft het hof aan het IJI vragen gesteld over - kort samengevat - de toepasselijkheid van het Verdrag Verkeersongevallen, de toepasselijkheid van de Loi Badinter of ander Frans recht op de vordering in vrijwaring, en over de mogelijke invloed van de aansprakelijkheid van [appellante sub 2] en TVM, en Maes, jegens de ladingbelanghebbenden.

12.2.2. De achtergrond van die vragen was, dat ten aanzien van de vordering in vrijwaring van [appellante sub 2] en TVM jegens Maes uit onrechtmatige daad (naar Frans recht) de vraag was gerezen, of ingevolge de Loi Badinter voor aansprakelijkheid van Maes jegens TVM en [appellante sub 2] "betrokkenheid" bij de aanrijding al voldoende was, of Maes ingevolge Frans recht "medeschuld" of "eigen schuld" treft, en of de omstandigheid dat de aansprakelijkheid van Maes jegens de ladingbelanghebbenden ingevolge het CMR begrenst is, hierbij nog een rol speelt (vgl. r.o. 4.11.1).

12.3. Het IJI heeft in een rapport van 18 augustus 2008 de door het hof in r.o. 8.4 gestelde vragen als volgt beantwoord.

Vraag I (het hof neemt de nummering in Romeinse cijfers van het IJI over):

De regresvordering tussen (mede)aansprakelijke personen valt ingevolge art. 2 lid 4 van het Haags verkeersongevallenverdrag buiten het materiële toepassingsgebied van dit verdrag. De onderlinge verhouding tussen de mededaders wordt echter naar heersende opvattingen accessoir aangeknoopt aan het delictsstatuut (de lex causae), in dit geval het Franse recht.

Vraag II en III De regresvordering van [appellante sub 2] en TVM op Maes wordt door Frans recht beheerst. In de Franse literatuur en rechtspraak is geen ondubbelzinnige opvatting over de vraag of een regresvordering tussen mededaders onderling geregeld wordt door het commune civiele recht (artt. 1382 en 1251 Code civil) of door de Loi Badinter. Deze laatste wet kent slechts een beperkt aantal instanties die een regresvordering hebben. Het IJI concludeert dat hier in zekere zin een keuze mogelijk is. Er wordt in het rapport van het IJI een uitspraak van de Cour de cassation van 8 juli 2004 genoemd en een passage uit een handboek van Le Tourneau, waarin wordt overwogen dat een regresvordering van de ene aansprakelijke bestuurder jegens de andere alleen op de Code civil kan worden gebaseerd.

Vraag IV Wanneer twee motorrijtuigen bij het ongeval zijn betrokken, hebben de bestuurders over en weer recht op schadevergoeding. Ieder van hen kan stellen dat de "faute" bij de ander ligt, hetgeen diens aanspraak op schadevergoeding jegens de ander beperkt of uitsluit.

Vraag V Het beroep op overmacht van Maes moet beoordeeld worden aan de hand van de Loi Badinter. De bestuurder van een motorvoertuig dat bij een ongeval is betrokken kan geen beroep doen op overmacht (art. 2 Loi Badinter).

Vraag VI Geen opmerkingen.

12.4.1. In hun akte van 25 november 2008 hebben TVM en [appellante sub 2] allereerst bezwaar gemaakt tegen de overwegingen en oordelen van het hof in het tussenarrest van 8 november 2005 omtrent de oorzaak van de brand, de volgens TVM en [appellante sub 2] bestaande defecten aan de vrachtwagen van Maes, en de beoordeling door het hof van het rapport van Hoeveler. Zij verzoeken het hof om alsnog deskundigen te benoemen.

12.4.2. Ten aanzien van het rapport van het IJI stellen TVM en [appellante sub 2] het volgende.

Zij stellen voorop dat zij op 27 november 2003 aan Aegon cs een bedrag van EUR 141.507,18 hebben betaald.

Ingevolge de Loi Badinter zijn Maes en [appellante sub 2] hoofdelijk aansprakelijk jegens Aegon cs. Daarnaast is Maes jegens Aegon cs aansprakelijk op grond van de vervoerovereenkomst. [appellante sub 2] en TVM kunnen dan ten hoogste worden veroordeeld tot betaling van het bedrag dat niet door Maes moet worden vergoed, dus het verschil tussen het schadebedrag en het bedrag van de aansprakelijkheid van Maes ingevolge het CMR, aldus TVM en [appellante sub 2].

De Loi Badinter bevat geen regeling voor de regresvordering van het ene betrokken motorvoertuig tegen het andere. In Frankrijk is hierover volgens TVM en [appellante sub 2] nauwelijks jurisprudentie omdat de Franse verzekeraars een regeling voor onderling regres zijn overeengekomen.

TVM en [appellante sub 2] bepleiten een oplossing te zoeken binnen het systeem van de Loi Badinter: Maes dient dan de schade van TVM en [appellante sub 2] te vergoeden en kan schuld van [appellante sub 2] bewijzen om haar verplichting tot schadevergoeding te beperken. Nu Maes zelf steeds heeft gesteld dat haar chauffeur niet vanwege een gebroken aandrijfas is gestopt, was dit stoppen op de vluchtstrook dus zonder noodzaak, hetgeen naar Frans recht als een veel ernstiger fout wordt gezien dan de fout die de chauffeur van [appellante sub 2] wordt verweten, nl. het door onachtzaamheid gedeeltelijk over de vluchtstrook rijden. Ook naar het commune Franse recht is er door de chauffeur van Maes een ernstige fout gemaakt.

De overweging van het hof in r.o. 4.7.8, inhoudend dat [appellante sub 2] en TVM op grond van de algemene regeling van de onrechtmatige daad aansprakelijk zijn jegens Aegon cs, is volgens TVM en [appellante sub 2] in elk geval onjuist aangezien die aansprakelijkheid berust op de Loi Badinter waarbij irrelevant is of er sprake was van onrechtmatig handelen.

12.4.3. TVM en [appellante sub 2] wijzigen daarnaast hun vordering in die zin, dat zij - kennelijk subsidiair - vorderen dat als TVM gesubrogeerd is in de rechten van Aegon cs, TVM dan ook gesubrogeerd is in de rechten van Aegon cs onder de vervoerovereenkomst zodat Maes veroordeeld moet worden om aan TVM het bedrag te betalen dat het hof voornemens was aan Aegon cs toe te wijzen.

12.5.1. Maes heeft bij antwoordakte een uitspraak in het geding gebracht van de Cour d'appel de Metz van 10 december 2008, gewezen tussen [appellante sub 2], TVM en Miret als appellanten en het Antwerps Schadebureau, de Cypriotische verzekeraar Aegis Pia, Maes en de Société EDH Consult als geïntimeerden. De zaak betreft het ongeval van 26 april 1996. In die uitspraak is (voor zover hier van belang) de uitspraak van het Tribunal de grande instance de Metz van 31 maart 2005 waarbij Miret, [appellante sub 2] en TVM werden veroordeeld schadevergoeding te betalen aan Maes, en de vorderingen van TVM en [appellante sub 2] jegens Maes werden afgewezen, bekrachtigd, met veroordeling van Miret, [appellante sub 2] en TVM in de proceskosten.

Maes beroept zich op art. 26 EEX Verdrag en art. 33 van de EEX-Vo en stelt dat het hof deze uitspraak dient te erkennen.

12.5.2. Subsidiair stelt Maes dat het IJI niet de vraag beantwoordt of op de regresvordering de Loi Badinter van toepassing is, noch welk Frans recht op de regresvordering van toepassing is, noch de vraag wat de invloed van de CMR-aansprakelijkheid van Maes is. Het ziet er echter naar uit dat als bij [appellante sub 2] de schuld ligt en Maes geen schuld heeft, op Maes ook geen aansprakelijkheid rust. Er is niet gebleken van cessie of een subrogatie van rechten aan [appellante sub 2] of TVM, aldus Maes.

13.1. Met betrekking tot de bezwaren van TVM en [appellante sub 2] tegen de overwegingen en oordelen van het hof in het tussenarrest van 8 november 2005 overweegt het hof het volgende.

De overwegingen waartegen TVM en [appellante sub 2] bezwaren hebben en waaromtrent zij het hof verzocht hebben alsnog deskundigen te benoemen, betreffen eindbeslissingen van het hof over de toedracht van de aanrijding en de oorzaak van het in brand vliegen van de vrachtwagen van Maes. In beginsel kan van gegeven eindbeslissingen in dezelfde instantie niet worden teruggekomen, tenzij de rechter blijkt dat een eerdere door hem gegeven eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag; in dat geval brengen de eisen van een goede procesorde mee dat de rechter bevoegd en verplicht is over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 23 november 2007, NJ 2008, 552, en HR 25 april 2008, NJ 2008, 553).

13.2. Het is het hof in dit geval niet gebleken dat hij van een onjuiste feitelijke of juridische grondslag is uitgegaan. TVM en [appellante sub 2] hebben ter ondersteuning van de stellingen in hun laatste akte niet iets nieuws aangevoerd, dat het hof nog niet bij zijn in de akte bestreden beslissingen heeft betrokken. Het hof verwijst naar zijn overwegingen in r.o. 4.7.3 t/m 4.7.7. Hij blijft bij zijn oordeel dat TVM en [appellante sub 2] het voorshands aangenomen bewijs omtrent de toedracht van de aanrijding en het causale verband niet hebben ontzenuwd.

13.3. Op grond van het rapport van het IJI behoeft wel het oordeel van het hof in r.o. 4.7.1 en 4.7.8 in zoverre aanpassing, dat moet worden geoordeeld dat de aansprakelijkheid van [appellante sub 2] en TVM jegens Aegon cs naar Frans recht berust op de Loi Badinter, die aansprakelijkheid vestigt voor alle slachtoffers voor de gevolgen van een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig "betrokken" is. Causaal verband, onrechtmatig handelen of schuld behoeven daarvoor niet te worden vastgesteld. In zoverre slaagt grief IV van TVM en [appellante sub 2], zonder dat dat overigens op zichzelf consequenties heeft voor het bestreden vonnis, aangezien TVM en [appellante sub 2] jegens Aegon cs aansprakelijk blijven.

14.1. Maes heeft bij antwoordakte gevorderd dat het hof het door Maes overgelegde arrest van de Cour d'appel de Metz van 10 december 2008 erkent, waarvan volgens Maes het gevolg is dat het hof reeds op grond van deze uitspraak van het Cour d'appel kan oordelen dat Maes niet gehouden is om [appellante sub 2] te vrijwaren.

14.2. Nu deze uitspraak pas bij antwoordakte is (en kon worden) overgelegd, zodat TVM en [appellante sub 2] daarop nog niet hebben kunnen reageren, zou de zaak opnieuw moeten worden aangehouden en terugverwezen naar de rol om TVM en [appellante sub 2] tot een reactie op de vordering van Maes in de gelegenheid te stellen. Het hof kan immers over de vordering tot erkenning geen enkele uitspraak doen zolang niet beide partijen daarover hun mening hebben gegeven.

Het hof zal daartoe echter op praktische gronden niet overgaan aangezien hij van oordeel is dat Maes geen belang heeft bij haar vordering tot erkenning, zodat die vordering zal worden afgewezen. Het hof is immers in staat nu reeds op andere gronden te oordelen dat de vrijwaringsvordering van TVM en [appellante sub 2] jegens Maes niet slaagt. Daarvoor verwijst het hof naar het vervolg van dit arrest.

15.1. Naar aanleiding van het rapport van het IJI en de thans nog voorliggende vragen (vgl. r.o. 12.2.2) overweegt het hof het volgende.

15.2. Het Haags verkeersongevallenverdrag speelt in dezen geen rol.

15.3. Gelet op de inlichtingen van het IJI oordeelt het hof dat de regresvordering van TVM en [appellante sub 2] op Maes naar algemeen Frans civiel recht en niet op grond van de Loi Badinter moet worden beoordeeld, nu die laatste wet in het bijzonder ziet op, en in het leven is geroepen ten behoeve van, de verbetering van de positie van slachtoffers van verkeersongelukken. De regresvordering over en weer van bij een ongeval betrokken bestuurders die beiden jegens het slachtoffer aansprakelijk zijn valt daar in feite buiten.

TVM valt, anders dan zij en [appellante sub 2] stellen, niet onder de uitzonderingsbepaling van art. 29 van de Loi Badinter op grond waarvan een beperkt aantal daar genoemde instellingen wel een regresrecht uit de Loi Badinter hebben. TVM is immers een gewone verzekeraar en niet een sociale- of ziektekostenverzekeraar, en het gaat hier niet over schade geleden door de Staat of bepaalde publieke personen, noch om loon of arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.

15.4. Het hof merkt hier voor de duidelijkheid nog op dat de uiteenzetting die het IJI heeft gegeven naar aanleiding van vraag IV in feite geen betrekking heeft op de hier te behandelen vraag omtrent de regresvordering van TVM en [appellante sub 2] op Maes. De door het IJI beschreven situatie betreft een ongeval tussen twee (of meer) motorrijtuigen waarvan de bestuurders elkaar aanspreken tot schadevergoeding; in zo'n geval regelt de Loi Badinter dat ieder van hen kan stellen dat de "faute" bij de ander ligt, hetgeen diens aanspraak op schadevergoeding jegens de ander kan beperken of uitsluiten. Die situatie doet zich hier echter niet voor.

Naar het oordeel van het hof zet ook mr. Scheuber, hierna te noemen, de verhouding tussen [appellante sub 2] en Maes ten onrechte in deze laatste sleutel, terwijl het er in de vrijwaringsprocedure niet om gaat dat TVM en [appellante sub 2] de door [appellante sub 2] geleden schade op Maes wil verhalen, maar dat TVM en [appellante sub 2] regres willen nemen op Maes voor het bedrag dat TVM en [appellante sub 2] aan Aegon cs dienen te betalen.

15.5. De chauffeur van Maes moet dus een onrechtmatige daad ("faute") hebben gepleegd jegens [appellante sub 2], wil de regresvordering van TVM en [appellante sub 2] kunnen slagen.

Het hof heeft reeds geoordeeld (r.o. 4.7.5 en 4.7.7) dat de stelling van TVM en [appellante sub 2] dat de chauffeur van Maes zijn vrachtwagen over de streep van de vluchtstrook, deels op de rechterweghelft, heeft stilgezet, moet worden verworpen. Daarin is dus geen onrechtmatigheid aan de zijde van Maes gelegen.

De omstandigheid dat het hof heeft geoordeeld dat Maes zich - tegenover Aegon cs - niet op het strenge criterium voor overmacht uit art. 17 lid 2 CMR kan beroepen, brengt niet zonder meer mee dat de chauffeur van Maes in het kader van de beoordeling van de vraag of hij onrechtmatig jegens [appellante sub 2] heeft gehandeld, een verwijt treft dat hij daar op die plek op de vluchtstrook zijn vrachtwagen heeft stilgezet.

Volgens TVM en [appellante sub 2] was er geen absolute noodzaak voor de chauffeur van Maes om stil te staan op een vluchtstrook; Maes heeft immers zelf betwist dat haar chauffeur is gestopt vanwege een gebroken aandrijfas, aldus TVM en [appellante sub 2]. Zij verwijzen hier naar de door hen overgelegde "affidavit" van mr. M. Scheuber, advocaat te Parijs (prod. 3 mvgr). Zij zet uiteen dat op grond van de Franse "Code de la route" stoppen op de vluchtstrook verboden is, behalve in gevallen van absolute noodzaak.

Het hof overweegt dat de door mr. Scheuber overgelegde uitspraak van het Cour d'appel de Metz van 24 juni 1998 (bekrachtigd door het Cour de cassation op 26 oktober 1999) een andere situatie betrof, aangezien daar een chauffeur zijn vrachtwagen 's avonds op de vluchtstrook had geparkeerd (in verband met een probleem aan het koelwatersysteem) en de vrachtwagen daar had laten staan in afwachting van technische hulp waarna de volgende ochtend vroeg een auto tegen de vrachtwagen is aangereden.

In het onderhavige geval heeft de chauffeur van Maes de vrachtwagen een kort moment op de vluchtstrook stilgezet om te controleren of er misschien iets mis was en hij verdere maatregelen zou moeten nemen, omdat hij een geluid had gehoord. Naar het oordeel van het hof valt dit onder de "absolute noodzaak" van de Franse Code de la route. De Cour d'appel Metz was in deze zaak kennelijk hetzelfde oordeel toegedaan.

15.6. Het hof concludeert mitsdien dat Maes geen onrechtmatige daad jegens [appellante sub 2] heeft gepleegd. Eigen schuld of medeschuld van Maes komt daarmee niet aan de orde.

16. Noch in de stellingen van partijen, noch in het rapport van het IJI heeft het hof enige aanwijzing gevonden dat de omstandigheid dat de aansprakelijkheid van Maes onder het CMR begrenst is, een rol speelt bij de beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag. Het hof gaat er dus vanuit dat dat geen rol speelt.

17. Ten aanzien van de eiswijziging van TVM en Maes met betrekking tot een mogelijke subrogatie van TVM in de rechten van Aegon cs overweegt het hof dat TVM die grondslag in het geheel niet heeft onderbouwd, zodat die grondslag moet worden verworpen. Nu het de eigen juridische positie van TVM betreft kan TVM niet volstaan met het opwerpen van een hypothese omtrent een geheel nieuwe grondslag voor haar vordering.

18. Resumerend, oordeelt het hof dat grief IV van TVM en [appellante sub 2] (grotendeels, vgl. r.o. 13.3) moet worden verworpen.

In beide zaken:

19.1. In de hoofdzaak wordt het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, met dien verstande dat over de door Maes aan Aegon cs te betalen schadevergoeding ingevolge de CMR niet de wettelijke rente vanaf 26 april 1996 verschuldigd is, maar de CMR-rente vanaf 2 december 1996 (vgl. r.o. 4.10.3), en dat als omrekendatum van de SDR niet 26 april 1996 geldt, maar 31 augustus 2000 (vgl. r.o. 4.10.4).

In de vrijwaring zal het vonnis van de rechtbank worden bekrachtigd. de vierde grief van Maes, waarin zij bezwaar maakt tegen haar veroordeling in de proceskosten, faalt derhalve.

19.2. In hoger beroep zullen in de zaak rolnr. 103.000.078 TVM en [appellante sub 2] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in het principaal appel tot betaling van de proceskosten van Aegon cs worden veroordeeld, en in het incidenteel appel wordt Maes in de proceskosten van TVM en [appellante sub 2] veroordeeld.

In de zaak rolnr. 103.000.061 zal Maes als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in het principaal en het incidenteel appel in de kosten van Aegon cs worden veroordeeld.

20. De uitspraak

Het hof:

in beide zaken:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Roermond van 31 augustus 2000 onder rolnrs. 21899/HA ZA 97-580 en 26877/HA ZA 98-465, met dien verstande dat in de zaak rolnr. 21899/HA ZA 97-580 over het door Maes te betalen schadebedrag ten belope van het equivalent van 32.220,44 SDR de CMR-rente verschuldigd is vanaf 2 december 1996, dat als omrekendatum van de SDR geldt 31 augustus 2000 en dat de beslissing van de rechtbank op deze twee onderdelen wordt vernietigd;

in de zaak rolnr. 103.000.078:

veroordeelt TVM en [appellante sub 2] in de proceskosten in het principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Aegon cs begroot op EUR 9.212,-- voor salaris advocaat en EUR 2.382,35 voor verschotten, en aan de zijde van Maes begroot op EUR 10.210,50 voor salaris advocaat en EUR 2.382,35 voor verschotten;

veroordeelt Maes in de proceskosten in het incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van TVM en [appellante sub 2] begroot op EUR 1.134,50 voor salaris advocaat en nihil voor verschotten;

verklaart het arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaak rolnr. 103.000.061:

veroordeelt Maes in de proceskosten in het principaal en het incidenteel appel, tot op heden aan de zijde van Aegon cs begroot op EUR 7.941,50 voor salaris advocaat, het incident tot voeging daaronder begrepen, en EUR 2.382,50 voor verschotten;

in beide zaken:

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, De Groot-van Dijken en Pellis en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 mei 2009.