Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK1556

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-06-2009
Datum publicatie
29-10-2009
Zaaknummer
20-003445-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL7813, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BL7813
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens ontucht met minderjarigen minder dan 16 jaar, waaronder ook seksueel binnendringen. Hof legt gevangenisstraf op van 36 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk. Hof ziet aanleiding om daarbij een proeftijd van 5 jaren op te leggen. Verweer dat de proeftijd bij een bijzondere voorwaarde ten hoogste 2 jaren kan bedragen verworpen.

(Inhoudsindicatie bijgewerkt op 05-03-2010)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2010, 29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-003445-08

Uitspraak : 22 juni 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 september 2008 in de strafzaak met parketnummer 01-825377-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in P.I. Zuid Oost, Overloon Maashegge BB te Overloon.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 5 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal bevestigen, met verbetering van de opgelegde straf, in dier voege dat de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan verdachte zal worden gelast.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover thans nog van belang – ten laste gelegd dat:

1. primair

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 23 juni 2007 te Eindhoven, met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte

- een of meerdere malen zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of gehouden en/of

- een of meerdere malen die [slachtoffer 1] bewogen om zijn, verdachtes, penis vast te pakken/te betasten en/of (vervolgens) op en neer gaande bewegingen te maken (aftrekken) en/of

- een of meerdere malen de penis van die [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, mond geduwd/gebracht en/of gehouden en/of

- een of meerdere malen de penis van die [slachtoffer 1] vastgepakt/betast en/of (vervolgens) op en neer gaande bewegingen gemaakt (aftrekken).

1. subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 23 juni 2007 te Eindhoven, met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, hierin bestaande dat verdachte:

-een of meerdere malen zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 1] heeft geduwd/gebracht en/of gehouden;

- een of meerdere malen die [slachtoffer 1] heeft bewogen om zijn, verdachtes, penis vast te pakken/te betasten en/of (vervolgens) op en neer gaande bewegingen te maken (aftrekken);

- een of meerdere malen de penis van die [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, mond heeft geduwd/gebracht en/of gehouden;

- een of meerdere malen de penis van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt/betast en/of (vervolgens) op en neer gaande bewegingen heeft gemaakt (aftrekken).

2. primair

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 23 juni 2007 te Eindhoven, met [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte:

- een of meerdere malen een vinger en/of zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of gehouden en/of

- een of meerdere malen zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of gehouden en/of

- een of meerdere malen die [slachtoffer 2] bewogen om zijn, verdachtes, penis vast te pakken/te betasten en/of (vervolgens) op en neer gaande bewegingen te maken (aftrekken) en/of

- een of meerdere malen de penis van die [slachtoffer 2] in zijn, verdachtes, mond geduwd/gebracht en/of gehouden en/of

- een of meerdere malen de penis van die [slachtoffer 2] vastgepakt/betast en/of (vervolgens) op en neergaande bewegingen gemaakt (aftrekken).

2. subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 23 juni 2007 te Eindhoven, met [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, hierin bestaande dat verdachte:

- een of meerdere malen een vinger en/of zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer 2] heeft geduwd/gebracht en/of gehouden en/of

- een of meerdere malen zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 2] heeft geduwd/gebracht en/of gehouden en/of

- een of meerdere malen die [slachtoffer 2] heeft bewogen om zijn, verdachtes, penis vast te pakken/te betasten en/of (vervolgens) op en neer gaande bewegingen te maken (aftrekken) en/of

- een of meerdere malen de penis van die [slachtoffer 2] in zijn, verdachtes, mond heeft geduwd/gebracht en/of gehouden en/of

- een of meerdere malen de penis van die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt/betast en/of (vervolgens) op en neergaande bewegingen heeft gemaakt (aftrekken).

3. primair

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 23 juni 2007 te Eindhoven, met [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3], hebbende verdachte

- een of meerdere malen de penis van die [slachtoffer 3] in zijn, verdachtes, mond gebracht en/of gehouden en/of

- een of meerdere malen de penis van die [slachtoffer 3] vastgepakt/betast en/of (vervolgens) open neer gaande bewegingen gemaakt (aftrekken).

3. subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 23 juni 2007 te

Eindhoven, met [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, hierin bestaande dat verdachte:

- een of meerdere malen de penis van die [slachtoffer 3] in zijn, verdachtes, mond heeft gebracht en/of gehouden en/of

- een of meerdere malen de penis van die [slachtoffer 3] heeft vastgepakt/betast en/of (vervolgens) op en neer gaande bewegingen heeft gemaakt (aftrekken).

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 23 juni 2007 te Eindhoven, met [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, hierin bestaande dat verdachte

- een of meerdere malen die [slachtoffer 4] heeft bewogen om zijn, verdachtes, penis vast te pakken/te betasten en/of (vervolgens) op en neer gaande bewegingen te maken (aftrekken) en/of

- een of meerdere malen de penis van die [slachtoffer 4] heeft vastgepakt/betast en/of (vervolgens) op en neergaande bewegingen heeft gemaakt (aftrekken).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Nietigheid van de dagvaarding

Onder 3 primair is ten laste gelegd het seksueel binnendringen in het lichaam van het slachtoffer. Echter hetgeen daartoe als feitelijke gedragingen van de verdachte in de tenlastelegging is weergegeven, behelst niet het binnendringen in het lichaam van een ander. Nu de verfeitelijking in de tenlastelegging op geen enkele wijze kan beantwoorden aan het kwalificatieve deel van de tenlastelegging, moet de tenlastelegging worden nietig verklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair, feit 2 primair, feit 3 subsidiair en feit 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 23 juni 2007 te Eindhoven, met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hierin bestaande dat verdachte:

- een maal die [slachtoffer 1] heeft bewogen om zijn, verdachtes, penis vast te pakken en vervolgens op en neer gaande bewegingen te maken (aftrekken);

- meerdere malen de penis van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en vervolgens op en neer gaande bewegingen heeft gemaakt (aftrekken).

2. primair

hij in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 23 juni 2007 te Eindhoven, met [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte:

- meerdere malen een vinger in de anus van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en gehouden en

- meerdere malen die [slachtoffer 2] bewogen om zijn, verdachtes, penis vast te pakken en vervolgens op en neer gaande bewegingen te maken (aftrekken) en

- meerdere malen de penis van die [slachtoffer 2] in zijn, verdachtes, mond geduwd/gebracht en gehouden en

- meerdere malen de penis van die [slachtoffer 2] vastgepakt en vervolgens op en neergaande bewegingen gemaakt (aftrekken).

3. subsidiair

hij in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 23 juni 2007 te Eindhoven, met [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hierin bestaande dat verdachte:

- een maal de penis van die [slachtoffer 3] in zijn, verdachtes, mond heeft gebracht en gehouden en

- een maal de penis van die [slachtoffer 3] heeft vastgepakt en vervolgens op en neer gaande bewegingen heeft gemaakt (aftrekken).

5.

hij in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 23 juni 2007 te Eindhoven, met [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hierin bestaande dat verdachte

- een maal die [slachtoffer 4] heeft bewogen om zijn, verdachtes, penis vast te pakken en vervolgens op en neer gaande bewegingen te maken (aftrekken) en

- een maal de penis van die [slachtoffer 4] heeft vastgepakt en vervolgens op en neergaande bewegingen heeft gemaakt (aftrekken).

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Het hof overweegt het navolgende.

Ten aanzien van de grondslag van het rechtsgeding.

De raadsvrouwe heeft het door haar op de terechtzitting van 2 februari 2009 reeds ingenomen standpunt gehandhaafd, inhoudende dat het hof op basis van de voorlopige tenlastelegging van 3 september 2007, met daarop drie feiten, dient te oordelen over deze zaak.

Reeds op de terechtzitting van 2 februari 2009 heeft het hof overwogen dat de voorlopige tenlastelegging niet ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering is aangevuld. Aan verdachte is op 31 oktober 2007 echter wel een gerechtelijk schrijven in persoon betekend, waarboven is vermeld “dagvaarding van verdachte”. In dat stuk worden aan verdachte vijf feiten ten laste gelegd. In eerste aanleg zijn vervolgens op basis van de in die “dagvaarding” van 31 oktober 2007 ten laste gelegde vijf feiten door de rechter-commissaris getuigen gehoord, en is ter terechtzitting door de officier van justitie gerequireerd, door de verdediging gepleit en door de rechtbank beslist.

Het hof is van oordeel dat alle betrokken partijen in eerste aanleg de tenlastelegging van 31 oktober 2007 met daarin vijf feiten als grondslag van de strafrechtelijke procedure hebben beschouwd en aanvaard. Daarmee is de facto de grondslag van het rechtsgeding gewijzigd in de zin van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Immers de ratio van deze bepaling is erin gelegen dat het de verdachte duidelijk is voor welke strafrechtelijke verwijten hij (uiteindelijk) wordt vervolgd en terecht dient te staan. Die verwijten staan expliciet vermeld in de aan hem betekende “dagvaarding” van 31 oktober 2007. Nu de verdachte door deze gang van zaken redelijkerwijs niet in zijn belangen is geschaad, is het hof van oordeel dat de dagvaarding van 31 oktober 2007 met daarin de tenlastelegging van vijf feiten als grondslag van het rechtsgeding in eerste aanleg moet worden beschouwd en daarmee als grondslag voor het rechtsgeding in hoger beroep.

Het hof verwerpt het verweer.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] afgelegde verklaringen.

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat de door [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] afgelegde verklaringen niet betrouwbaar zijn, gelet op de tegenstrijdigheden in de inhoud van die verklaringen, de ontstaansgeschiedenis van de beschuldigingen en het motief dat de jongens kunnen hebben gehad om belastend over de verdachte te verklaren.

De raadsvrouwe heeft daarbij meer in het bijzonder aangevoerd dat waar [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] hebben verklaard dat verdachte een stijf geslachtsdeel had, dit onjuist is, nu het voor verdachte wegens gebruik van het medicijn [naam medicijn] feitelijk onmogelijk was om een erectie te krijgen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is behoedzaam geweest bij de waardering van de verklaringen van de nog jonge getuigen.

Naar aanleiding van de in eerste aanleg gevoerde verweren heeft de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank 's-Hertogenbosch als deskundige prof. dr. R. Bullens (hierna: Bullens) benoemd om onderzoek in te stellen naar de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] afgelegde verklaringen. Op 4 augustus 2008 heeft Bullens over zijn bevindingen gerapporteerd.

Bullens plaatst in dit rapport enkele kanttekeningen bij de kwaliteit van de verhoren en concludeert dat in deze zaak theoretisch gesproken de nodige ruimte is geweest voor het ontstaan van ruis. Er bestaan echter volgens Bullens de nodige aanwijzingen voor de juistheid van de door [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] afgelegde verklaringen. Zo komen er geen aanwijzingen naar voren dat de ouders motieven hadden om hun kinderen een valse of onware verklaring af te laten leggen. Ook vanuit de minderjarigen zelf komen voornoemde motieven niet naar voren. Zij zijn niet uitgesproken negatief over de verdachte en proberen hem niet extra in een kwaad daglicht te plaatsen. Voor [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] geldt dat hun doel niet was om verdachte voor de buitenwereld zwart te maken, maar om te voorkomen dat verdachte meer slachtoffers zou maken. Dit pleit volgens Bullens sterk tegen het mogelijk afleggen van een valse/onware verklaring dan wel het hebben van een wraakmotief.

Ten aanzien van de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] kan worden geconcludeerd dat zij de verklaring van de ander ondersteunen (kruisvalidering). Ook ondersteunen alle jongens hun verklaringen met spontane gebaren, wat erop wijst dat ze de vermeende handelingen als het ware nog voor zich kunnen zien en corrigeren zij de studioverhoorders op punten. Bovendien kan ten aanzien van alle jongens worden vastgesteld dat zij in grote lijnen consistent hebben verklaard en hun verklaring derhalve geen incrementeel karakter draagt, aldus Bullens.

In opdracht van het hof heeft voornoemde rechter-commissaris op 26 maart 2009 onder meer als getuigen gehoord [getuige 1] (de vader van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]), [getuige 2] (de moeder van [slachtoffer 4]), [getuige 3] (een vriendin van [getuige 2]) en op 30 maart 2009 verbalisant [verbalisant]. De getuigen werden daarbij gehoord met betrekking tot de vraag in hoeverre hun handelen invloed gehad kan hebben op enige door de kinderen afgelegde verklaring.

Vervolgens heeft Bullens aan de hand van de beschikbare verhoren van genoemde getuigen, alsmede aan de hand van de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris van 27 november 2007 en de door verdachte op schrift gestelde verklaring, gedateerd september 2007, nader onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] afgelegde verklaringen. Op 27 april 2009 heeft Bullens gerapporteerd dat de getuigenverklaringen hem geen aanleiding geven tot nadere beschouwingen en niet van invloed zijn op de overwegingen en antwoorden in zijn rapport van 4 augustus 2008. Van enige invloed van ruis op de verklaringen van de ouders en op de uiteindelijke verklaringen van de kinderen is in het algemeen niet gebleken.

Gelet op de overwegingen van Bullens ziet het hof geen grond om te twijfelen aan de verklaringen van de kinderen. Het hof acht de door [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] afgelegde verklaringen geloofwaardig.

Het hof overweegt dat de stelling van verdachte dat hij geen erectie kon krijgen niet aannemelijk is geworden. Uit de door de verdediging overgelegde bijsluiter van het medicijn [naam medicijn] volgt enkel dat erectieproblemen een mogelijke bijwerking van de medicatie zijn. Het hof stelt vast dat uit het door verdachte overgelegde journaal van de huisarts niet kan blijken dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode last had van erectiestoornissen.

Het journaal bevat uitsluitend een opgave van de door verdachte gebruikte medicijnen, maar vermeldt niet de aard van de klachten van verdachte bij het medicijngebruik, noch de frequentie waarmee verdachte zich met deze klachten bij de huisarts zou hebben gemeld. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat “erectieproblemen” volstrekt in de weg staan aan het (enigermate) stijf worden van het geslachtsdeel.

De omstandigheid dat [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] hebben verklaard dat verdachte een stijf geslachtsdeel had, doet daarom niet af aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van deze kinderen.

De verklaring van [slachtoffer 1].

De raadsvrouwe heeft ten aanzien van de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring meer specifiek aangevoerd dat deze onvoldoende betrouwbaar is, nu [slachtoffer 1] in zijn verklaring duidelijk is beïnvloed door zijn broer [slachtoffer 2], die eerder tijdens een studioverhoor is verhoord.

Het hof overweegt dat uit de verklaring van 23 juni 2007 van de vader van [slachtoffer 1], [getuige 1], blijkt dat hij eerst met [slachtoffer 1] heeft gesproken en dat [slachtoffer 2] op dat moment nog op kamp was. [slachtoffer 1] heeft zijn vader in dat eerste gesprek verteld dat verdachte hem heeft voorgedaan hoe je je moest aftrekken en dat hij en Sytze elkaar hebben afgetrokken. Een dag later heeft vader pas met [slachtoffer 2] gesproken. [slachtoffer 1] was, blijkens de verklaring die [getuige 1] op 26 maart 2009 tegenover voornoemde rechter-commissaris heeft afgelegd, niet bij het gesprek aanwezig op het moment dat [slachtoffer 2] zijn ouders vertelde over de seksuele handelingen die de verdachte met hem zou hebben verricht.

Het hof oordeelt dat het standpunt van de raadsvrouwe geen steun vindt in de volgtijdelijkheid van de afgelegde verklaringen en verwerpt het verweer reeds om die reden. Ten overvloede voegt het hof daaraan toe dat [slachtoffer 1] ook inhoudelijk een ander verhaal vertelt dan zijn broer [slachtoffer 2], zodat ook daaruit niet de door de raadsvrouwe gestelde beïnvloeding kan worden afgeleid.

De verklaring van [slachtoffer 2].

De raadsvrouwe heeft ten aanzien van de door [slachtoffer 2] afgelegde verklaring meer specifiek aangevoerd dat deze onvoldoende betrouwbaar is, nu [slachtoffer 2] onjuist heeft verklaard over de frequentie van de contacten met de verdachte.

Het hof stelt vast dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij 10 tot 15 weekeinden bij de verdachte heeft verbleven, terwijl verdachte heeft verklaard dat dit 3 tot 4 weekeinden het geval was. Het hof overweegt dat, hoewel de verklaring van [slachtoffer 2] op dit punt mogelijk onjuist is, deze enkele omstandigheid niet met zich brengt dat zijn verklaring ook op overige punten onjuist is. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat er ook buiten de weekeinden dat [slachtoffer 2] bij de verdachte heeft gelogeerd veelvuldig contact tussen hen is geweest, waaronder in het zwembad.

De raadsvrouwe heeft voorts aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer 2] over de condooms die de verdachte zou hebben gebruikt het resultaat is van een suggestieve vraagstelling en om die reden ongeloofwaardig is.

Het hof overweegt dat [slachtoffer 2] tijdens het studioverhoor uit eigen beweging verklaart dat de verdachte een condoom omdeed tijdens de seksuele handelingen die zij met elkaar verrichtten. Het hof acht het in dat licht voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] irrelevant waar die condooms dan lagen. Voorts overweegt het hof dat tijdens een doorzoeking van de woning van de verdachte condooms werden aangetroffen in het nachtkastje op de slaapkamer van de verdachte. In zijn op schrift gestelde verklaring van september 2007 erkent verdachte dat er condooms in het nachtkastje op zijn slaapkamer lagen. Gelet op het vorenstaande verwerpt het hof het verweer dat de verklaring van [slachtoffer 2] ongeloofwaardig is.

De verklaring van [slachtoffer 4].

De raadsvrouwe heeft ten aanzien van de door [slachtoffer 4] afgelegde verklaring meer specifiek aangevoerd dat deze onvoldoende betrouwbaar is, nu deze tot stand lijkt te zijn gekomen door aanhoudende vragen van zijn moeder en door het tonen van de in de buurt verspreide flyer over verdachte.

Het hof overweegt dat uit de verklaringen van [getuige 2], de moeder van [slachtoffer 4], blijkt dat [slachtoffer 4] bij gelegenheid rechtstreeks is gevraagd of er iets tussen verdachte en hem is gebeurd. [slachtoffer 4] heeft hierop steeds ontkennend geantwoord. Ook toen een vriendin van moeder, [getuige 3], [slachtoffer 4] vroeg of “hij last had gehad van die meneer” antwoordde hij dat dit niet het geval was. Enige tijd na het bezoek van [getuige 3] heeft [slachtoffer 4] echter zonder enige aanleiding of druk van buitenaf spontaan aan zijn moeder verteld dat verdachte aan zijn piemel had gezeten en dat hij dit ook bij verdachte had gedaan. Anders dan de raadsvrouwe acht het hof niet aannemelijk dat de verklaring van [slachtoffer 4] door aanhoudende vragen en/of het tonen van genoemde flyer is tot stand gekomen en acht het hof de verklaring van [slachtoffer 4] betrouwbaar.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder feit 1 subsidiair, feit 3 subsidiair en onder feit 5 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 57 van die wet.

Het bewezen verklaarde onder feit 2 primair is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 57 van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht, te weten een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers;

- het feit dat er sprake is van meerdere jonge minderjarige slachtoffers;

- het feit dat de slachtoffers vanwege hun jeugdige leeftijd weinig weerbaar waren en zich in een afhankelijke positie bevonden ten opzichte van verdachte, waarvan verdachte misbruik heeft gemaakt.

Bij de straftoemeting heeft het hof in het voordeel van verdachte in het bijzonder rekening gehouden met:

- de omstandigheid dat verdachte geen geweld heeft toegepast bij het verrichten van de seksuele handelingen met de minderjarigen;

- de omstandigheid dat geen sprake is van zeer langdurig misbruik, maar van een periode van enkele maanden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De raadsvrouwe heeft gesteld dat de proeftijd bij een bijzondere voorwaarde maximaal twee jaar kan zijn, gezien het arrest HR 30 oktober 2007, LJN BB 3999. Dit standpunt van de verdediging houdt echter geen rekening met de wijziging, ingaande 1 februari 2006, van artikel 14b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Ingevolge de sindsdien geldende bepaling kan de proeftijd ten hoogste tien jaren bedragen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Blijkens de toelichting op het amendement van het lid Wolfsen, dat ten grondslag ligt aan de huidige wettekst is onder in de nieuwe bepaling aangegeven voorwaarden een proeftijd van ten hoogste tien jaren mogelijk is als het wenselijk is om een langere periode greep te houden op de veroordeelde. “Zo kan toezicht in een verplicht kader door de reclassering op sommige ontuchtplegers wenselijk zijn” aldus de toelichting op het amendement.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht op te leggen. Het hof overweegt daartoe het volgende.

Blijkens een Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 juli 2008 is verdachte op 3 juni 1988 ter zake “met iemand beneden de leeftijd van 16 jaren ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte hierover medegedeeld, dat deze veroordeling betrekking had op zijn toenmalige relatie met een persoon van 15 jaar. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat tijdens zijn detentie in 1988-1989 aan het licht kwam dat hij ook ontucht had gepleegd met een andere minderjarige die de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt.

Hoewel uit het strafblad blijkt, dat verdachte gedurende een periode van bijna 20 jaar niet ter zake misdrijven met de politie of justitie in aanraking is geweest, moet worden vastgesteld dat verdachte gedurende een periode van enkele maanden in 2006-2007 met vier jongens ontucht heeft gepleegd. Enkelen van hen zijn zeer jeugdig, te weten [leeftijd] respectievelijk [leeftijd] jaar oud. Het hof stelt dan ook vast dat verdachte zich opnieuw schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met (zeer) jonge kinderen. Daarmee heeft verdachte er blijk van gegeven dat hij in staat is meerdere jeugdigen binnen zijn invloedssfeer te krijgen en te houden, waardoor situaties zijn ontstaan waarin door verdachte ontuchtige handelingen met deze jeugdigen zijn gepleegd.

Het hof stelt vast, dat verdachte de door hem erkende bewezen verklaarde handelingen terugvoert op de door hem gebruikte medicatie. Het hof acht evenwel deze verklaring voor de thans bewezen verklaarde handelwijze van verdachte in het geheel niet aannemelijk geworden. Daarbij neemt het hof in aanmerking, dat hetgeen uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken over de medicatie niet de handelwijze van verdachte verklaart, temeer niet nu verdachte zich in de bewezen verklaarde periode diverse malen aan seksuele handelingen met minderjarigen heeft schuldig gemaakt. Dat dit gedrag telkens uitsluitend dan wel hoofdzakelijk het gevolg was van de door verdachte gebruikte medicatie, acht het hof onaannemelijk. Hierbij neemt het hof in ogenschouw, dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, dat hij direct na de door hem erkende seksuele handelingen hiervan spijt had, maar dat het daarna opnieuw gebeurde.

Bij deze stand van zaken moet enerzijds worden vastgesteld dat verdachte geen lering heeft getrokken uit de eerdere veroordeling. Anderzijds houdt het hof er ernstig rekening mee dat verdachte, al dan niet bewust, zijn geneigdheid tot seksuele handelingen met minderjarigen ontkent dan wel bagatelliseert.

Gelet op het vorenstaande en gezien de omstandigheid dat verdachte bereid en in staat is gebleken ten aanzien van vele minderjarigen seksuele misdrijven te plegen, houdt het hof er ernstig rekening mee dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Gelet op al het vorenstaande acht het hof het noodzakelijk om verdachte gedurende de hierna te noemen periode de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht op te leggen, opdat toezicht en controle op het gedrag van verdachte kunnen worden uitgeoefend.

Beslag

Van de hierna te vermelden in beslag genomen goederen, die nog niet aan verdachte zijn teruggegeven en met betrekking tot welke niet is gebleken dat verdachte daarvan rechtsgeldig afstand heeft gedaan, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum]) heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.052. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum]) als gevolg van verdachtes onder feit 1 subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Het hof zal omtrent de kosten van de benadeelde partij beslissing als hierna te melden.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum]) heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.052. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum]) als gevolg van verdachtes onder feit 2 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Het hof zal omtrent de kosten van de benadeelde partij beslissing als hierna te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 60a, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart de dagvaarding met betrekking tot het onder 3 primair ten laste gelegde nietig.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder feit 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder feit 1 subsidiair, feit 2 primair, feit 3 subsidiair en feit 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder bewezen verklaarde oplevert:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 3 subsidiair, telkens:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2 primair:

Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 5:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 9 (negen) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd zich stelt onder het toezicht van Reclassering Nederland, unit 's-Hertogenbosch te 5233 VG 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6 en zich gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen, door deze instelling te geven in het reclasseringsbelang van verdachte.

Geeft deze instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

1 computer, Paradigit Performer P414 (BPS 07-074530), 1 computer Philips (BPS 07-074530), 1 DVD-speler Lenco HDVR-80, 20 diskettes, 11 Cd-roms, 1 USB stick, 2 boeken Wat doe jij met mijn kind door S. van de Velde.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum]) toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 1.052,00 (duizend tweeënvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2007 tot de dag der algehele voldoening van de vordering.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum]), wonende te [adres] [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 1.052,00 (duizend tweeënvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2007 tot de dag der algehele voldoening van de vordering.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum]) toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 1.052,00 (duizend tweeënvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2007 tot de dag der algehele voldoening van de vordering.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum]), wonende te [adres] [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 1.052,00 (duizend tweeënvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2007 tot de dag der algehele voldoening van de vordering.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. C.M. Aarts en mr. N.J.L.M. Tuijn,

in tegenwoordigheid van mr. S.J.F. Heirman, griffier,

en op 22 juni 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.