Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK1454

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
HV 200.037.874
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appel Uithuisplaatsing; Belang vader bij appel nu vader geen gezag heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

MS

27 oktober 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer: HV 200.037.874/01

Zaaknummer eerste aanleg: 193462/JE RK 09-1052MZ01

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. L.G.P.A. van Putten-van den Heuvel,

t e g e n

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord en Zuidoost-Brabant, locatie [plaatsnaam],

gevestigd en mede kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de raad.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 juni 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 juli 2009, heeft de vader verzocht - uitvoerbaar bij voorraad - voormelde beschikking te vernietigen en - naar het hof begrijpt - het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van het hierna te noemen minderjarige kind van de vader en mevrouw [Y.] (hierna te noemen: de moeder), alsnog af te wijzen, dan wel een andere beslissing te nemen die het hof juist acht.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 juli 2009, heeft de moeder verzocht - uitvoerbaar bij voorraad - de bestreden beschikking te vernietigen en - naar het hof begrijpt - het verzoek van de raad tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige alsnog af te wijzen, dan wel een andere beslissing te nemen die het hof juist acht.

2.2.1. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 27 juli 2009, heeft de raad verzocht het verzoek van de vader af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 augustus 2009, heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg (hierna te noemen: de stichting) verzocht het verzoek van de vader in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2009. Gelet op de onderlinge samenhang is deze zaak gevoegd behandeld met het beroep van de moeder tegen dezelfde beschikking onder zaaknummer HV 200.038.760/01. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. J.A.P. Jacobs;

- de moeder, bijgestaan door mr. H.M.S. Cremers;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw P.P.M. Termeer;

- de stichting, vertegenwoordigd door de heer H.A. Witsiers.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 15 juni 2009;

- de brief met bijlage d.d. 21 juli 2009 en de brieven d.dis 29 juli 2009 en 13 augustus 2009 van de raad.

3. De beoordeling

3.1. Uit de inmiddels verbroken relatie van de vader en de moeder is geboren:

[Z.] (hierna: [Z.]), op [geboortejaar] te [geboorteplaats].

Het gezag over [Z.] berust bij de moeder.

3.2. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank [Z.] onder toezicht gesteld van de stichting voor de duur van een jaar en machtiging verleend tot plaatsing van [Z.] in een verblijf pleegouder 24-uurs voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.3. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4. De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte bepaald dat [Z.] onder toezicht dient te worden gesteld en dat ten aanzien van hem een machtiging tot uithuisplaatsing dient te worden gegeven. De vader erkent dat de ontwikkeling van [Z.] is gestagneerd en dat [Z.] een achterstand heeft op bepaalde gebieden. Hieraan wordt echter hard gewerkt. [Z.] krijgt bij de moeder weliswaar niet de zorg die hij nodig heeft, maar er is onvoldoende onderzocht of er andere mogelijkheden zijn. Nimmer is er voldoende uitgebreid stilgestaan bij de opvoedingscapaciteiten van de vader. De vader is een goede opvoeder, zoals ook blijkt uit het verslag van de Stichting Thuiszorg Brabant Noord-Oost d.d. 12 februari 2008. Hij is beter dan de moeder in staat om de volledige zorg voor [Z.] op zich te nemen.

3.5. De moeder voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte ten aanzien van [Z.] een machtiging tot uithuisplaatsing afgegeven. De moeder is het volstrekt oneens met de conclusie dat zij niet in staat is om [Z.] basale zorg en veiligheid te bieden en dat zij beperkte opvoedingscapaciteiten heeft. Recentelijk is er veel veranderd. De moeder werkt thans één à twee dagen in de week, zij heeft een aanvullende uitkering aangevraagd, zij heeft de band met de man bij wie zij woonde verbroken en huurt nu zelf een woning en de schuldhulpverlening is gestart. Als er momenteel een ontwikkelingsachterstand dreigt voor [Z.] zal deze door de uithuisplaatsing niet worden ingelopen. De moeder is van mening dat zij met professionele hulp van bijvoorbeeld de gezinsvoogd in staat is om [Z.] alleen op te voeden. De stelling van de vader dat hij een goede opvoeder is met een bijzondere gave voor de kinderen dient te worden genuanceerd. De moeder is van mening dat [Z.] niet bij de vader kan wonen.

3.6. De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. De raad is van mening dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing terecht zijn uitgesproken en dat de gronden hiervoor onverkort aanwezig zijn. De raad acht een bekrachtiging van de bestreden beschikking in het belang van [Z.]. De raad verwijst voor een nadere onderbouwing van zijn standpunt naar de raadsrapportage van 4 mei 2009.

3.7. De stichting heeft ter zitting onder meer aangevoerd dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing dienen te worden gehandhaafd. Immers, de (positieve) ontwikkeling die de moeder heeft doorgemaakt is nog heel pril. Er zijn nog zorgpunten. Zo heeft de stichting tijdens de omgang geconstateerd dat als de moeder ergens mee bezig is, zij [Z.] vergeet. Ook acht de stichting het zorgelijk dat het de vader iedere keer weer lukt om het leven van de moeder binnen te dringen. Verder heeft de stichting verklaard dat uit de stukken blijkt dat de vader erg betrokken is bij [Z.] en zijn best doet, maar dat hij geen realistisch beeld heeft van de ontwikkeling van [Z.] en van hetgeen [Z.] nodig heeft. De vader projecteert zijn wil op [Z.].

3.8. Het hof overweegt het volgende.

3.8.1. Op grond van artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige die zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of naar is te voorzien zullen falen, onder toezicht stellen.

3.8.2. Op grond van artikel 1:261 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige uit huis plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Het hof is van oordeel dat hier sprake van is en overweegt daartoe het volgende.

3.8.3. Uit het raadsrapport d.d. 4 mei 2009 blijkt dat de ontwikkeling van [Z.] sinds mei 2008 stagneert op verschillende gebieden. [Z.] heeft een achterstand op spraaktaalgebied en op het gebied van de fijne motoriek. De sociaal-emotionele ontwikkeling van [Z.] baart ook zorgen. [Z.] laat steeds meer driftig gedrag zien. Het gevaar bestaat dat dit dwingend gedrag steeds grotere vormen aan zal nemen. Zijn contact met anderen, inclusief de moeder, is vluchtig te noemen.

3.8.4. Uit voornoemd raadsrapport blijkt eveneens dat de moeder en de vader niet zien dat de ontwikkeling van [Z.] stagneert. De raad is van oordeel dat de moeder [Z.] geen basale zorg en veiligheid kan bieden. De moeder is een emotioneel beschadigde vrouw die slechts zeer beperkt in staat is tot het bieden van affectie en tot het aangaan van een emotionele binding. De opvoedingscapaciteiten van de moeder zijn beperkt. De moeder is weinig responsief naar [Z.] en corrigeert en stuurt hem beperkt bij. [Z.] worden geen grenzen en geen duidelijkheid aangeboden. De vader van [Z.] is een psychisch kwetsbare man met een zeer beperkte draagkracht. Hij heeft een vervormd realiteitsbeeld met een gebrek aan ziekte- en zelfinzicht. Hij toont veel affectie naar [Z.] en is overbetrokken. De vader heeft eigenzinnige ideeën over opvoeding en is hierin star. Hij overvraagt [Z.] en sluit niet aan op het ontwikkelingsniveau van [Z.]. Volgens de raad zijn beide ouders zowel praktisch als pedagogisch en geestelijk onvoldoende toegerust om de verzorging en opvoeding van [Z.] te waarborgen.

3.8.5. Het hof overweegt dat op grond van voornoemde stukken en het verhandelde ter zitting de nodige zorgen aangaande (de ontwikkeling van) [Z.] en de pedagogische opvoedingskwaliteiten van de vader (en de moeder) zijn gebleken. Uit het verslag van de Stichting Thuiszorg Brabant Noord-Oost d.d. 12 februari 2008 blijkt niet dat de vader - zoals hij zelf stelt - een goede opvoeder is. Dit blijkt ook nergens anders uit. Naar het oordeel van het hof is een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [Z.] nog immer noodzakelijk.

3.8.6. Voorts is het hof van oordeel dat de vader feitelijk gezien geen belang heeft bij het door hem ingestelde appel nu de vader met dit appel in de huidige juridische situatie niet kan bereiken wat hij beoogt, namelijk dat [Z.] bij hem komt wonen of dat [Z.] bij familie van hem wordt geplaatst. Immers, de moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [Z.] en zij wil niet dat [Z.] bij de vader woont. Plaatsing van [Z.] bij de vader is dan enkel in twee gevallen mogelijk. Allereerst zou [Z.] bij de vader (of zijn familie) kunnen worden geplaatst in het kader van een uithuisplaatsing. Echter, de vader wil met het appel nu juist bereiken dat het verzoek van de raad tot uithuisplaatsing van [Z.] wordt afgewezen. Daarnaast zou [Z.] bij de vader geplaatst kunnen worden indien de hoofdverblijfplaats van [Z.] bij de moeder gewijzigd wordt in hoofdverblijf bij de vader. Een wijziging van de hoofdverblijfplaats kan echter alleen worden verzocht en verkregen door de vader indien hij (mede) met het gezag is belast.

3.9. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 juni 2009;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank ’s-Hertogenbosch.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lamers, Milar en Renckens en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2009.