Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK1445

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
HV 200.044.631
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontovering, Haags Kinderontvoeringsverdrag, weigering terugkeer kinderen op grond van artikel 13. lid 1 sub b HKOV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/58
JPF 2011/80
RFR 2010, 7

Uitspraak

WvR

27 oktober 2009

Sector Civiel recht

Zaaknummer HV 200.044.361/01

Zaaknummer eerste aanleg 343776 FA RK 09-6241

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S.H.M. Skrotzki,

t e g e n

De Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Justitie, belast met de taak van

CENTRALE AUTORITEIT,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Centrale Autoriteit,

optredend voor zichzelf en namens:

[Y.],

wonende te [woonplaats], België,

hierna te noemen: de moeder.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond, nevenzittingsplaats ’s-Gravenhage, van 17 september 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 september 2009, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en alsnog het verzoek tot teruggeleiding naar België af te wijzen, althans de beslissing daarop aan te houden voor de duur van zes maanden, zodat de Raad voor de Kinderbescherming in de tussentijd een aanvullend rapport kan uitbrengen.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 oktober 2009, heeft de Centrale Autoriteit, mede namens de moeder, verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen, met dien verstande dat het hof bepaalt dat de minderjarigen vóór of uiterlijk op 30 oktober 2009 zullen worden teruggeleid naar hun gewone verblijfplaats in België, althans dat de teruggeleiding zal plaatsvinden op een datum en wijze als het hof in goede justitie juist zal achten.

2.3. Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van mr. S.H.M. Skrotzki namens de vader van 13 oktober 2009;

- de brief met bijlagen van mevrouw R. van der Ven namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) van 13 oktober 2009;

- de brief van mr. Skrotzki namens de vader van 14 oktober 2009;

- het faxbericht met bijlagen van Stichting Bureau Jeugdzorg, ingekomen ter griffie op 16 oktober 2009.

2.4.1. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2009.

Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:

- de vader, bijgestaan door mevrouw mr. S.H.M. Skrotzki;

- mevrouw mr. M.M. Maljaars-Hendrikse namens de Centrale Autoriteit;

- de moeder;

- de heer R.J. Flinsenberg namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad);

- mevrouw drs. A. Clabbers en mevrouw J. Hendriks namens Stichting Bureau Jeugdzorg (hierna: de stichting).

2.4.2. Het hof heeft de minderjarigen [A.] en [B.] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.

Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

3. De beoordeling

3.1. Tussen partijen staat het volgende vast.

3.1.1. De vader en de moeder zijn op 18 september 1992 te Gemert met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren:

- [A.], op [geboortejaar] te [geboorteplaats];

- [B.], op [geboortejaar] te [geboorteplaats].

Tot het uiteengaan van de ouders hebben zij samen met [A.] en [B.] in [plaatsnaam], België, gewoond.

3.1.2. Bij vonnis van 16 oktober 2003 heeft de rechtbank te Turnhout, België, de echtscheiding tussen de vader en de moeder uitgesproken. De rechtbank heeft daarnaast de tussen de vader en de moeder gesloten onderhandse overeenkomsten d.d. 5 mei 2003 gehomologeerd. In deze overeenkomsten zijn de vader en de moeder onder meer overeengekomen dat het gezag over [A.] en [B.] na de echtscheiding aan hen beiden toekomt. Tevens was er een omgangsregeling tussen de vader enerzijds en [A.] en [B.] anderzijds overeengekomen, inhoudende dat de kinderen elke dinsdag en donderdag een middag en een nacht bij de vader verbleven.

3.1.3. In september 2007 heeft de vader de kinderen zonder toestemming van de moeder meegenomen. De kinderen zijn uiteindelijk weer naar de moeder teruggekeerd. Bij beschikking van 11 oktober 2007 heeft de voorzitter van de rechtbank te Hasselt, België, op verzoek van de moeder het recht van de vader op persoonlijk contact met de kinderen opgeschort.

Bij tussenvonnis van 16 juni 2008 heeft de rechtbank te Hasselt, naar aanleiding van het verzoek van de vader primair tot bepaling van het hoofdverblijf van de kinderen bij hem en subsidiair tot vaststelling van een omgangsregeling, een deskundig onderzoek bevolen teneinde de rechtbank te adviseren omtrent de verblijfsregeling voor de kinderen. Daarnaast heeft de rechtbank voorlopig aan de vader een omgangsrecht met de kinderen toegekend onder begeleiding van CAW SONAR te [plaatsnaam 2].

3.1.4. Bij vonnis van de rechtbank te Hasselt van 19 februari 2009 is een voorlopig omgangsrecht aan de vader toegekend, inhoudende:

- wekelijks, afwisselend op zaterdag en zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de eerste vier contacten zullen plaatsvinden in aanwezigheid van de grootmoeder of grootvader van vaderszijde;

- tijdens het eerste en laatste weekend van de paasvakantie van zaterdag om 10.00 uur tot zondag om 18.00 uur;

- tijdens de paasvakantie wordt voornoemde wekelijkse omgangsregeling opgeschort en deze wordt hervat na het eerste weekend van de paasvakantie.

Het verloop van de omgang tussen de vader en de kinderen zou op 18 mei 2009 tijdens de zitting worden geëvalueerd

3.1.5. Op 24 april 2009 heeft de vader [A.] en [B.] zonder toestemming van de moeder meegenomen naar Nederland en niet meer teruggebracht.

3.2. De moeder heeft op 4 mei 2009 bij de Nederlandse Centrale Autoriteit een verzoek ingediend tot teruggeleiding van de kinderen naar België.

3.3. Nadat de vader niet bereid is gebleken om mee te werken aan een vrijwillige teruggeleiding van [A.] en [B.] naar België, heeft de Centrale Autoriteit, mede namens de moeder, op 21 juli 2009 een verzoekschrift bij de rechtbank Roermond ingediend en daarin verzocht de onmiddellijke terugkeer van de kinderen naar België te bevelen.

De vader heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.4. Bij beschikking van 24 juli 2009, zo blijkt uit de beschikking waarvan beroep, heeft de rechtbank Roermond zich bevoegd geacht om van de zaak kennis te nemen. De rechtbank Roermond heeft voorts op grond van artikel 8 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen, juncto Aanwijzingsbesluit ’s-Gravenhage als nevenzittingsplaats in internationale kinderontvoeringen, bepaald dat de behandeling van voornoemd verzoek in de nevenzittingsplaats te ‘s-Gravenhage zal plaatsvinden. Het verzoek tot teruggeleiding is aldaar op 27 juli 2009 ingekomen.

3.5. Bij beschikking van 20 augustus 2009 heeft de rechtbank Roermond, nevenzittingsplaats ’s-Gravenhage, de raad verzocht een onderzoek uit te voeren, waarbij de volgende vragen worden beantwoord:

- Verzetten de kinderen zich tegen een eventuele terugkeer naar België en hebben zij een leeftijd en mate van rijpheid die rechtvaardigt dat met hun mening rekening moet worden gehouden?

De rechtbank heeft voorts iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van het rapport van de raad.

3.6. Uit het rapport van de raad van 28 augustus 2009 komt het volgende naar voren.

3.6.1. Bij [A.] is sprake van het Syndroom van Gilles de la Tourette en ADHD.

Bij [B.] is ADHD gediagnosticeerd. Daarnaast is bij hem sprake van dyslexie.

De kinderen geven beiden duidelijk aan dat zij zich verzetten tegen terugkeer naar de moeder. Dit verzet is, aldus de raad, invoelbaar en begrijpelijk, omdat de kinderen een warme band met hun vader hebben en er in de opvoedingssituatie bij de vader sprake lijkt te zijn van meer vrijheid en minder structuur en begrenzing en veel tijd voor en aandacht aan voor de kinderen leuke en creatieve activiteiten.

Bij de moeder en haar partner is sprake van meer en duidelijke regels, structuur en begrenzing, waaraan beide kinderen gezien hun problematiek grote behoefte hebben, maar wat door hen als storend en lastig kan worden ervaren.

3.6.2. De raad is van mening dat [A.] wel de leeftijd maar niet de mate van rijpheid heeft en [B.] de leeftijd, noch de mate van rijpheid heeft die rechtvaardigen dat op dit moment rekening moet worden gehouden met hun mening. Het is niet uit te sluiten dat de complexe voorgeschiedenis van de afgelopen twee jaar voor de kinderen niet helder is en veel verwarring en heftige gevoelens bij hen heeft veroorzaakt. Beide kinderen geven blijk van onvoldoende (zelf)reflectief vermogen. Zij zijn niet in staat een voldoende objectieve en stabiele afweging te maken ten aanzien van hun beleving van de vader, de moeder en haar partner, de opvoedingssituaties en wat een en ander voor hen individueel betekent. Beide kinderen zijn loyaal aan de vader en gaan mee in het denken van de vader.

3.7. Bij beschikking van 2 september 2009, hersteld bij beschikking van 30 september 2009, heeft de rechtbank Roermond op verzoek van de raad [A.] en [B.] voorlopig onder toezicht van de stichting gesteld voor een periode van drie maanden. Daarnaast heeft de rechtbank ten aanzien van de kinderen een machtiging tot plaatsing van de kinderen in een voorziening voor crisisopvang verleend voor de duur van twee weken. De kinderen zijn op 3 september 2009 geplaatst bij [naam jeugdzorg] te [vestigingsplaats]

3.8. Bij beschikking van 15 september 2009 heeft de rechtbank een machtiging tot plaatsing van de kinderen in een voorziening voor crisisopvang verleend tot uiterlijk 15 oktober 2009.

3.9. Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank Roermond, nevenvestigingsplaats ’s-Gravenhage, de teruggeleiding van [A.] en [B.] naar België, althans de afgifte van hen aan de moeder gelast op 30 oktober 2009.

De rechtbank heeft daarbij overwogen dat geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna: Haags Kinderontvoeringsverdrag of HKOV), terwijl er minder dan één jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van de kinderen naar Nederland en de indiening van het verzoek tot teruggeleiding.

3.10. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.10.1. De eerste grief van de vader houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vader onvoldoende heeft aangetoond dat er een ernstig risico bestaat dat de kinderen door hun terugkeer worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondraaglijke toestand worden gebracht. De vader is van mening dat de kinderen bij de moeder gevaar lopen. Hij voert in dat kader aan dat met name de partner van de moeder de kinderen uitscheldt, slaat en schopt en dat ook de moeder de kinderen fysiek en psychisch mishandelt. Volgens de vader zijn de kinderen hierover erg duidelijk en heeft hij zelf ook regelmatig blauwe plekken geconstateerd. De vader voert daarnaast aan dat de kinderen zich heel duidelijk en consequent verzetten tegen de terugkeer naar de moeder en dat zij ervan overtuigd zijn dat de moeder en haar partner slecht zijn.

De vader stelt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de kinderen niet de mate van rijpheid hebben die rechtvaardigt dat op dit moment met hun mening rekening wordt gehouden. Volgens de vader acht de raad de kinderen alleen al vanwege de gebeurtenissen en de invloed van de vader qua rijpheid niet in staat om de situatie goed in te schatten. De vader concludeert hieruit dat de kinderen, als zij een tijdje op een neutrale plek zitten, tot rust komen en niet meer onder invloed van de vader zijn, hun eigen mening kunnen vormen en dat met deze mening dan rekening kan worden gehouden.

Hij zou graag zien dat de kinderen, na geruime tijd in een neutrale omgeving te hebben verbleven, in de gelegenheid worden gesteld om nogmaals hun mening kenbaar te maken.

3.10.2. De Centrale Autoriteit heeft, mede namens de moeder, de grieven bestreden.

De Centrale Autoriteit en de moeder betwisten dat de kinderen bij terugkeer naar België in een ondraaglijke toestand zullen worden gebracht zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b HKOV.

Zij zijn voorts van mening dat de rechtbank, mede gelet op de bevindingen van de raad, terecht heeft vastgesteld dat [A.] niet de rijpheid en [B.] de leeftijd noch de mate van rijpheid hebben bereikt die het rekening houden met hun mening rechtvaardigen.

3.11. Het hof stelt voorop dat geen grief is gericht tegen de overweging van de rechtbank in haar tussenbeschikking van 20 augustus 2009, inhoudende dat de overbrenging van [A.] en [B.] naar Nederland dient te worden aangemerkt als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 HKOV. Hiermee staat de ongeoorloofdheid van de overbrenging en daarmee de toepasselijkheid van het Haags Kinderontvoeringsverdrag vast.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of een van de in het Haags Kinderontvoeringsverdrag opgenomen gronden voor weigering van de teruggeleiding van toepassing is. De ontvoerende ouder dient hierop wel een beroep te doen. Het hof begrijpt de stellingen van de vader in hoger beroep aldus dat de vader een beroep doet op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b HKOV (ernstig risico voor [A.] en [B.] bij terugkeer naar België) en op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 2 HKOV (verzet van [A.] en [B.] tegen terugkeer naar België).

3.12. Het hof zal eerst nagaan of [A.] en [B.] een leeftijd en een mate van rijpheid hebben bereikt die rechtvaardigen dat met hun mening rekening kan worden gehouden.

3.12.1. Het hof heeft [A.] en [B.] voorafgaande de mondelinge behandeling gehoord. Tijdens dit verhoor is gebleken dat beide kinderen zich heftig verzetten tegen een terugkeer naar de moeder en haar partner in België. Beiden verwijten de moeder dat ze door haar en haar partner zijn geslagen en geschopt en dat de moeder haar partner boven hen heeft verkozen.

3.12.2. Met name [B.] is heel stellig in zijn verzet. Hij heeft aangegeven dat zijn band met de moeder is verslechterd sinds haar huidige partner bij hen is komen wonen en dat hij het slaan en schoppen niet kan vergeten. Hij heeft voorts te kennen gegeven dat hij het wekelijkse persoonlijke contact met de moeder niet als fijn ervaart en dat hij dan wegkijkt en niet op de moeder reageert. [B.] voelt zich prettig en veilig bij de vader. Volgens hem vindt hij bij de vader ‘alles wat een kind nodig heeft’.

3.12.3. Hoewel [A.] tijdens het verhoor ook heeft laten blijken van verzet tegen terugkeer, is hij veel genuanceerder in zijn houding jegens de moeder. Zo heeft hij aangegeven dat het wekelijkse persoonlijke contact met de moeder bij de crisisopvang beter gaat en lijkt hij, in tegenstelling tot [B.], niet geheel afwijzend tegenover de moeder te staan. Toch is hij heel duidelijk in zijn standpunt: ook hij voelt zich veel prettiger en veilig bij de vader en wil absoluut niet terug naar de moeder en haar huidige partner in België.

3.12.4. Op grond van de stukken en het horen van de kinderen is het hof van oordeel dat zowel de leeftijd van [B.] (12 jaar) als de leeftijd van [A.] (bijna 16 jaar) rechtvaardigt dat met hun mening rekening gehouden wordt. Het hof is echter met de raad en de rechtbank van oordeel dat de vereiste rijpheid hiervoor bij [B.] ontbreekt. [B.] is, mede gelet op zijn stellingnames en woordkeuze, niet in staat om los van de invloed van de vader een eigen mening te vormen. In de ogen van [B.] is alles wat vader doet goed en alles wat moeder doet slecht. Hij kan daarin geen enkele nuancering aanbrengen. Met betrekking tot [B.] is de tweede grief van de vader dan ook ongegrond.

3.12.5. In tegenstelling tot de raad en de rechtbank heeft [A.] naar het oordeel van het hof wel een voldoende mate van rijpheid dat met zijn mening rekening kan worden gehouden. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is [A.] enigszins genuanceerd in zijn houding jegens de moeder en is hij betrekkelijk zelfstandig in staat om los van de invloed van de vader een veel minder zwart/wit beeld van de ouders te geven en een eigen mening te vormen. Of dit ertoe moet leiden dat reeds om die reden ten aanzien van [A.] het verzoek tot teruggeleiding moet worden afgewezen, kan echter gelet op het navolgende onbesproken blijven.

3.13. Op grond van artikel 13 lid 1 sub b HKOV is de rechter van de aangezochte staat niet gehouden de terugkeer van een kind naar zijn land van herkomst te gelasten, wanneer er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer aan een lichamelijk of geestelijk gevaar wordt blootgesteld dan wel op andere wijze in een ondraaglijke toestand wordt gebracht. Het hof stelt voorop dat doel en strekking van het Haags Kinderontvoeringsverdrag meebrengen dat voornoemde weigeringsgrond restrictief dient te worden uitgelegd. Dit betekent dat niet snel mag worden aangenomen dat deze weigeringsgrond aanwezig is. Van een ernstig risico voor lichamelijk of geestelijk gevaar of een ondraaglijke toestand kan hooguit sprake zijn als het kind in het land waarin het terugkeert vrijwel zeker in direct lijfelijk of geestelijk gevaar zal komen te verkeren vanwege de daar heersende (politieke of sociale) omstandigheden. Hoewel het hof zich er derhalve van bewust is dat voornoemde weigeringsgrond terughoudend dient te worden toegepast, is het hof van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [A.] en [B.] door terugkeer naar (de moeder in) België in een dergelijke situatie zullen worden gebracht. Het hof neemt daarbij het navolgende in aanmerking.

3.13.1. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de raad in de resultaten van het onderzoek, verricht op verzoek van de rechtbank in het kader van de teruggeleidingsprocedure, aanleiding heeft gezien om ten aanzien van de kinderen een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken. De raad heeft in zijn bijlage van 2 september 2009 bij het verzoek van die datum tot voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing hieraan ten grondslag gelegd dat de kinderen door de overbrenging naar Nederland abrupt uit hun vertrouwde omgeving zijn weggehaald en aan het hulpverleningstraject in België en aan het Belgische onderwijs zijn onttrokken, dat de vader door zijn handelen en overtuigingen het voor de kinderen onmogelijk maakt om contact te hebben met de moeder en dat niet uitgesloten kan worden dat de vader met de kinderen onderduikt. Voornoemd verzoek van de raad heeft geresulteerd in de beschikking van de rechtbank Roermond van 2 september 2009, waarbij de kinderen voorlopig onder toezicht zijn gesteld van de stichting voor de duur van drie maanden, derhalve tot 2 december 2009, en waarbij ten aanzien van de kinderen een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend voor de duur van twee weken. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat ook de machtiging tot uithuisplaatsing inmiddels is verlengd tot 2 december 2009.

3.13.2. Uit het latere rapport van de raad van 5 oktober 2009 en uit het eerste plan van aanpak van 16 oktober 2009 van de stichting komt naar voren dat de kinderen niet terug kunnen naar de vader, omdat de vader pedagogisch onmachtig is om de kinderen een adequate opvoeding te geven. De vader sluit weliswaar aan bij de emotionele behoeften van de kinderen, maar is niet in staat de kinderen ruimte te bieden om loyaal te zijn aan de moeder en belast de kinderen ernstig met zijn eigen “waarheden”.

3.13.3. Ook bij de moeder is gebleken van pedagogische onmacht. Hoewel in het gezin van de moeder sprake is van structuur, regelmatig gebruik van medicatie, het volgen van onderwijs en het stimuleren van het maken van huiswerk, is de moeder niet in staat om op een adequate manier om te gaan met het gedrag en de problematiek van de kinderen. Vast is komen te staan dat er in het gezin van de moeder sprake is geweest van geweld jegens de kinderen. De moeder heeft zowel tegenover de raad als ter zitting tegenover het hof toegegeven dat de kinderen in het verleden wel eens door haar en haar partner werden geslagen als zij grensoverschrijdend gedrag vertoonden. Zij en haar partner hebben daarna opvoedingsondersteuning gezocht en gekregen (in de vorm van oudertraining ADHD). De moeder heeft echter tijdens haar bezoek aan de kinderen in de crisisopvang eind september 2009 laten blijken nog altijd niet om te kunnen gaan met het grensoverschrijdend gedrag van [B.] door hem een klap in het gezicht te geven. Voorts is uit de stukken en ter zitting gebleken dat de moeder en haar partner voor wat betreft de opvoeding van en de hulpverlening aan de kinderen niet op één lijn zitten.

3.13.4. Tenslotte is het hof tijdens het kinderverhoor gebleken dat de kinderen zich heftig verzetten tegen terugkeer naar de moeder en haar partner. Het verzet is door de neutrale plaatsing van de kinderen in de crisisopvang niet verminderd, integendeel. Het oordeel van het hof dat [B.] niet een voldoende mate van rijpheid heeft bereikt dat met zijn mening rekening kan worden gehouden, doet niet af aan de ernst en stelligheid van zijn verzet. Duidelijk is dat aan het verzet van beide kinderen een zeer ernstige vertrouwensbreuk met de moeder en haar partner ten grondslag ligt.

3.13.5. De moeder heeft ter zitting in ieder geval ten aanzien van [B.] erkend dat aan thuisplaatsing een intensief hulpverleningstraject in een residentiële voorziening in België vooraf dient te gaan. In haar visie - die afwijkt van die van de stiefvader - behoort onmiddellijke terugplaatsing van [A.] in haar gezin wel tot de mogelijkheden, maar ook ten aanzien van hem erkent ze begeleiding bij de opvoeding nodig te hebben.

3.13.6. Het hof is met de raad en de stichting van oordeel dat bij een eventuele terugkeer van de kinderen naar België voortzetting van justitiële hulpverlening en uithuisplaatsing van de kinderen in België noodzakelijk is in het belang van de kinderen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is het hof echter gebleken dat de noodzakelijke hulpverlening in België nog altijd niet is opgestart, terwijl onduidelijk is wanneer die wel zal aanvangen. Dit betekent dat, indien de kinderen conform de beslissing van de rechtbank vóór of op 30 oktober 2009 terugkeren naar België, terwijl er niets geregeld is ten aanzien van een voortzetting van de gedwongen hulpverlening en uithuisplaatsing in België, het enige alternatief is dat de kinderen teruggeplaatst worden bij de moeder, althans dat er geen waarborg is dat dit niet zal gebeuren. Gezien de pedagogische onmacht van de moeder, het feit dat (recentelijk) sprake is geweest van geweld door de moeder en de stiefvader jegens de kinderen, de ernstige vertrouwensbreuk tussen de moeder en de kinderen, het verzet van de kinderen jegens een terugkeer naar de moeder en haar partner en het verschil in opvatting tussen de moeder en de stiefvader over een eventuele terugkeer van de kinderen in hun gezin, zal zo’n onmiddellijke terugkeer naar verwachting ernstige schade toebrengen aan de ontwikkeling van beide kinderen. Gelet hierop en op het feit dat er geen garantie bestaat dat bij terugkeer van de kinderen in België concrete maatregelen ter bescherming van de kinderen zijn gerealiseerd, is het hof van oordeel dat er een ernstig risico bestaat dat de kinderen bij hun terugkeer naar België in een ondraaglijke toestand als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b HKOV worden gebracht.

3.13.7. Het hof wijst er in dat verband nog op dat afwijzing van het teruggeleidingsverzoek niet in strijd komt met artikel 11 lid 4 van de Verordening Brussel II bis. Immers krachtens die bepaling kan de terugkeer van een kind niet op grond van artikel 13 lid 1 sub b HKOV geweigerd worden, wanneer vaststaat dat er adequate voorzieningen zijn getroffen om de bescherming van het kind na terugkeer te verzekeren. In dit geval ontbreken dergelijke voorzieningen.

3.13.8. Artikel 3 tweede lid IVRK verplicht Nederland als verdragstaat ertoe om in een geval als het onderhavige de beide ondertoezicht gestelde en uithuisgeplaatste kinderen te verzekeren van de bescherming en zorg die nodig zijn voor hun welzijn en daartoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen te nemen, zoals in dit geval het alleen dan teruggeleiden van de kinderen als in België het voortzetten van hun hier te lande noodzakelijk geachte bescherming voldoende is gewaarborgd.

3.14. De eerste grief van de man slaagt derhalve.

3.15. Uit het bovenstaande volgt dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en dat het verzoek van de Centrale Autoriteit en de moeder om de teruggeleiding van de kinderen te gelasten, alsnog dient te worden afgewezen.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Roermond, nevenzittingsplaats ’s-Gravenhage, van 17 september 2009;

en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af het verzoek van de Centrale Autoriteit en de moeder om de onmiddellijke terugkeer van [A.] en [B.] naar België te gelasten.

Deze beslissing is gegeven door mrs. Koens, Milar en Renckens en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2009.