Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK1180

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-08-2009
Datum publicatie
26-10-2009
Zaaknummer
08/00430
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL9810, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht niet-ontvankelijk verklaard in bezwaar tegen aanslag successierecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/62.1.3
FutD 2009-2364
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00430

Uitspraak op het hoger beroep van

mevrouw drs. X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 29 april 2008, nummer AWB 07/4504, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z, van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 13 februari 2002 een aanslag in het recht van successie opgelegd wegens een verkrijging in 1999.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 107.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6. De zitting heeft plaatsgehad op 5 juni 2009 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord

belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.7. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota met 23 bijlagen toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de 23 bij deze pleitnota behorende bijlagen.

1.8. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 13 februari 2002 een aanslag in het recht van successie opgelegd naar een verkrijging van fl. 688.996. Belangebbende heeft tegen deze aanslag bij brief van 7 april 2007, bij de Inspecteur ingekomen op 11 april 2007, bezwaar gemaakt.

2.2. In de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en daarbij de aanslag gehandhaafd.

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.3. Belanghebbende is enig erfgenaam van haar stiefmoeder mevrouw A (hierna: erflaatster). Erflaatster was gehuwd met de vader van belanghebbende. Op 10 juli 1999 is erflaatster overleden.

2.4. De aangifte voor het recht van successie is door tussenkomst van notaris mr. B te C (hierna: de notaris) door de Inspecteur ontvangen op 28 juni 2000.

2.5. Tijdens de aanslagfase heeft de Inspecteur gecorrespondeerd met de notaris. Tot de gedingstukken behoren twee brieven van 23 november 2001 en 13 december 2001 die de Inspecteur naar de notaris heeft gezonden. Op 12 december 2001 heeft belanghebbende een gesprek met de Inspecteur gehad ten kantore van de Belastingdienst.

2.6. De aanslag is door de Inspecteur toegezonden naar het door belanghebbende gekozen domicilieadres, zijnde het adres van de notaris.

2.7. Tot de gedingstukken behoort een kopie bankafschrift, waaruit blijkt, dat de aanslag in het recht van successie op 12 april 2002 door belanghebbende is betaald.

2.8. Bij brief van 25 april 2002 is door de Belastingdienst naar de notaris een aanmaning gezonden tot betaling van de aanslag. De notaris heeft de aanmaning in kopie doorgezonden naar belanghebbende met een begeleidende brief, waarin de notaris belanghebbende verzoekt de aanslag te betalen.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk in bezwaar is verklaard.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Belanghebbende stelt, dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op grond waarvan niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet blijven.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de uitspraak op bezwaar. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

4.1. Het Hof stelt voorop dat niet in geschil is dat het bezwaar van belanghebbende ruimschoots na de bezwaartermijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb is ingediend. Dit betekent dat het Hof uitsluitend heeft te beoordelen of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb op grond waarvan niet-ontvankelijk-verklaring achterwege moet blijven.

4.2. Naar vaste jurisprudentie heeft in geval van ziekte te gelden dat de indiener van het bezwaarschrift wegens die ziekte buiten staat moet zijn geweest om tijdig bezwaar in te dienen. Ziekte en psychische problemen leveren geen verschoonbare termijnoverschrijding op indien de betrokkene tijdig maatregelen had kunnen nemen om die termijnoverschrijding te voorkomen, bijvoorbeeld door het laten indienen van een pro forma bezwaarschrift (vgl. Hoge Raad 28 juni 2002, BNB 2002/311).

4.3. Het Hof is van oordeel dat de psychische gesteldheid van belanghebbende niet van dien aard was dat zij daardoor buiten staat was tijdig bezwaar te (laten) maken. Hiertoe laat het Hof wegen dat belanghebbende een notaris had ingeschakeld voor het doen van de successieaangifte. De notaris was daarna de contactpersoon richting de Belastingdienst getuige de briefwisseling eind 2001 en de aanmaning tot betaling in april 2002. Dat deze aanmaning door de Belastingdienst ten onrechte was verstuurd, is weliswaar uiterst ongelukkig, maar doet niet af aan het feit, dat de notaris ten tijde van het opleggen van de aanslag en ook daarna, de contactpersoon was tot wie de Belastingdienst zich wendde. Ook belanghebbende heeft contact gehad met de notaris, zoals blijkt uit de brieven van de notaris over de voortgang van de successieaangifte van 13 augustus 2001 en 31 augustus 2001 en de doorgezonden aanmaning van 25 april 2002 aan belanghebbende.

Verder heeft belanghebbende de aanslag tijdig betaald en was zij blijkens haar verklaring ter zitting ten tijde van het opleggen van de aanslag weer bij haar werkgever D aan het werk. De hiervoor genoemde omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het Hof niet de conclusie dat belanghebbende buiten staat was om tijdig bezwaar in te (laten) dienen.

4.4. Dat belanghebbende niet is geïnformeerd over de mogelijkheid van een pro forma bezwaarschrift is een omstandigheid, die voor haar rekening moet blijven en maakt het oordeel van het Hof niet anders. Gesteld noch gebleken is dat op het aanslagbiljet geen rechtsmiddelenverwijzing stond vermeld.

Ook de omstandigheid dat belanghebbende pas later op de hoogte is geraakt van de rechterlijke uitspraak in een andere zaak (de zaak "Hiddink"), die volgens haar in haar geval van betekenis zou kunnen zijn voor de bepaling van de materiële belastingschuld, brengt geen verandering in 's Hofs oordeel (vgl. Hoge Raad 8 februari 2002, BNB 2002/105).

4.5. Belanghebbende heeft verzocht uit oogpunt van redelijkheid de termijnoverschrijding verschoonbaar te verklaren. Wet noch jurisprudentie biedt ruimte aan het Hof om een dergelijke redelijkheidstoets aan te leggen.

4.6. Het voorgaande brengt het Hof tot de conclusie dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

4.7. Belanghebbende stelt zich verder nog op het standpunt dat de termijn van vijf jaar waarbinnen een verzoek tot ambtshalve herziening kan worden gedaan, in haar geval niet van toepassing kan zijn, aangezien zij tot eind 2004 in behandeling was bij de GGZ. Het Hof merkt in dit verband op dat de termijn die de Belastingdienst voor een verzoek tot ambtshalve vermindering heeft gesteld alsmede de beslissing van de Inspecteur op een dergelijk verzoek, niet door de rechter kunnen worden beoordeeld.

4.8. Het Hof merkt ten slotte op dat voor zover belanghebbende opkomt tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999 van erflaatster, haar grieven tegen die aanslag in deze procedure niet aan de orde kunnen komen.

4.9. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 14 augustus 2009 door J. Swinkels, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en W.F.G. Wijnen, leden, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.