Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK1173

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-08-2009
Datum publicatie
26-10-2009
Zaaknummer
08/00203
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Auto is terecht als bestelauto aangemerkt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/4.26 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00203

Uitspraak op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 31 januari 2008, nummer AWB 06/5458 in het geding tussen

de heer X,

hierna: belanghebbende

en

de Inspecteur

betreffende na te noemen naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting en de daarbij opgelegde boetebeschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 0000.00.000.Y3.90001 over het tijdvak 5 april 2003 tot en met 4 januari 2004 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 876 aan belasting, alsmede op de voet van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bij beschikking een boete van € 876. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar, de naheffingsaanslag en de boetebeschikking vernietigd en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en de Staat gelast het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht hebben belanghebbende en de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 7 mei 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de Inspecteur. Belanghebbende is, met bericht, niet verschenen.

1.6. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. Aan het proces-verbaal is een afschrift van de onder 1.6 bedoelde pleitnota gehecht.

1.8. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaringen van de Inspecteur tijdens het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende stond sinds 5 april 2003 als houder van het motorrijtuig met kenteken 00-XX-XX, Ford Transit (260), (hierna: de auto) ingeschreven in het zogenoemde kentekenregister. Voor de auto was motorrijtuigenbelasting voldaan naar het tarief voor een bestelauto.

2.2. Op 8 oktober 2003 om 11.45 uur is namens de Inspecteur geconstateerd dat met de auto gebruik werd gemaakt van de openbare weg, de Provinciale weg N 325 te A. Na het staande houden van de auto is de auto geïnspecteerd. Hiervan is een controledocument opgemaakt, dat, voor zover te dezen van belang, als volgt luidt:

'Geconstateerde verschillen ten aanzien van de gegevens in het kentekenregister

[Hof; handgeschreven] Twee banken dmv een stalen frame op laadvloer dmv bouten bevestigd aan laadvloer. Tafel tussen de 2 banken. Twee stopcontacten in zijwand achter de bestuurdersstoel. Eén stopcontact aan buitenzijde in zijwand van de bestuurderskant.

Verklaring bestuurder

Ik heb deze auto splinternieuw gekocht, zonder tussenschot. Ik heb zelf de houten kisten in de auto geplaatst. Ik heb er kussens opgelegd om er lekker op te kunnen zitten om bijv koffie te drinken en wat te eten onderweg. Ik ben niet bekend met de Wet BPM zoals u hem heeft uitgelegd, anders had ik het niet zo gemaakt.'.

2.3. Op 3 juni 2004 is namens de Inspecteur een nader onderzoek uitgevoerd naar de inrichting van de auto. Hiervan is een rapport opgemaakt, dat, voor zover te dezen van belang, luidt als volgt:

'Op 03-06-2004 heb ik een onderzoek ingesteld bij X, wonende B-straat 6 te C, houder van het motorrijtuig, merk Ford, voorzien van het kenteken 00-XX-XX. Gesproken met de echtgenote van de houder.

Het betreft een grote bestelauto, waarvan de laadruimte een lengte heeft van meer dan 200 cm en een hoogte van meer dan 130 cm, dit over een breedte van meer dan 20 cm. Het betreft een vlakke laadvloer. In de laadruimte was geen zitbank of bevestigingspunten hiervoor aanwezig.

Gezien bovenstaande kan de auto niet worden aangemerkt alszijnde een personenauto en is derhalve belast naar het bestelauto-tarief.

Mevr. X1 verklaarde het volgende:

"Wij hebben deze auto nieuw gekocht enwel speciaal voor het vervoer van onze grote honden. Wij hebben ook nog een personenauto. Mijn man had kisten in de laadruimte gemaakt en hier kussens opgelegd. Nadat hij door de douane is aangehouden heeft hij alles uit de auto verwijderd. Wij zijn naar D geweest voor een gesprek met de douane. Wij zouden hiervan nog bericht ontvangen, maar tot heden hebben wij niets van hen vernomen. Het was zeer zeker niet de bedoeling om een zitbank in de auto te maken.".'.

2.4. Belanghebbende heeft de auto aangeschaft om zijn honden in te kunnen vervoeren. Na de koop van de auto heeft hij in de lengterichting kisten aangebracht om spullen in op te bergen om te voorkomen dat de honden door rondslingerende spullen in de laadruimte zouden worden geraakt. Op de kisten bevonden zich op 8 oktober 2003 (zit)kussens, waarop tijdens stilstand zittend koffie kon worden gedronken. Een losse plank werd als tafel gebruikt. De stopcontacten zijn aangebracht om de honden te föhnen. De kisten waren op laatstgenoemde datum eenvoudig te verwijderen en zijn nadien ook daadwerkelijk verwijderd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft in hoger beroep nog uitsluitend het antwoord op de volgende vragen:

I. Dient de auto te worden aangemerkt als een personenauto als bedoeld in artikel 2, aanhef, onderdeel b van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hier en hierna tekst 2003) dan wel als een bestelauto als bedoeld in artikel 2, aanhef, onderdeel c van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994?

II. Indien vraag I zo moet worden beantwoord dat sprake is van een bestelauto: Dient de auto op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 in samenhang met artikel 3 van de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994 (toch) te worden aangemerkt als personenauto, omdat geen sprake is van een vlakke laadvloer?

III. Zo de beantwoording van voorgaande vragen leidt tot de conclusie dat sprake is van een personenauto: Dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd op grond van door de staatssecretaris van Financiën gevoerd beleid zoals neergelegd in het besluit van 13 december 2002, nr. CPP 2002/1574M, onder meer gepubliceerd in VN 2003/10.25?

Belanghebbende is van mening dat de vragen I en II moeten worden beantwoord in de zin dat sprake is van een bestelauto en dat vraag III bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is met betrekking tot de vragen I en II van oordeel dat sprake is van een personenauto en met betrekking tot vraag III dat deze ontkennend moet worden beantwoord.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen de Inspecteur hieraan ter zitting heeft toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. De Inspecteur concludeert - na het verhandelde ter zitting - tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boetebeschikking en bevestiging van de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de naheffingsaanslag. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Vraag I

4.1. Naar het oordeel van het Hof maken de kisten de auto niet geschikt voor het vervoer van personen in de laadruimte. De kisten zijn bedoeld en in het bijzonder geschikt voor het ordentelijk vervoeren van spullen. Het feit, dat op de kisten zitkussens lagen om tijdens stilstand van de auto daarop te kunnen zitten - om koffie te drinken - doen hier niet aan af. Evenmin doet aan het vorenstaande af dat een losse plank als tafel werd gebruikt. Naar het oordeel van het Hof is de auto niet ingericht voor personenvervoer.

4.2. Vraag I moet zo worden beantwoord, dat sprake is van een bestelauto als bedoeld in artikel 2, aanhef, onderdeel c van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.

Vraag II

4.3. De bevestiging van de kisten aan de laadvloer door middel van bouten doet er niet aan af, dat sprake is van een vlakke laadvloer. Het feit dat de kisten verankerd waren aan de laadvloer doet aan het karakter van laadruimte niet af, nu deze wijze van bevestiging van kisten de laadruimte bij uitstek geschikt maakte voor vervoer van honden, omdat overige spullen in de kisten - ter bescherming van de honden - konden worden opgeborgen. Bovendien maakte de wijze van bevestiging het mogelijk deze kisten ook weer eenvoudig te verwijderen.

4.4. Vraag II moet zo worden beantwoord, dat de auto niet op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 in samenhang met artikel 3 van de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994 als personenauto moet worden aangemerkt.

Vraag III

4.5. Gelet op het antwoord op vragen I en II behoeft vraag III geen beantwoording meer.

Slot

4.6. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond en dient de uitspraak van de Rechtbank - daargelaten wat er zij van de door Rechtbank gehanteerde gronden - te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7. Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 447.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8. Nu het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op

1 (punt) x € 322,- (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 483 voor de behandeling van het hoger beroep bij het Hof.

Het Hof acht geen redenen aanwezig om op de voet van artikel 2, lid 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht af te wijken van het vorenstaande. Anders dan belanghebbende stelt in zijn verweerschrift in hoger beroep, onder conclusie, is geen sprake van een door de Inspecteur in hoger beroep verdedigd standpunt waarvan duidelijk is dat dat in hoger beroep geen stand zou houden. Daartoe is dat standpunt zozeer verweven met de waardering van de feiten en omstandigheden, dat hij redelijkerwijs mocht aannemen dat het niet uitgesloten was dat het Hof tot een ander oordeel dan door de Rechtbank gegeven zou kunnen komen.

5. Beslissing

Het Hof:

* bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

* veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 483 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

* bepaalt dat door tussenkomst van de griffier van de Staat ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 447.

Aldus gedaan op: 28 augustus 2009 door P. Fortuin, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van A.A. van de Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.