Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK0168

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-08-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
08/00458
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in 2000 het maatschapsdeel van haar echtgenoot overgenomen waarbij de landbouwgronden tegen een zakelijke waarde aan haar zijn overgedragen. In de taxatie van de bedrijfsopstallen is de landbouwgrond niet begrepen. Per 31 december 2003 staakt belanghebbende haar eenmanszaak en wordt de landbouwgrond overgebracht naar privé. De inspecteur laat taxeren en past de landbouw vrijstelling toe op de waardestijging van Wevab naar Wev. De Wevab is aanmerkelijk hoger dan de boekwaarde. Belanghebbende stelt dat de boekwaarde hoger moet worden gesteld omdat in het jaar 2000 tegen een te lage waarde zou zijn overgedragen. Belanghebbende heeft van deze stelling de bewijslast en zo oordeelt het Hof, met de rechtbank, in deze bewijslast slaagt belanghebbende niet. De overgelegde becijferingen, waarbij met een waardestijging van 10 % per jaar is gerekend zijn hiertoe onvoldoende. De inspecteur is terecht uitgegaan van de boekwaarde. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00458

Uitspraak op het hoger beroep van

mevrouw X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 13 mei 2008, nummer 07/3445 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 137.634, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 107. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 De zitting heeft plaatsgehad op 20 mei 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen worden geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is gezonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende dreef, samen met haar echtgenoot, een agrarische onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma, waarbij belanghebbende een winstaandeel had van 40% en haar echtgenoot van 60%. Op 31 december 2000 heeft de echtgenoot van belanghebbende zijn aandeel in de vennootschap onder firma overgedragen aan belanghebbende. In zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2000 heeft de echtgenoot van belanghebbende het standpunt ingenomen dat enkel sprake was van een stille reserve begrepen in het melkquotum.

2.2. Naar aanleiding van het in de aangifte ingenomen standpunt heeft de belastingdienst, nadat de adviseur van de echtgenoot van belanghebbende heeft aangegeven geen prijs te stellen op een minnelijke taxatie, opdracht gegeven voor het verrichten van een taxatie van bedrijfsopstallen naar de toestand per 31 december 2000. Blijkens het met dagtekening 5 februari 2003 opgemaakte taxatierapport was de waarde van de bedrijfsopstallen op 31 december 2000 hoger dan de boekwaarde daarvan. Als gevolg hiervan werd de stakingswinst van de echtgenoot van belanghebbende met € 18.759 verhoogd. Belanghebbende heeft vervolgens de hogere waarde op haar balans geactiveerd.

2.3. De landbouwgrond en de overige opstallen zijn niet in de taxatie van de belastingdienst betrokken. De boekwaarde van de gronden is op de beginbalans van de eenmanszaak van de belanghebbende per 1 januari 2001 gesteld op de prijs die belanghebbende met haar echtgenoot was overeengekomen. In de jaarstukken over het jaar 2000 is opgenomen, voor zover te dezen van belang:

'II.3 Opmerkingen

- Per 31-12-2000 treedt de heer A uit de maatschap; hij rekent af over zijn fiscale reserves die slechts schuilgaan in het melkquotum; de economische waarde van de overige activa is gelijk aan de boekwaarde per 31/12. (...) Het bedrijf zal worden voortgezet door de verblijvende vennoot mevrouw X, die de activa van haar echtgenoot tegen boekwaarde overneemt.'.

2.4. Op 31 december 2003 heeft belanghebbende haar eenmanszaak gestaakt. In haar aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2003 heeft belanghebbende een stakingswinst vermeld van € 20.385. Naar aanleiding van een boekenonderzoek wordt op 7 november 2006 een taxatierapport opgesteld. Hieruit volgt een waarde in het economisch verkeer van de landerijen per 31 december 2003 van € 260.000 en een waarde in het economisch verkeer bij agrarische bestemming van de landerijen van € 179.000. De boekwaarde bedraagt € 43.263.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of bij de bepaling van de stakingswinst terecht de boekwaarde van de landbouwgrond op 1 januari 2001 tot uitgangspunt is genomen.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van € 93.452. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

4.1. Het Hof stelt voorop dat op belanghebbende de bewijslast rust van haar stelling dat de waarde van de landbouwgrond op 31 december 2000 hoger was dan tussen haar en haar echtgenoot destijds - als zijnde een zakelijke waarde - in aanmerking is genomen, mede gelet op de omstandigheid dat in de jaarstukken over het jaar 2000 wordt vermeld dat alleen in het melkquotum een stille reserve schuilt

4.2. Met de door belanghebbende gemaakte berekeningen, waarbij zij uitgaande van de per 31 december 2003 vastgestelde waarde van de landbouwgrond, de waarde van de gronden op 1 januari 2001 heeft berekend met inachtneming van een jaarlijkse waardestijging van 10%, heeft zij aan de op haar rustende bewijslast niet voldaan. Deze berekening is ongeschikt om de waarde per 1 januari 2001 te bepalen, omdat de juistheid staat of valt met de door belanghebbende in aanmerking genomen waardestijging per jaar, die door de Inspecteur in zijn verweerschrift, punt 4 in hoger beroep is betwist. Evenmin vormt de door belanghebbende vastgestelde omvang van het waardeverschil tussen 1 januari 2001 en 31 december 2003 voldoende bewijs voor haar stelling dat de tussen partijen destijds bedongen prijs te laag moet zijn geweest. Overigens heeft belanghebbende anderszins geen bewijs bijeengebracht van haar stelling dat de waarde van de landbouwgrond op 1 januari 2001 te laag is vastgesteld.

4.3. Aan het vorenstaande doet niet af, dat de Inspecteur de landerijen niet in het waarderingsonderzoek van 5 februari 2003 heeft betrokken, omdat - zoals overwogen - de bewijslast op belanghebbende rust.

4.4. Gelet op het voorgaande is de Inspecteur bij de vaststelling van het bedrag van de stakingswinst terecht uitgegaan van de boekwaarde van de landbouwgrond op

1 januari 2001. Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd, daargelaten wat er zij van de door de Rechtbank gebezigde gronden.

Ten aanzien van het griffierecht

4.5. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.6. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op: 28 augustus 2009 door G.J. van Muijen, voorzitter, P. Fortuin en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.