Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK0167

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-09-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
08/00443
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is profvoetballer en bij zijn eerste Nederlandse club is de 35 %-regeling toegepast, na een procedure tot aan de Hoge Raad. Na een transfer wordt door de nieuwe club geen verzoek gedaan om toepassing van de , nu, 30%-regeling; een dergelijk verzoek zo verklaarde de inspecteur, zou zijn toegestaan. Zonder dit verzoek geen beschikking, naar het oordeel van het Hof terecht. Het beroep op het vertrouwensbeginsel verwerpt het Hof omdat het voeren van een procedure tot aan de Hoge Raad niet meebrengt dat bij een volgende werkgever niet opnieuw een verzoek zou moeten worden gedaan. De inspecteur heeft hieromtrent evenmin toezeggingen gedaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-2233
NTFR 2009/2205 met annotatie van TH.J.M. VAN SCHENDEL
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00443

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 9 mei 2008, nummer AWB 07/3019, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z, van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2005.

Onderzoek ter zitting

De zitting heeft plaatsgehad op 28 augustus 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 11 september 2009, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Gronden

1. Belanghebbende is profvoetballer en is aanvankelijk vanuit A aangetrokken door voetbalclub B (hierna: B). Belanghebbende is op 1 juli 2000 in dienst getreden bij B.

2. Belanghebbende en B hebben een gezamenlijk verzoek ingediend om toepassing van de toenmalige 35%-regeling. De Inspecteur heeft het verzoek afgewezen. Na beroep en cassatie heeft de Inspecteur het verzoek over de periode 1 juli 2000 tot en met 30 juni 2009 alsnog toegewezen bij beschikking van 20 juni 2006.

3. Op 1 juli 2004 is belanghebbende gecontracteerd door voetbalclub C (hierna: C). Belanghebbende en C hebben niet gevraagd om toepassing van de 30%-bewijsregel. C heeft bij de uitbetaling van het loon geen rekening gehouden met de 30%-bewijsregel.

De Inspecteur heeft ter zitting verklaard, dat indien belanghebbende en C hadden gevraagd om toepassing van de 30%-bewijsregel, dit verzoek was toegewezen. Omtrent de reden, waarom belanghebbende en C geen verzoek hebben ingediend, is niets komen vast te staan.

4. Kernpunt in het geschil is het antwoord op de vraag of in deze bijzondere situatie het belanghebbende kan worden tegengeworpen dat geen gezamenlijk verzoek om continuering van de 30%-bewijsregel is ingediend.

Belanghebbende doet een beroep op het vertrouwensbeginsel en op een redelijke wetsuitleg.

5. Ingevolge artikel 9, lid 1, samenhangend met artikel 9h, lid 1, Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: het Besluit) wordt een verzoek om toepassing of voortgezette toepassing van de bewijsregel ten aanzien van een ingekomen werknemer gedaan aan de Inspecteur. Deze beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Toepassing van deze 30%-bewijsregel is derhalve enkel mogelijk met een daartoe strekkende beschikking van de Inspecteur afgegeven naar aanleiding van een gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn werkgever.

De Inspecteur heeft ter zitting verklaard, dat alle gevallen gelijk worden behandeld, dat strikt aan de wettelijke eisen wordt vastgehouden en dat hij geen enkele uitzondering op de wettelijke eis van het doen van een verzoek toestaat.

6. Vaststaat dat belanghebbende en C bij aanvang van de tewerkstelling van belanghebbende noch op een later tijdstip hebben verzocht om toepassing van de 30%-bewijsregel. Nu geen verzoek is gedaan, brengt het bepaalde in artikel 9h, lid 1, van het Besluit, mee dat de Inspecteur terecht geen beschikking heeft afgegeven. Voor dat geval is de bewijsregel niet van toepassing voor de periode dat belanghebbende in dienst is van C.

7. Belanghebbendes beroep op het vertrouwenbeginsel ten aanzien van het met terugwerkende kracht toepassen van de 35%-regeling over de jaren, dat hij bij B speelde, is naar het oordeel van het Hof ongegrond. De omstandigheid, dat na een procedure die tot en met de Hoge Raad is gevoerd, alsnog de 35%-regeling wordt toegepast bij een voormalige werkgever (B), brengt niet met zich mee, dat bij een latere werkgever (C) geen verzoek om voortgezette toepassing van de - dan geldende - 30%-bewijsregel, moet worden gedaan. Beide regelingen zijn immers slechts van toepassing, indien aan de daarop van toepassing zijnde eisen is voldaan en bij iedere werkrelatie dient getoetst te worden of nog steeds aan die eisen wordt voldaan.

Gesteld noch gebleken is dat er door de Inspecteur een toezegging is gedaan.

8. Een redelijke wetsuitleg, zoals belanghebbende voorstaat, zou, gelet op het beleid van de Inspecteur, geschetst onder 5, leiden tot een niet re rechtvaardigen ongelijkheid.

9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet het hoger beroep van belanghebbende ongegrond worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en F. Sonneveldt, leden, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 september 2009.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 14 september 2009

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.