Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK0165

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-09-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
07/00491
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN5797, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende was eigenaar van een auto, waarvan de geldigheid van het kenteken was geschorst. Gedurende de schorsing werd de auto waargenomen als geparkeerd op een particulier parkeerterrein, behorend bij een flatgebouw,; bij dit parkeerterrein waren geen fysieke barrieres of borden aangebracht waaruit zou blijken dat vrije toegang niet was toegestaan of niet mogelijk was. Aan belanghebbende wordt wegens het gebruik van de openbare weg gedurende een schorsing van het kenteken een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd. Belanghebbende stelt dat er geen sprake is van een openbare weg, maar het Hof concludeert, met de rechtbank , dat beslissend is of de weg feitelijk voor het verkeer openstaat. Uit de feiten leidt het Hof af dat dit het geval was, ondanks de aanwezigheid van een bord waarop stond aangegeven: X-straat nr's 1 t/m 80. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-2247
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 07/00491

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 3 september 2007, nummer AWB 07/407 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 0000.00.000.Y.6.90002 over het tijdvak 22 mei 2006 tot en met 28 september 2006 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 194 aan belasting, alsmede bij beschikking een boete van € 194.

De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard voor zover het de boete betreft, de uitspraak op bezwaar tegen de boete en de boetebeschikking vernietigd, het beroep ongegrond verklaard voor zover het de naheffingsaanslag betreft, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644 en de Staat gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 aan deze te vergoeden.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 106.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 7 mei 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een foto overgelegd van het parkeerterrein behorend bij een nabij de woning van belanghebbende gelegen appartementencomplex.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.7. Het Hof heeft in deze zaak op 20 mei 2009 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 28 mei 2009 aan partijen verzonden.

1.8. Belanghebbende heeft tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De griffier van de Hoge Raad heeft bij schrijven van 22 juli 2009 verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende was volgens het kentekenregister van 19 mei 2006 tot en met 28 september 2006 houder van de personenauto, merk Renault, met kenteken XX-XX-00 (hierna: de auto). De geldigheid van het kentekenbewijs van de auto was vanaf 22 mei 2006 geschorst in de zin van hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

2.2. Op 15 augustus 2006 omstreeks 16.10 uur is door de Inspecteur geconstateerd dat belanghebbende met de auto geparkeerd stond op het parkeerterrein behorende bij het flatgebouw aan de A-straat te Y (hierna: het parkeerterrein). In dit gebouw huurt belanghebbende een flat. Het parkeerterrein is in particulier eigendom bij de verhuurder van de flat. Voor de inrit en op het parkeerterrein zijn geen borden of fysieke barrières aangebracht waaruit zou volgen dat een vrije toegang van het verkeer niet is toegestaan of niet mogelijk is.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het parkeerterrein moet worden aangemerkt als een voor het openbaar rijverkeer of ander verkeer openstaande weg als bedoeld in artikel 5 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB).

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover het de naheffingsaanslag betreft, vernietiging van de uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag, en vernietiging van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

4.1. Belanghebbende stelt dat hij door het parkeren van de auto op vorenbedoeld parkeerterrein heeft geparkeerd op privéterrein en niet op de openbare weg.

4.2. In artikel 5 van de Wet MRB is het begrip weg als volgt gedefinieerd: elke voor het openbaar rijverkeer of ander verkeer openstaande weg en elk zodanig pad, de in de weg of het pad liggende bruggen en duikers alsmede de tot de weg behorende paden en bermen of zijkanten.

4.3. Voor de beantwoording van de vraag of een particulier terrein als een voor het openbaar rijverkeer of ander verkeer openstaande weg als bedoeld in artikel 5 van de Wet MRB moet worden aangemerkt, is beslissend of het terrein feitelijk voor het openbaar rijverkeer openstaat; daarvoor zijn van belang de feitelijke omstandigheden, zoals of door de rechthebbende(n) wordt geduld dat het algemene rijverkeer gebruik maakt van het terrein (HR 11 mei 2007, nr. 41.912 en HR 8 april 1997, nr. 602-96-V, VR 1998, 2). Onjuist is de opvatting van belanghebbende dat het parkeerterrein reeds geen openbare weg is omdat vanwege de particuliere eigendom de toegang tot dat terrein kan worden ontzegd.

4.4. Vaststaat dat voor de inrit en op het parkeerterrein geen borden of fysieke barrières zijn aangebracht waaruit zou volgen dat een vrije toegang van het verkeer niet is toegestaan of niet mogelijk is. Uit het vermelde op het bord met het opschrift A-straat 1 t/m 71 volgt evenmin dat het parkeerterrein niet vrij toegankelijk is. Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat het parkeerterrein feitelijk voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaat.

Dit houdt in dat de auto van belanghebbende geparkeerd stond op een voor openbaar rij- of ander verkeer openstaand parkeerterrein.

4.5. Uit hetgeen het Hof heeft overwogen onder 4.4 volgt dat de Inspecteur ingevolge artikel 35, lid 1, van de Wet MRB terecht en tot het juiste bedrag de onderhavige naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting heeft opgelegd.

4.6. Gelet op al het vorenoverwogene moet worden beslist als bovenvermeld.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op: 10 september 2009 P. Fortuin, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. Afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Deze schriftelijke uitspraak is slechts een vervanging van de zogenoemde mondelinge uitspraak, waartegen al beroep in cassatie is ingesteld. Voor de Hoge Raad geldt deze schriftelijke uitspraak als de uitspraak waartegen dat beroep is ingesteld. Tegen deze schriftelijke uitspraak kan niet opnieuw beroep in cassatie worden ingesteld.

De partij die tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie heeft ingesteld, kan binnen zes weken na de verzending van deze schriftelijke uitspraak de gronden van het eerder ingestelde beroep aanvoeren of aanvullen. De brief met de gronden van het beroep moet binnen de termijn van zes weken door de Hoge Raad zijn ontvangen. Eventuele vertraging bij de verzending is voor risico van de partij die de gronden aanvoert of aanvult. De brief moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage.