Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK0162

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-08-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
08/00504
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM5135, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende genoot in het onderhavige jaar geen inkomsten uit werk en woning en haar echtgenoot heeft in dit jaar in Duitsland gewerkt. Op verzoek van belanghebbende heeft de inspecteur een voorlopige teruggaaf verleend van € 1.827, de gecombineerde heffingskorting. Deze heffingskorting heeft de inspecteur bij de definitieve aanslag 2004 weer teruggevorderd. Partijen zijn het erover eens dat op grond van artikel 8.8 en 8.9 Wet IB 2001aan belanghebbende geen gecombineerde heffingskorting kan worden verleend, maar belanghebbende beroept zich op het EG-verdrag en op de anti-discriminatiebepalingen van het EVRM. Het Hof verwijst voor wat betreft de eerste grief naar het arrest van de Hoge Raad van 16 november 2007, nr. 43.084 waarin reeds is beslist dat het niet verlenen van de gecombineerde heffingskorting niet in strijd is met het EG-recht. De stelling dat er prejudicieel het oordeel van het HvJ van de EG verwerpt het Hof omdat het Hof niet twijfelt aan de juistheid van het arrest. Voor de wetgeving bestaat voorts een objectieve en redelijke rechtvaardiging, zodat er evenmin ruimte is voor de stelling dat er sprake zou zijn van discriminatie als bedoeld in artikel 14 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/61.1.4
FutD 2009-2255
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00504

Uitspraak op het hoger beroep van

mevrouw X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 18 juli 2008, nummer AWB07/5045 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2004, met nummer 0000.00.000.H.46, een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een te betalen bedrag van

€ 1.827. Bij deze aanslag is een bedrag van € 107 aan heffingsrente in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de aanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 107.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 juni 2009 te 's-Hertogenbosch. Belanghebbende en de Inspecteur zijn met kennisgeving aan het Hof niet verschenen.

1.5. Het hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1. Belanghebbende, gehuwd, genoot in het jaar 2004 geen inkomsten uit werk en woning. Haar echtgenoot heeft gedurende het jaar 2004 in Duitsland gewerkt.

2.2. Belanghebbende heeft voor het jaar 2004 verzocht om uitbetaling van de gecombineerde heffingskorting. De Inspecteur heeft naar aanleiding van dit verzoek aan belanghebbende door middel van een voorlopige teruggaaf een bedrag van € 1.827 uitbetaald.

2.3. De Inspecteur heeft op 29 maart 2006 aan de echtgenoot van belanghebbende voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.370. Op grond van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied, is de echtgenoot hierover echter geen inkomstenbelasting verschuldigd. De Inspecteur heeft aan de echtgenoot van belanghebbende geen aanslag in de premie volksverzekeringen opgelegd omdat hij volgens EG-verordening nr. 1408/71 in Duitsland sociaal verzekerd is.

2.4. Op 30 maart 2006 heeft de Inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd waarbij de gecombineerde heffingskorting van € 1.827 werd teruggevorderd. Bij de aanslag is € 107 heffingsrente in rekening gebracht.

2.5. Niet in geschil is dat op grond van het bepaalde in artikel 8.8 en artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) aan belanghebbende geen gecombineerde heffingskorting verleend kan worden.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het niet verlenen van de gecombineerde heffingskorting van artikel 8.8 en artikel 8.9 van de Wet IB 2001 aan belanghebbende in strijd is met het in artikel 39 van het Verdrag van 25 maart 1957, te Rome gesloten tot oprichting van de Europese gemeenschap, zoals dit verdrag nadien is gewijzigd (hierna: EG-verdrag) voorziene vrije verkeer van werknemers alsmede, zo begrijpt het Hof belanghebbende, met het discriminatieverbod van artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij dat verdrag.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur en vernietiging van de aanslag. Tevens concludeert belanghebbende tot veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Het vrije verkeer van werknemers van artikel 39 van het EG-verdrag

4.1. In zijn arrest van 16 november 2007, nr. 43 084, onder meer gepubliceerd in BNB 2008/21, heeft de Hoge Raad beslist dat het niet verlenen van de gecombineerde heffingskorting volgens artikel 8.9 van de Wet IB 2001 aan een fiscale partner van wie het belastbaar inkomen uit werk en woning nihil bedraagt, omdat de gecombineerde inkomensheffing van de andere fiscale partner vanwege de voorkoming van dubbele belasting over zijn arbeidsinkomsten uit Duitsland nihil bedraagt, niet in strijd is met het in artikel 39 van het EG-verdrag voorziene vrije verkeer van werknemers. Volgens dit arrest is het niet verlenen van de gecombineerde heffingskorting aan belanghebbende derhalve niet in strijd met artikel 39 van het EG-verdrag. Belanghebbende stelt dat zij de juistheid van dit arrest betwijfelt en bepleit in dat kader dat over de daarin beslechte kwestie prejudicieel het oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen wordt gevraagd. Het Hof heeft echter geen aanleiding om aan de juistheid van het arrest te twijfelen en acht reeds daarom geen reden aanwezig tot het stellen van prejudiciële vragen.

Het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM

4.2. Vooropgesteld moet worden dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van artikel 14 van het EVRM als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. Hoge Raad 12 juli 2002, nr. 35 900, onder meer gepubliceerd in BNB 2002/399).

4.3. Nog afgezien van de vraag of de situatie van belanghebbende gelijk is aan de situatie van een inwoner van Nederland met een fiscale partner die in Nederland zijn inkomen verdient, kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat het beperken van de gecombineerde heffingskorting van een niet of weinig verdienende partner tot ten hoogste het bedrag van de door zijn partner verschuldigde gecombineerde inkomensheffing, dat wil zeggen de inkomstenbelasting na toepassing van de regelingen ter voorkoming van dubbele belasting en (eventueel) de premie volksverzekeringen, verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting, van alle redelijkheid is ontbloot. Aldus bestaat naar het oordeel van het Hof ter zake een objectieve en redelijke rechtvaardiging als in 4.2 bedoeld.

Ten aanzien van het griffierecht

4.4. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.5. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep ongegrond, en

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 14 augustus 2009 door N. van Beelen, voorzitter, P.A.G.M. Cools en J.W. Zwemmer, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.